De Morgen wist te melden dat van de eerste groep langdurig werklozen die hun uitkering kwijtraakten inmiddels amper 3,8 % een baan gevonden heeft. Qua poverheid kan dat resultaat tellen, want de Arizonaregering ging ervan uit dat dit percentage bijna tien keer zo hoog zou zijn. Ongeveer één derde zou een leefloon krijgen (in werkelijkheid ligt dit op 47%) en één derde zou geen uitkering of betaald werk nodig hebben, omdat de partner genoeg verdient. Het lijkt of de beleidmakers een taart in drie gelijke delen hebben gesneden. In een paar happen zou het probleem zijn weggeslikt. De werkelijkheid is minder smakelijk.
Beperk de werkloosheidsuitkering in de tijd en het probleem van de langdurig werkloosheid verdwijnt als sneeuw voor de zon. Dat was jarenlang de boodschap. Maar de sneeuw ligt er nog altijd: natter, grauwer en in kleinere hopen. Toch kunnen Bouchez en De Wever beweren dat deze ijskristallen geen sneeuw meer zijn, omdat de overblijvende werklozen van statuut veranderden. Ze zijn verdwenen, weggemoffeld in andere statistieken. Momenteel herinneren de meeste burgers zich die sneeuwhopen helaas nog, maar de publieke opinie is vergeetachtig en over een jaar of wat ogen de ‘opgeschoonde’ werkloosheidscijfers zo positief als de beleidsmakers ze wilden voorstellen. Dat mogen we niet laten gebeuren.
Een deken van individuele levensverhalen
Mannen en vrouwen die tien of twintig jaar werkloos zijn geweest vormen een makkelijke prooi. Ze hebben als groep geen gezicht. Achter de statistieken gaat een deken van individuele levensverhalen schuil, waarin de onmogelijkheid een baan te vinden of te houden vaak het cumulatief effect is van tal van andere problemen. Die problemen worden niet opgelost door hun financiële zekerheid af te pakken, integendeel. Ervan uitgaan dat professionele begeleiding vanuit VDAB of OCMW volstaat om deze langdurig werklozen alsnog een baan te bezorgen is ook naïef. De overwerkte begeleiders worden afgerekend op resultaat en concentreren zich dus het liefst op de kansrijke werkzoekende: jong, gediplomeerd en ambitieus. Waarschijnlijk zijn veel geschrapte werklozen nu hun tijd aan het vullen met een cursus solliciteren, een ‘snuffelstage’ of het oppoetsen van digitale vaardigheden, tot een voltijdse baan zal het naar alle waarschijnlijkheid allemaal niet leiden.
Het odium van onwil
Uiteindelijk zal deze hele exercitie een verhuizing van kaartenbakken blijken te zijn geweest. Een aanzienlijk deel van de langdurig werklozen verdwijnt in de grote massa van leefloners. Het verschil met leeglopers is maar enkele letters en dat is ook waar het deze neoliberale regering om te doen is. Werkloosheid is in de vorige eeuw veranderd van een individueel lot in een maatschappelijk manco. De grote werkloosheid vlak na de Eerste Wereldoorlog als gevolg van de demobilisatie van miljoenen militairen en het stopzetten van de productie van wapens en munitie, leerde de bevolking dat soldaten die vier jaar lang hun leven hadden geriskeerd niet vrijwillig zonder werk zaten. Er werden ijlings allerlei noodwetten gestemd, óók uit angst voor socialistische revolutie. De massawerkloosheid van de jaren dertig kon evenmin op het conto van individuele luiheid worden geschreven. Na de Tweede Wereldoorlog was het besef doorgedrongen dat werkloosheid een negatief bijverschijnsel was van conjunctuurschommelingen en dat beschaafde werkloosheidsuitkeringen onderdeel waren van de oplossing van het probleem. De schande, het odium van individueel falen, dat altijd om werkloos zijn had gehangen, was verdwenen. Allee, grotendeels toch. Toen de gemengde economie er niet langer in slaagde volledige werkgelegenheid te garanderen en Thatcher en Reagan de ommezwaai naar het neoliberalisme inluidden, kwam het verwijt van onwil en lamzakkerij langzaam maar zeker weer terug.
In de schijnwerpers houden
Toen de Amerikaanse historicus John Garraty zijn Unemployment in History publiceerde lagen de verkiezingsoverwinningen van Thatcher en Reagan nog één, respectievelijk twee jaar in de toekomst. Hij kon zich niet voorstellen dat we in onze visie op werkloosheid zouden terugkeren naar de tweede helft van de negentiende eeuw, de periode van het ongebreidelde laissez faire kapitalisme, toen het ieder voor zich was – ook voor werknemers. Je baan verliezen was altijd mogelijk maar als je niet snel genoeg een nieuwe vond, was dat geheel en al je eigen schuld. Werkloosheid was zó sterk geïndividualiseerd dat het geen maatschappelijk of politiek probleem was. Niemand lag wakker van andermans werkloosheid, de kapitalisten niet, de middenstanders niet, maar ook de arbeiders niet. Garraty schrijf dat zelfs Karl Marx in zijn Das Kapital amper ingaat op het fenomeen van de werkloosheid, behalve in zijn theorie van het reserveleger. De huidige periode van neoliberalisme lijkt sterk op die van het oude laissez faire kapitalisme en het onzichtbaar maken van werklozen hoort daar ook bij. Het begint met de langdurig werklozen – in commentaren op social media uitgescholden als ‘beroepswerklozen’ – maar het zal daar niet bij stoppen. Daarom mogen we niet toestaan dat de duizenden mensen die nu uit de werkloosheidsstatistieken verdwijnen ook uit het zicht van de publieke opinie verdwijnen. De Arizonaregering vraagt nu al of de laatste werkloze het licht uit wil doen en het pand verlaten. Het is onze taak dat licht te laten branden en de schijnwerpers op het droeve lot van deze waarschijnlijk permanente werklozen gericht te houden.