Op de dag van zijn afreis naar China verklaarde Trump dat hij ‘niet wakker ligt van de koopkracht van de Amerikanen’. Nog maar eens een schofferende opmerking, waarop door sommigen met rituele verontwaardiging en door velen met schouderophalen werd gereageerd. De Amerikaanse president heeft carte blanche in dat opzicht, wat niet wegneemt dat zijn uitspraken en gedragingen altijd voorpaginanieuws zijn. Deze stroom aan banaliteiten en vulgariteiten lijkt een eindeloze reeks van faits divers maar vormt eigenlijk een hoeksteen van het beleid.

Tijdens de voorverkiezingen van 2016 was Jeb Bush de gedoodverfde winnaar bij de Republikeinen. Jeb wie? De gouverneur van Flordia, de man die gold als de intellectueel in de familie Bush en die met zijn dynastie die van de Kennedy’s voorgoed in de schaduw zou stellen, ging roemloos ten onder. Hij moest de duimen leggen tegen een televisiester die met voortdurende beledigingen van zijn tegenstanders de aandacht volop naar zich toe trok. De opspraak bleek een brandversneller. Alle media richtten de camera’s en microfoons op Trump, omdat heisa leidde tot verhoogde kijkcijfers en advertentie-inkomsten. Onder de overige presidentskandidaten bevond zich zelfs een Afro-Amerikaanse chirurg die minstens zo fel neo-liberaal was, maar ook voor hem deed zijn innerlijke beschaving hem de das om. De grootste schreeuwer won de primaries en later ook de presidentsverkiezingen.

Taaldegradatie

De voorbij tien jaar heeft Trump de media zover gebracht dat ze nauwelijks nog de officiële perswoordvoerder van het Witte Huis in beeld brengen en steevast focussen op wat de president ’s nachts op zijn telefoon tokkelt. De eerste jaren waren dat nog vooral tekstberichten vol denigrerende opmerkingen over anderen en complimenten aan zichzelf, tegenwoordig zijn dat steeds vaker AI plaatjes van Trump als hedendaagse krijger of Jezusfiguur. Maar evengoed zien we filmpjes van de Obama’s als apen, worden kritische rocksterren talentloos genoemd en vroegere presidenten sukkels. Kenmerkend is de on-presidentiële toon. Terwijl Nixon zorgvuldig elk woord woog en in 1970 met één zin een geweldsuitbarsting tussen het Jordaanse leger en de PLO voorkwam, grossiert Trump in slecht geformuleerde nietszeggendheden. Zijn woordenbrij degradeert de kracht van het presidentiële woord. Een ander kenmerk is het volkomen gebrek aan humor, want essentieel daarbij is zelfrelativering. Trump bedreigde Noord-Korea, Turkije, Brazilië, Denemarken en natuurlijk Iran – geen van die dreigementen kreeg enig gevolg en geen ervan had enig effect. Het nucleair arsenaal van Kim Jong Un is groter dan het ooit was. Maar dit gebrek aan uitwerking heeft het gebabbel en de plaatjesmakerij die uit het Witte Huis komen niet veranderd. Waarom niet?

The worst ten minutes of my life

Het antwoord zou weleens kunnen zijn: omdat het aandacht genereert en blijft genereren. Het afgelopen jaar werd vaak gezegd dat Trump probeert de attentie af te leiden van de Epstein-files. Dat is hem wonderwel gelukt, en niet alleen door een oorlog te beginnen. De ruzie met de paus, de Melania documentaire, de nieuwe balzaal, het blauw schilderen van een grote vijver in Washington DC – de ene na de andere bijkomstigheid wordt de opening van het nieuws. Trump overspoelt de social media met trivialiteiten die geen enkele nieuwswaarde zouden mogen hebben maar dat door het publiek en de mediamakers wel krijgen toegekend. Het is bijna knap om een hele documentaire te kunnen maken over een vrouw die nergens ooit een mening over heeft, die geen enkele bijzondere dagtaak lijkt te hebben, behalve shoppen, en die altijd naaldhakken draagt, ook als ze televisie kijkt. Toen ze Trumps jongste zoon ter wereld bracht, lag hij in bed met pornoster Stormy Daniëls, een affaire – als ze dit woord al verdient – die de vrouw nadien the worst ten minutes of my life noemde. Het schandaal deerde Trump niet, integendeel. Vulgariteiten en banaliteiten gaan bij hem hand in hand. Het publiek roept ‘bah’ maar eigenlijk smult het ervan.

Amusement als censuur

En in de tussentijd is het publiek niet bezig met wat er wél toe doet: inflatie, politiegeweld, politieke en zakelijke corruptie enzovoorts enzoverder. Dát is de bestaansreden van de banaliteitenmachine. De Amerikaanse semioticus Neil Postman waarschuwde er veertig jaar geleden al voor in zijn essay Amusing ourselves to Death. Hij citeerde Aldous Huxley, die in zijn roman Brave New World laat zien dat banaal amusement een veel effectiever middel kan zijn om burgers in het gareel te houden dan censuur of de dreiging van gevangenisstraf. Eigenlijk is banaal amusement een vorm van censuur, want ze voorkomt dat burgers de tijd en aandacht hebben voor wat werkelijk nieuws zou moeten zijn. Postman noemde de televisie hét medium dat daartoe wordt ingezet maar hij waarschuwde ook al voor de nieuwe media die door de huiscomputer zouden worden gecreëerd.

Van democratie naar telecratie

De banaliteitenmachine bestaat ook buiten de VS, maar daar draait ze op minder volle toeren. En toch: van ex-president Nicolas Sarkozy weten we dat hij yoghurtjes at tijdens zijn drie wekende durende gevangenisstraf en herinneren we ons de uitspraak dat hij de straten van de voorsteden zou schoonspuiten met de hogedrukreiniger. Jean Bothorel schreef in zijn essay Une Présidence Déculturée dat Sarkozy de democratie devalueerde tot ‘telecratie’ en dat hij de gebruikte woordenschat van het presidentschap had teruggebracht van de vierduizend onder De Gaulle tot de vierhonderd onder hemzelf. Andere landen doen daar inmiddels niet meer voor onder. Zelfs in Vlaanderen slaat de banalisering toe. Van Trump zullen we ons later slechts één uitspraak herinneren: grab them by the pussy!’, maar ook van Bart de Wever zullen ons geen diepzinnigheden te binnen schieten, wel het zinnetje Zet die ploat af!