Voor neoliberalen is het simpel: kapitalisten zijn niet almachtig, want de aandelen van de grote bedrijven zijn vooral in handen van pensioenfondsen en de bezitters van de pensioenfondsen, dat zijn de werknemers. Werknemers zijn bovendien consumenten en als zodanig kunnen ze via reviews op Google en door te stemmen met hun aankopen bedrijven maken of breken. Dat klinkt simpel, maar dan in de zin van een oversimplificatie. Werkelijke werknemersmacht ziet er heel anders uit.
Premies betalen geeft geen enkele invloed op de koers van een pensioenfonds. Zelfs activistische aandeelhouders die SHELL wilden dwingen minder te investeren in de ontginning van fossiele brandstoffen en meer in duurzame energiebronnen, kregen tijdens vergaderingen geen poot aan de grond – onder meer omdat de pensioenfondsen hierin niet wilden meegaan. Toen diezelfde fondsen na de financiële crisis van 2008 uitkeringen bevroren? was het enige wat gepensioneerden konden doen een machteloos gemor laten horen. De coöperatieve rechtsvorm is evengoed een wassen neus. De grootste bank van Nederland is de RABO, een coöperatie ontstaan uit Raifeissen en Boerenleenbank en dus een product van samenwerkende kleine zelfstandigen. In de praktijk past ze de wetten van het grootkapitaal even genadeloos toe als welke andere grootbank ook.
Werknemerswelzijn
Toch leidt de illusie van de werknemersinvloed een lang en gelukkig leven. Neoliberale ideologen blijven praten over ‘stakeholders naast shareholders’ en schetsen het beeld van het bedrijf als een gemeenschap waarin iedereen zijn zegje heeft, van de eindgebruiker en de distributeur tot de man of vrouw op de werkvloer. In werkelijkheid beperkt de inspraak van allerhande werknemerscomités zich gewoonlijk tot de versheid van de kroketten in de bedrijfskantine. Zelfs in de officiële organisatieleer is het beroemdste voorbeeld van verhoging van het werknemerswelzijn nog altijd dat van de verlichting op de werkvloer. Hoe meer licht, hoe hoger de productiviteit, zo bleek uit experimenten. In werkelijkheid ging het niet om licht maar om aandacht – en voor degenen die opdracht gaven tot het installeren van extra lampen natuurlijk vooral om die hogere arbeidsproductiviteit. Het tempo waarop de machines staan afgesteld, de totale arbeidstijd, dat waren en zijn steevast punten van strijd, niet van overleg.
Gebruikersgemeenschap
Dat neemt niet weg dat productdesigners maar al te graag een beroep doen op de creativiteit van gebruikers, zeker in het digitale tijdperk. De Italiaanse fabrikant van koffiemachines Gaggia bracht onlangs een nieuwe versie van zijn classic op de markt, waarin de technici hadden samengewerkt met coffee-afficionados die ook nog techneuten waren. De wereldwijde Gaggia gebruikersgemeenschap die zich online had gevormd, stelde tal van kleine verbeteringen voor, waarvan de afdeling R & D in Milaan dankbaar gebruik maakte. Is dat dan consumenteninvloed? Consumerdemocracy? Nee, want de verhouding tussen producent en gebruiker verandert er niet wezenlijk door. En zelfs als er grote winstbelangen op het spel staan, blijkt die consumenteninvloed gering. In haar boek ‘De Klant is Koningin’ stelt Diana Jaffé dat vrouwen een enorm marktpotentieel vormen (minimaal 50%) maar dat bedrijven vooral ontwerpen voor mannen en zich ook in de reclame richten op mannen. Ze geeft het voorbeeld van een Scandinavische autobouwer die een personenwagen liet ontwerpen door een puur vrouwelijk team. De auto zag er verrassend anders uit dan alles wat op de markt verkrijgbaar was en zou dus een enorme voorsprong bieden aan de constructeur. Toch is ze nooit geproduceerd.
Werkvloervernuft
Werkelijke invloed is afhankelijk van werkelijke macht. Als de werkvloer het voor het zeggen krijgt, ontstaan er vaak ook andere producten of worden bestaande goedkoper en sneller gemaakt en van betere kwaliteit. De Ploetivfabriek in Petrograd ontwierp kort na de Oktoberrevolutie een nieuw soort granaat, een huzarenstukje dat in de herfst van 1936 in Madrid werd herhaald. De werknemers van de gecollectiviseerde trammaatschappij van Barcelona slaagden er, nauwelijks enkele weken na het neerslaan van de militaire putsch van 18 juli, al in om vrachtwagens om te bouwen tot pantserwagens. Dit zijn innovaties ontstaan door de druk van een burgeroorlog, maar zelfs dan hoeft het vernuft zich niet te beperken tot militaire zaken. De melkindustrie van Barcelona stond tot de putsch bekend om haar onhygiënische omstandigheden en grote mate van dierenleed. De werknemers namen de bedrijven over en slaagden er in korte tijd in én betere melk op de markt te brengen én het dierenwelzijn te verhogen – zonder de kosten of prijs te verhogen. Helaas, met de val van Barcelona in maart 1939 keerden de oorspronkelijke eigenaren, in het spoor van Franco’s troepen, terug naar de directiekamers en alles werd weer als vanouds. In de voorgaande jaren was Barcelona bovendien zo vaak gebombardeerd en waren zoveel arbeiders naar het front vertrokken, dat er binnen de melkbedrijven nauwelijks nog tijd en energie was overgebleven voor verdere innovatie. Omdat elke vorm van arbeiderszelfbeheer bloedig is onderdrukt, hebben we relatief weinig voorbeelden van werkvloervernuft, maar die weinige die er zijn maken al indruk. Hoe zou het zijn als werknemers ongestoord en voor langere tijd hun fantasie, samenwerking en expertise op producten en het productieproces zouden mogen loslaten?
En ondertussen zullen we blijven worden bediend met ronkende maar inhoudsloze verhalen van neoliberale praatjesmakers. De kroketten zullen vers blijven, maar dat is dan ook alles.