Alicja Gescinska doet een aardige duit in het zakje als het op het herontdekken van Rosa Luxemburg aankomt. De Pools-Duitse revolutionair is een van de tien denkers over wie ze schrijft in haar vorig jaar verschenen Vrouwen in Duistere Tijden en onlangs wijdde ze een krantencolumn aan Luxemburg. Ze is daarin niet de enige. De voorbije jaren verschenen tal van boeken van en over de beroemde marxiste, zoals er ook in de jaren zeventig een ‘Luxemburggolf’ is geweest. Het is positief dat de in januari 1919 vermoorde vrouw zo tot de verbeelding spreekt van een nieuwe generatie, maar bij Alicja Gescinska krijg je ook de indruk dat één element in het denken en handelen van Luxemburg welbewust weggelaten wordt.

Gescinska bewondert Luxemburg om haar scherpzinnigheid maar vooral om haar grote persoonlijke moed. Ze was vrijgevochten op het vlak van de liefde en ze liet zich nooit de mond snoeren door mannen. Toen Jean Jaurès haar in 1904 op een partijconferentie openlijk aanviel was er niemand in de zaal om de schimpscheuten van de Franse socialistenleider in het Duits te vertalen. Ze deed het dan maar zelf, met een uitgestreken gezicht. ‘Als je dat kunt, dan sta je wel erg stevig in je schoenen,’ concludeert Gescinska in haar aan Luxemburg gewijde hoofdstuk in Vrouwen in Duistere Tijden. Ze was de eerste vrouw die een doctoraat in de economie verkreeg, ze was de eerste die zich op dat vlak wist te meten met de grote marxistische denkers van de tweede generatie. De Eerste Wereldoorlog bracht ze grotendeels door in de gevangenis, wegens haar verzet tegen de oorlogspolitiek, en in de eerste maanden van de Weimarrepubliek weigerde ze zich politiek op de vlakte te houden, wel wetend dat ze haar durf waarschijnlijk met de dood zou moeten bekopen.

Luxemburgisme?

In haar column in De Morgen doet Gescinska er een schepje bovenop. Ze prijst Luxemburg als literator (haar gevangenisbrieven zijn vermaard) en ze tilt haar op het schild als kampioen van de vrije meningsuiting. Dat is terecht. Maar hoe scherp Luxemburg Lenin en Trotsky ook wist te bekritiseren over de door hen ontketende terreur, ze deed dat wel als marxiste. En hier begint het schoentje een beetje te wringen. In haar boek stelt Gescinska dat niemand haar specifieke vorm van marxisme volgde: er bestaat geen ‘luxemburgisme’, zoals er trotskisme en bordigisme bestaan. En dan citeert ze met instemming Hannah Arend: ‘Ze was geen orthodoxe marxist en zo weinig orthodox zelfs, dat het betwijfeld mag worden of zij überhaupt een marxist was.’ Een merkwaardige en nogal ongefundeerde uitspraak over een vrouw die haar hoofdwerk de spottende ondertitel gaf ‘Wat de epigonen van Marx gemaakt hebben’.

Getekend door

Alicja Gescinska is geboren in Polen, in 1981, het jaar waarin de vakbeweging Solidarnosc een grote nederlaag leed tegen de neostalinisten in Warschau en Moskou. Je zou dit jaar het eindpunt kunnen noemen van de illusies die veel oppositionelen decennia hadden gekoesterd over de mogelijkheid het ‘reëel bestaande socialisme’ een menselijk en misschien zelfs werkelijk socialistisch gezicht te geven. Vanaf haar zevende groeide ze op in België, waar het gezin van nul af opnieuw moest beginnen. Die familiegeschiedenis heeft de filosofe vanzelfsprekend getekend. Politiek heeft Gescinska dan ook altijd met twee benen in het liberale kamp gestaan, wat in 2019 leidde tot een kandidaatstelling voor de Open VLD bij de Europese verkiezingen. Maar – het is duidelijk een progressief liberalisme. Binnen de brede spreidstand die het Belgisch liberalisme kenmerkt, heeft Gescinska veel meer gemeen met een felle antifascist en antiklerikaal als Dirk Verhofstadt dan met het diepblauwe gedachtengoed van een Alexander Decroo. Antikapitalistische systeemkritiek botst binnen het liberalisme echter al heel snel op barrières en dat is merkbaar aan de blik van Gescinska op Rosa Luxemburg. Ze wil haar recupereren als kampioen van het vrije woord en de vrouwenemancipatie, maar ze stuit daarbij op dat marxisme en marxisme staat voor haar gelijk aan stalinisme. Luxemburg was een democraat pur sang, zeker, maar ze pleitte voor de radenrepubliek, niet voor een burgerlijk parlement. Ze had sterke bedenkingen bij bepaalde maatregelen van de bolsjewieken en toen haar minnaar en partijgenoot Leon Jochigès klaagde dat hij na elk gesprek met de Russische afgevaardigde Karl Radek ‘het gevoel had zich van boven tot onder te moeten wassen’, beaamde ze dit. Maar ze ijverde voor een gelijksoortige revolutie en niet voor een terugkeer in de moederschoot van de SPD, laat staan een omarming van het liberalisme.

Projectie

Vermoorde revolutionairen zijn altijd welkome martelaren om idealen en illusies op te projecteren. Wat voor Luxemburg geldt, gaat ook op voor Trotsky en Guevara. Enkel de astrologisch ingestelde marxisten kunnen stellige uitspraken doen over hoe Luxemburg gehandeld zou hebben als ze niet was vermoord. Toch kunnen we wel enkele vaststellingen doen. Ze zou zeker geen stalinist geworden zijn en zich hebben uitgesproken tegen de onderwerping van ‘haar’ KPD aan de grillen en nukken van het Kremlin. Of ze dit overleefd zou hebben, politiek en fysiek, en hoe lang, is pure speculatie, maar dat ze zich ook dan niet bekeerd zou hebben tot het liberalisme lijkt wel een zekerheid.

De angel uit het denken

Enerzijds is het positief dat Gescinska de persoon en het werk van Rosa Luxemburg weer in de belangstelling brengt, anderzijds haalt ze met haar heiligverklaring de angel uit dit denken. Ze wordt er ongevaarlijk door, een icoon van een bepaalde strekking van het liberalisme, wat ze nooit had willen zijn. Het luxemburgisme moet blijven schuren. Gelukkig zijn er altijd nog voldoende mensen die haar opvattingen als gezagsondermijnend beschouwen. In zijn in 1976 verschenen biografie over Rosa Luxemburg, Rosa L. , beschrijft Frederik Hetmann hoe de beslissing van de Bundespost om een postzegel met haar beeltenis uit te brengen tot honderden woedende schriftelijke reacties leidt. Liever deze boosheid dan een brave en toch wat machteloze bewondering.