We publiceren hieronder een uitgebreid artikel van onze vriend Herman Michiel, actief bij Ander Europa, als bijlage aan het debat. Andere bijdragen zijn steeds welkom.

De PVDA op zoek naar een Europese strategie

In het lentenummer van Lava formuleerde Marc Botenga onder de titel De illusies van de “lexit” een aantal overwegingen over een strategie voor links in Europa. Botenga is actief lid van de Belgische PVDA/PTB waar hij mee gestalte geeft aan de Europese opstelling van de links-radicale partij. Hij werkt als politiek adviseur voor de linkse fractie (GUE) in het Europees Parlement.

Nu zijn artikel ook toegankelijk is voor wie niet op Lava geabonneerd is (1)Zie Lava nr. 4, p. 79-97, https://lavamedia.be/de-illusies-van-de-lexit/, wil ik graag ingaan op een aantal van zijn standpunten. Enerzijds is het een verademing dat het ‘Europees debat’ uiteindelijk ook doorgedrongen is tot in onze contreien; anderzijds ben ik het niet met alles eens, of vind ik dat een aantal discussiepunten zouden opgehelderd moeten worden. In ieder geval is het belangrijk dat er met de PVDA/PTB voor de eerste maal in de Lage Landen een (voorlopig nog kleine) partij is die het ‘Europees strategisch debat’ ernstig neemt.

Een strategische eenheidsformule?

Als we spreken over een ‘strategisch debat’ binnen links in de Europese context dan gaat het over de vraag hoe linkse partijen zich daarin moeten opstellen om zich te weer te stellen tegen het neoliberale EU-keurslijf en linkse overwinningen mogelijk te maken. De situaties kunnen sterk uiteenlopen. Er zijn landen die de euro hebben aangenomen, en er zijn andere; sommige behoren tot de ‘kern’ (onder andere die met een sterk handelsoverschot zoals Duitsland en Nederland) , anderen tot de mediterraanse (Griekenland, Spanje, Portugal…) of Oost-Europese ‘periferie’; meestal zijn linkse partijen in een minderheidspositie, maar zoals het Griekse SYRIZA heeft aangetoond is het niet uitgesloten dat ze via de parlementaire weg de politieke leiding nemen van een EU-lidstaat. Als we daarbij ook rekening houden met de uiteenlopende graad van sociale mobilisatie, sterkte van extreem rechts enerzijds en radicaal links anderzijds, en particuliere omstandigheden (Catalonië, Brexit, vluchtelingen…), dan is het weinig waarschijnlijk dat er een soort eenheidsformule bestaat voor links, toepasbaar in elke lidstaat, onafhankelijk van context en politieke conjunctuur.

Het is echter wel naar een dergelijke one-fits-all formule dat Botenga lijkt op zoek te zijn. “Moeten we de strijd Europees voeren en de Unie democratiseren? Of moet een linkse regering gaan voor een ‘lexit’ (linkse eur-exit), zich bevrijden van het eurokeurslijf door uit de eurozone of zelfs uit de EU te stappen?”, schrijft hij bij de inleiding van zijn artikel. Hij verwerpt beide opties omdat ze “in essentie de strategische horizon van links tot een beter beheer van het kapitalisme beperken”, en hij lijkt een beter strategisch alternatief te zullen voorstellen. Daarover verder meer, maar door meteen en in algemene termen een exit van de hand te wijzen, stelt zich de vraag: wat zou een linkse regering in Griekenland anno 2015 hebben moeten doen?

We zullen verder nagaan wat Botenga hierover denkt, want het is een essentieel probleem voor elke linkse strategie die verder kijkt dan vandaag. Zou een euro-uitstap van Griekenland zoals o.a. Lapavitsas die voorstelde alleen maar tot “een beter beheer van het kapitalisme” geleid hebben? Het is natuurlijk iets helemaal anders om voor een lexit te gaan in de dramatische omstandigheden van Griekenland anno 2015, en exit voortaan als hét links ordewoord te beschouwen voor alle 19 landen van de eurozone, als sine qua non voor elke vooruitgang. Maar ik denk niet dat men -op uitzonderingen na misschien- van de lexiteers een dergelijke karikatuur kan maken.

Ook eerder karikaturaal is een uitspraak als “Als ieder in eigen lidstaat opkomt voor een uitstap, krijgen Europese samenwerking en sociale eisen op Europees vlak een tweederangsstatus”. Dit lijkt ingegeven door een soort Kantiaanse categorische imperatief: een standpunt is maar juist als het univeraliseerbaar is. Nochtans heeft het politiek gevecht meer van een Gramsciaanse stellingenoorlog die alle kansen benut zoals ze zich aandienen. (We laten buiten beschouwing of Europese samenwerking en sociale eisen momenteel een eersterangsstatus hebben, nu alleen de Britten opkomen voor een uitstap.)

Geen categorische imperatief, maar wel een aantal algemene principes moeten aan de basis liggen van een strategie van linkse partijen en bewegingen in de EU: solidariteit, internationalisme, sociale vooruitgang, enz. Maar het is contraproductief te zoeken naar een one fits all opstelling, een exit bij voorbaat te excommuniceren; daarvoor is het politieke landschap in Europa te heterogeen.

Europees Links als beperkend kader van het debat?

Toeval of niet, het vlakaf verwerpen van lexit in alle omstandigheden, en het omzeilen van een grondige discussie over de weg die de SYRIZA-regering insloeg, is de positie ingenomen door de meerderheid van de Partij van Europees Links (EL) (2)De Partij van Europees Links, kortweg EL (European Left), is het Europees samenwerkingsverband van een reeks Europese  partijen die zich links van de sociaal-democratie opstellen. Maken er onder andere deel van uit: Die Linke (Duitsland), PCF en Parti de Gauche (Frankrijk), Syriza (Griekenland), Bloco de Esquerda (Portugal) en andere. Sommige van deze partijen hebben verkozenen in het Europees Parlement, en maken er deel uit van de parlementaire groep (fractie) Europees Unitair Links/Noords Groen Links (beter bekend als GUE/NGL of kortweg GUE, Gauche Unitaire Européenne). Sommige partijen, zoals de Nederlandse SP, maken wel deel uit van de GUE, maar zijn niet aangesloten bij EL.. Sommige leiders van EL geven blijk van een wel groot politiek ‘realisme’. Voormalig EL-voorzitter en PCF-leider Pierre Laurent bleef ook na de Griekse capitulatie spreken over de “moed van de Griekse regering”; huidig EL-voorzitter Gregor Gysi (Die Linke) behoort eveneens tot de reformistische vleugel van zijn partij (Die Linke), en is bv. voorstander van rot-rot-grün (coalitie SPD/Die Linke/Grünen). De leiding van EL heeft in ieder geval weinig rekening gehouden met de standpunten van aangesloten partijen voor wie uitstap uit de euro geen taboe is, of die een kritischer bilan maken van de regering Tsipras.

Het is misschien begrijpelijk dat een kleine partij als de PVDA/PTB, die nog geen Europese verkozenen heeft (ze is wel ‘geassocieerd lid’ van de linkse fractie in het Europees Parlement) nog geen controversiële standpunten inneemt binnen het complex wereldje van Europees links. Nochtans zal opheldering op den duur wel nodig zijn, wil men niet van politiek opportunisme beschuldigd worden. De vraag naar meer duidelijkheid binnen EL wordt trouwens al een beetje duidelijker gesteld, nadat Jean-Luc Mélenchon de kat de bel aanbond en voorstelde om SYRIZA omwille van haar beleid sinds medio 2015 uit EL te zetten.

Daar werd geen gevolg aan gegeven, en Mélenchons Parti de Gauche besloot ondertussen EL te verlaten. Het zou interessant zijn te weten hoe de PVDA oordeelt over deze kwestie. Botenga houdt het echter voorzichtig, en polemiseert met de zeer interessante maar politiek weinig doorslaggevende auteurs als Cédric Durand, Frédéric Lordon en Costas Lapavitsas (3)Cédric Durand doceert economie aan de Université Paris-XIII, Frédéric Lordon is filosoof en onderzoeksdirecteur bij de Franse wetenschappelijke overheidsorganisatie CNRS.. Nochtans stelde ook Mélenchon het eurolidmaatschap van Frankrijk in vraag en had hij het in de aanloop van zijn presidentiële campagne over een ‘Plan B’.

Het Griekse drama is een grondiger debat waard!

Botenga besteedt veel meer woorden aan het verwerpen van de lexit-voorstellen van Costas Lapavitsas (4)De Griek Costas Lapavitsas (° 1961) is professor politieke economie aan de University of London. Een overtuigd marxist (o.a. een specialist wat betreft het marxisme in Japan), gewezen parlementslid voor Syriza (tot de aanvaarding van het derde memorandum met de Troika) en sinds altijd een tegenstander van de euro. Hij publiceerde heel wat artikels en boeken over de rol van de euro en over een linkse uitstapstrategie. dan aan de capitulatie van Tsipras; bovendien worden Lapavitsas’ voorstellen op een weinig correcte manier weergegeven (5)Dat is zeker ook zo in het geval van Frédéric Lordon. Botenga beweert dat Lordon “de euro wil ontbinden en een gemeenschappelijke munt zonder Duitsland creëren”. Het klopt dat Lordon (en een aantal andere auteurs) aangetoond heeft dat er aantrekkelijke alternatieven voor de euro bestaan. Een bepaalde vorm van ‘gemeenschappelijke munt’ zou aanzetten tot solidariteit in plaats van het huidige Europese monetaire egoïsme. Hij pleit ervoor een dergelijke munt in te voeren in landen waar een crisis tot Griekse toestanden dreigt te leiden, en er zoveel mogelijk een coöperatief project van te maken. Dat is iets anders dan te beweren dat Lordon de ontbinding van de euro als een politiek project zou voorstellen.

Botenga geeft (pag. 82) ook de indruk dat Lordon een van die “voorstanders van de uitstap” is met veel illusies in verkiezingsoverwinningen en weinig aandacht voor de opbouw van een sociale tegenkracht. Dat is zeker in het geval van Lordon zeer onterecht. Tijdens de Nuits Debout begeesterde hij duizenden studenten en scholieren met zijn welbespraakte tirades tegen de El Khomrihervormingen..

Lapavitsas’ scenario zou “vertrekken van de wijdverspreide illusie dat het volstaat om via verkiezingen tot een formele verwerping van de Europese verdragen te komen”, een bewering die nergens op steunt. Integendeel, Lapavitsas is altijd overtuigd geweest van EU-represailles tegen een lidstaat die te ver uit de pas loopt, en heeft gedetailleerde scenario’s uitgewerkt voor een regering die een dergelijk risico zou lopen. Het weinige dat Botenga hiertegen inbrengt is dat “maatregelen om de economische schade van dergelijke uitstap te beperken waarschijnlijk te laat komen” en dat nationalisering “een essentieel instrument is, maar geen wondermiddel.”

Wie nu nog niet de daver op het lijf heeft voor een exit, moet nog weten dat “de prompte devaluatie van de nieuwe munt, noch de controle op kapitaal en bankactiviteiten tekorten zullen verhinderen, van toiletpapier tot geneesmiddelen, van voedingsmiddelen tot benzine.” Tja, veel hoop geeft dit niet om ooit uit de Europese wurggreep te geraken… Het is ook nogal opvallend dat Botenga alleen spreekt over het ‘falen’ van de Griekse regering, maar dat deze het OXI-referendum van 5 juli 2015 platweg naast zich neerlegde terwijl het een kernelement was voor een doorgedreven linkse strategie komt helaas niet ter sprake.

Botenga geeft wel een échte ‘oplossing’ wanneer hij stelt: “Het is niet de euro of de Europese Unie, maar het kapitalisme dat de huidige economische, ecologische, democratische en culturele crisissen met elkaar verbindt. Enkel een totaal andere samenlevingsorganisatie, bevrijd van de dogma’s van de concurrentie en de markt, kan deze crisissen oplossen.”

Zeer juist, volledig akkoord, alleen het socialisme (het echte dan) biedt afdoende antwoorden op de meeste van onze huidige problemen. Maar ondertussen zijn er wel mensen en organisaties die proberen partiële en voorlopige antwoorden te bieden en aan sociale noden enigszins tegemoet te komen. Ik durf zelfs beweren dat de PVDA/PTB een dergelijke organisatie is, een partij die het socialisme als einddoel ziet, maar ondertussen ijvert voor betere lonen, pensioenen, geneeskunde, ook al zal dit de kapitalistische crisissen niet verhinderen.

En als Botenga vindt dat “eenzijdig de nadruk leggen op de vele gebreken van de euro of de Europese Unie het noodzakelijk debat over het economisch en politiek systeem kan ondersneeuwen”, zou je dat ook kunnen toepassen op de vele gebreken van de Belgische regering waartegen zijn partijgenoot Hedebauw in het nationaal halfrond meesterlijk van leer trekt, zonder vrees blijkbaar dat dit de mensen zou afleiden van de werkelijke strijd tegen het kapitalisme.

Even terzijde: de dooddoener van “It’s capitalism, stupid” brengt ons bij de volgende vraag: alle calamiteiten die Botenga (terecht) ziet plaatsvinden bij de uitstap van een lidstaat uit de euro zullen tot een hogere macht verheven worden als een land of een groep landen wil uitstappen uit het kapitalisme, een perspectief dat de PVDA (gelukkig) nog steeds genegen is. Is dat in een zo onnoemelijk verre toekomst dat we er ons geen zorgen moeten over maken? Of is het dan zo zeker dat op zijn minst een heel continent gelijktijdig van het kapitalisme af wil?

Nog over de calamiteiten bij een uitstap moet iets opgemerkt worden dat bijna volledig buiten het blikveld van links gebleven is, maar waar net Lapavitsas mogelijkheden in zag. De Duitse minister van financiën en ‘eurozone-tsar’ Wolfgang Schäuble heeft herhaald laten verstaan dat hij voor een op zijn minst tijdelijke uitstap van Griekenland uit de euro gewonnen was, en dat dit op een geordende manier zou kunnen gebeuren (6)In een interview met Lapavitsas in Jacobin staat dat Schäuble dit aanbod reeds vanaf 2011 deed.. Daar werd over het algemeen, ook door linkse commentatoren, zeer verontwaardigd over gedaan, als een aanval van rechts Europa op links, als een zoveelste brutaliteit van tsar Schäuble.

Maar verontwaardiging is niet altijd de beste leermeester; weinigen aan de linkerzijde zagen in dat hier een kans lag, een uitstap uit de euro zonder dat de hele hemel instort. Ik ken er eigenlijk maar drie: Costas Lapavitsas, Statis Kouvelakis (7)Zie New Left Review nr 97, jan-feb 2016, Syriza’s rise and fall. en Susan Watkins, redacteur van New Left Review (8)Zie haar Oppositions in NLR nr. 98, maart-april 2016.. Misschien belemmert niet alleen de verontwaardiging, maar ook het zoeken naar een ‘strategische eenheidsformule’ voor links de opmerkzaamheid voor opportuniteiten zoals ze zich voordoen. Greep niet ene Illitch Oeljanov een dergelijke kans toen een verzegelde Duitse trein hem in april 1917 naar Petersburg bracht? Voorwaar een politiek initiatief dat aan geen enkele categorische imperatief beantwoordde!

Tenslotte nog een opmerking om het hoofdstuk Griekenland te besluiten. Los van alle mogelijke kritiek die men op het beleid van SYRIZA kan hebben is het niet zeer duidelijk of Botenga al dan niet voor de vorming van een regering SYRIZA gewonnen was. Hij lijkt de partij te verwijten (pag. 82) dat ze de “absolute voorrang gaf aan regeringsdeelname, ten koste van partijopbouw en de organisatie van mensen als tegenkracht”. Nu kan in het geval van Griekenland 2015 de kwestie van ‘regeringsdeelname’ van SYRIZA niet op dezelfde manier benaderd worden als de deelname van sociaaldemocratische of linkse partijen aan burgerlijke regeringen; SYRIZA nam niet deel aan een regering, maar vormde de regering (9)In een coalitie weliswaar met een kleine en rechtse partner, ANEL, maar dit heeft nooit een belangrijke rol gespeeld. Een alliantie met de Griekse communisten van de KKE (tot voor enkele jaren een ‘zusterpartij’ van de PVDA/PTB) zou veel natuurlijker geweest zijn, maar deze sektarische partij is daar nooit willen op ingaan.. Bedoelt Botenga dat SYRIZA in januari 2015 niet sterk genoeg stond om de regeringsverantwoordelijkheid te nemen? Dit is een mogelijk (en vrij origineel) standpunt, maar zou dan ook expliciet moeten geformuleerd worden. En zou het de linkse zaak in Griekenland en Europa zoveel geholpen hebben als een linkse partij de overwinning behaalt, maar zich excuseert bij zijn kiezers want “sorry, we zijn er niet klaar voor” ?

Strijd op nationaal vlak? Strijd op Europees vlak?

We komen nu tot de strategische beschouwingen met een meer directe betekenis voor links in de ‘kern’ van de EU. Er is veel sociale achteruitgang, armoede, ongelijkheid, maar geen acute crisis zoals die zich voordeed in Griekenland, of zelfs maar in Spanje, Portugal of Ierland. Uitstapscenario’s zijn niet aan de orde. Toch leeft het besef dat het beleid van onze neoliberale regeringen, geïnspireerd en geactiveerd via de instellingen van de EU, een neergaande spiraal betekent waaruit we moeten ontsnappen vooraleer we de bodem bereiken . Hoe? Wat te doen? Alhoewel Botenga het vooral over lexit heeft, bevat zijn artikel ook diverse aanduidingen die op kern-Europa betrekking hebben.

Als de hamvraag is (en dat is ze volgens mij) welke praktijk linkse organisaties moeten uitoefenen, welke articulatie tussen strijd binnen het nationaal kader en op het Europees vlak wenselijk en mogelijk is, wat internationalisme vandaag in de context van de Europese Unie betekent, dan moet ik vaststellen dat Botenga de hamvraag uit de weg gaat. In plaats van in te gaan op deze praktische vraag, vervangt hij ze door een andere, meer theoretische: wat is de aard van de nationale staat? Dat gebeurt zo (pag. 83): “De strijd voor de bescherming van sociale rechten wordt inderdaad meestal, hoewel lang niet altijd, nationaal uitgevochten. Dat zegt echter weinig of niets over de nationale staat.”

Dan volgen allerlei beschouwingen waarmee men het zonder probleem eens kan zijn: het is door klassenstrijd binnen de natiestaten dat rechten werden afgedwongen, zodra ze kunnen zullen de leidende klassen dergelijke verworvenheden terugschroeven, geen enkele van onze Staten is werkelijk sociaal of echt democratisch, enzovoort. Niet alleen verschuift aldus de praktische vraag (hoe moeten we strijden?) naar een theoretische (de aard van de natiestaat), maar Botenga situeert zijn opponenten, ten onrechte, binnen het kamp van degenen die allerlei illusies koesteren over de natiestaat: “Het exit-argument sluit aan bij de mythe die beweert dat men de macht kan teruggrijpen op nationaal niveau”, “exit-campagnes promoten de facto een klasseloze abstractie van de natiestaat”, enzovoort.

Er worden hier twee dingen door elkaar gehaald: illusies in de nationale soevereiniteit enerzijds , en anderzijds de vaststelling dat verzet tegen de kapitalistische dominantie zich voor het overgrootste deel afspeelt binnen de arena’s van de nationale staten, of men dit nu betreurt of niet.

Ik heb elders al eens geprobeerd dit onderscheid tussen nationalisme en strijd op nationaal vlak te verduidelijken (10)H. Michiel, Ander Europa, 19 februari 2017, Europa of terug naar de natiestaat?, ik zal het hier bij een praktische overweging houden. In een hele reeks Europese landen staan dezelfde bekommernissen op de strijdagenda van radicaal links: tegen de aftakeling van het arbeidsrecht, meer loon en pensioen, verdediging van sociale zekerheid en openbare diensten, rechtvaardiger belastingen, betere gezondheidszorg enzovoort.

De PVDA/PTB zet zich in op al deze terreinen. Hoe? Door een gecoördineerd optreden in Europees verband met gelijkgestemde krachten? De vraag stellen is ze beantwoorden: hoe ‘logisch’ dit ook lijkt, het beantwoordt niet aan de bestaande intra-Europese verhoudingen, ook de PVDA/PTB voert de strijd haast uitsluitend binnen de nationale grenzen. Er is zeker meer internationale samenwerking mogelijk, en het is de verdomde plicht van links om daar al het mogelijke voor te doen, maar wie strijd wil voeren doet dit met de middelen die ter beschikking staan, en die zijn voor het allergrootste deel nationaal (11)Misschien wat gewaagd, maar men zou hier het Europees principe van de ‘subsidiariteit’ kunnen inroepen: beleid moet gevoerd worden op het niveau waar dit meest geëigend is. Europese betogingen van het EVV in Brussel halen niets uit, consequent ‘nationaal’ verzet tegen maatregelen van een regering (soms) wel..

Dat is zelfs zo in eminent transnationale aangelegenheden zoals de strijd tegen klimaatverandering, vrijhandelsverdragen of meer defensie-uitgaven: beginnen doe je door je eigen regering op de korrel te nemen. Misschien wordt het ooit anders. Misschien ageert links binnen 20, 40 of 100 jaar stelselmatig onmiddellijk op het Europese, of waarom niet: op het globale niveau, maar het zou een enorme illusie zijn dat nu reeds als strategisch uitgangspunt te nemen. Met alle respect voor Yanis Vaoufakis en zijn DiEM25, die deze weg gekozen heeft, maar ik vrees dat hij vooral zal bewijzen dat het een onvruchtbare aanpak is.

Ik ben het ook absoluut niet eens met Botenga waar hij de eventuele ‘uitstap’ van een lidstaat als een aantasting en belemmering ziet voor de internationale solidariteit. We citeerden reeds de uitspraak: “Als ieder in eigen lidstaat opkomt voor een uitstap, krijgen Europese samenwerking en sociale eisen op Europees vlak een tweederangs status” (pag. 88). Vooreerst zal niet iedere lidstaat dit doen, maar ook als slechts één het doet, en vooral in een duidelijk linkse context (wat men van Brexit niet kan zeggen), zou dit hopelijk een golf van solidariteit kunnen opwekken. Alle verhoudingen in acht genomen: niemand heeft de bolsjewiki een gebrek aan solidariteit en internationalisme verweten omdat ze op hun eentje uit het kapitalistisch systeem stapten; integendeel, het bracht een golf van enthoesiasme en solidariteit op gang, de Britse dokwerkers weigerden zelfs munitie te laden die zou ingezet worden tegen de Sovjets.

En wat te zeggen van Lapavitsas’ argumenten dat zelfs het reformistische programma van Corbyns Labour niet kan uitgevoerd worden binnen de Europese eenheidsmarkt (12)Zie de Nederlandse vertaling van een interview met Lapavitsas in Jacobin, Jeremy Corbyns Labour versus de Eenheidsmarkt. ? Is daar niets van aan? Is het een uitvinding van ‘soevereinisten’ dat de EU de lidstaten in een neoliberaal keurslijf dwingt?

Aan internationalistische solidariteit moet permanent verder gewerkt worden (13)Botenga geeft (pag. 89) een aantal voorbeelden van geslaagde internationale coöperaties waarover elke rechtgeaarde linkse zich moet verheugen: het verzet tegen de havenrichtlijn, tegen de vrijhandelsverdragen, de petitie tegen Monsanto en zijn glyfosaat, de grote actie van klimaatactivisten in Bonn, enz. maar een linkse regering die haar strategie zou baseren op de hypothese van een grootse internationale solidariteitbeweging is onverantwoord lichtzinnig. Een eventuele exit kan men voorbereiden, een internationale solidariteitsbeweging nauwelijks.

Over de kracht van die internationale solidariteit geeft Botenga trouwens nogal tegenstrijdige interpretaties. Enerzijds zegt hij (terecht me dunkt) dat men niet al te zeer moet hopen op “een spontane Europese opstand volgend op de uitstap van één land, dat temidden de chaos een meer sociaal beleid zou pogen te voeren”. De solidariteit met de strijd in Griekenland was inderdaad nogal mager. Anderzijds dicht hij de Europese arbeidersbeweging een krachtpositie toe waarvan men alleen kan dromen. Zo stelt hij (pag. 96) dat de Audi-fabriek in Vorst (bij Brussel) alleen nog bestaat dankzij de solidariteit van de Duitse arbeiders… Een ernstige inschatting van de krachtsverhoudingen kan men dit niet noemen.

Vakbondssolidariteit aanmoedigen is één zaak, de krachtsverhoudingen tussen arbeiders en patronaat omkeren is een andere. Botenga moet daarbij de ogen sluiten voor een levensgroot probleem voor de werkerssolidariteit: de vakbondsbureaucratie en de sociaaldemocratische (in sommige gevallen, christendemocratische) greep op de vakbonden. Zo schrijft hij, verwijzend naar Lordon: “Sommigen gaan zelfs zover dat ze insinueren dat de Duitse vakbonden, of meer in het algemeen de Duitse werkers, voorgoed hebben gecapituleerd voor de Duitse export-en surplusstrategieën. Hoezeer dat onzin is, toonde in januari 2018 nog de grote stakingsbeweging van honderdduizenden Duitse werknemers uit de metaalsector doorheen Duitsland.”

Enige overdrijving (de Duitse werkers, voorgoed gecapituleerd) is blijkbaar nodig om het argument kracht bij te zetten, maar men moet helaas geen antisyndicalist zijn om de remmende invloed van de SPD op de Deutsche Gewerkschaftsbund te erkennen (14)Eén voorbeeldje: de bocht van de DGB- leiding in verband met het vrijhandelsakkoord met Canada (CETA). Zie CETA: DGB-leiding gerold door SPD?. De PVDA meende zelfs dat de “Duitse strijd voor de 28-urenweek het Europese patronaat doet beven”, terwijl die zgz. 28-urenweek in de eerste plaats een patronale overwinning is op het vlak van flexibiliteit. (15)Zie Duits vakbondsakkoord: een voorbeeld voor heel Europa?. Over de absoluut ondermaatse prestaties van het Europees Vakverbond (EVV, of ETUC), die een sleutelrol zou moeten spelen in de Europese werkerssolidariteit, vernemen we evenmin iets.

Ter afronding

Ik beschouw deze commentaren op Marc Botenga’s artikel niet als een evaluatie van ‘de’ Europese strategie van PVDA/PTB, maar veel meer als een bijdrage in het debat ter linkerzijde over een dergelijke strategie. Men kan tot genoegdoening vaststellen dat dit debat binnen de PVDA aan de gang is en dat er uiteenlopende standpunten circuleren. Botenga’s partijgenoot Johan Somers bijvoorbeeld blijkt meer begrip te hebben voor een ‘Plan B’ en een exitstrategie. (16)Zie Na Griekenland, welke strategie voor Europese verandering? Partijvoorzitter Mertens spreekt zeer duidelijk over een confrontatie met de EU (17)Zie Peter Mertens (PVDA): “Een confrontatie met de EU” en hij blijkt in het OXI- referendum van 5 juli 2015 een “duidelijk mandaat om Neen te zeggen” te zien. Als dit nuances zijn, zijn het toch belangrijke.

Overigens doorkruist het ‘Europees strategisch debat’ zowat alle linkse formaties in Europa. Men vindt het terug in Die Linke en in Podemos, in ATTAC en de trotskistische stroming. De hoger vermelde Cédric Durand bijvoorbeeld behoort tot deze laatste strekking, maar daartoe behoren bijvoorbeeld ook Michel Husson, Catherine Samary of Ozlem Onaran, die standpunten innemen die vrij dicht bij die van Botenga aanleunen. Is dat geen aansporing om een open, verhelderend en vruchtbaar debat in de hele linkerzijde te voeren?

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op Ander Europa.

Voetnoten   [ + ]

1. Zie Lava nr. 4, p. 79-97, https://lavamedia.be/de-illusies-van-de-lexit/
2. De Partij van Europees Links, kortweg EL (European Left), is het Europees samenwerkingsverband van een reeks Europese  partijen die zich links van de sociaal-democratie opstellen. Maken er onder andere deel van uit: Die Linke (Duitsland), PCF en Parti de Gauche (Frankrijk), Syriza (Griekenland), Bloco de Esquerda (Portugal) en andere. Sommige van deze partijen hebben verkozenen in het Europees Parlement, en maken er deel uit van de parlementaire groep (fractie) Europees Unitair Links/Noords Groen Links (beter bekend als GUE/NGL of kortweg GUE, Gauche Unitaire Européenne). Sommige partijen, zoals de Nederlandse SP, maken wel deel uit van de GUE, maar zijn niet aangesloten bij EL.
3. Cédric Durand doceert economie aan de Université Paris-XIII, Frédéric Lordon is filosoof en onderzoeksdirecteur bij de Franse wetenschappelijke overheidsorganisatie CNRS.
4. De Griek Costas Lapavitsas (° 1961) is professor politieke economie aan de University of London. Een overtuigd marxist (o.a. een specialist wat betreft het marxisme in Japan), gewezen parlementslid voor Syriza (tot de aanvaarding van het derde memorandum met de Troika) en sinds altijd een tegenstander van de euro. Hij publiceerde heel wat artikels en boeken over de rol van de euro en over een linkse uitstapstrategie.
5. Dat is zeker ook zo in het geval van Frédéric Lordon. Botenga beweert dat Lordon “de euro wil ontbinden en een gemeenschappelijke munt zonder Duitsland creëren”. Het klopt dat Lordon (en een aantal andere auteurs) aangetoond heeft dat er aantrekkelijke alternatieven voor de euro bestaan. Een bepaalde vorm van ‘gemeenschappelijke munt’ zou aanzetten tot solidariteit in plaats van het huidige Europese monetaire egoïsme. Hij pleit ervoor een dergelijke munt in te voeren in landen waar een crisis tot Griekse toestanden dreigt te leiden, en er zoveel mogelijk een coöperatief project van te maken. Dat is iets anders dan te beweren dat Lordon de ontbinding van de euro als een politiek project zou voorstellen.

Botenga geeft (pag. 82) ook de indruk dat Lordon een van die “voorstanders van de uitstap” is met veel illusies in verkiezingsoverwinningen en weinig aandacht voor de opbouw van een sociale tegenkracht. Dat is zeker in het geval van Lordon zeer onterecht. Tijdens de Nuits Debout begeesterde hij duizenden studenten en scholieren met zijn welbespraakte tirades tegen de El Khomrihervormingen.

6. In een interview met Lapavitsas in Jacobin staat dat Schäuble dit aanbod reeds vanaf 2011 deed.
7. Zie New Left Review nr 97, jan-feb 2016, Syriza’s rise and fall.
8. Zie haar Oppositions in NLR nr. 98, maart-april 2016.
9. In een coalitie weliswaar met een kleine en rechtse partner, ANEL, maar dit heeft nooit een belangrijke rol gespeeld. Een alliantie met de Griekse communisten van de KKE (tot voor enkele jaren een ‘zusterpartij’ van de PVDA/PTB) zou veel natuurlijker geweest zijn, maar deze sektarische partij is daar nooit willen op ingaan.
10. H. Michiel, Ander Europa, 19 februari 2017, Europa of terug naar de natiestaat?
11. Misschien wat gewaagd, maar men zou hier het Europees principe van de ‘subsidiariteit’ kunnen inroepen: beleid moet gevoerd worden op het niveau waar dit meest geëigend is. Europese betogingen van het EVV in Brussel halen niets uit, consequent ‘nationaal’ verzet tegen maatregelen van een regering (soms) wel.
12. Zie de Nederlandse vertaling van een interview met Lapavitsas in Jacobin, Jeremy Corbyns Labour versus de Eenheidsmarkt.
13. Botenga geeft (pag. 89) een aantal voorbeelden van geslaagde internationale coöperaties waarover elke rechtgeaarde linkse zich moet verheugen: het verzet tegen de havenrichtlijn, tegen de vrijhandelsverdragen, de petitie tegen Monsanto en zijn glyfosaat, de grote actie van klimaatactivisten in Bonn, enz.
14. Eén voorbeeldje: de bocht van de DGB- leiding in verband met het vrijhandelsakkoord met Canada (CETA). Zie CETA: DGB-leiding gerold door SPD?
15. Zie Duits vakbondsakkoord: een voorbeeld voor heel Europa?
16. Zie Na Griekenland, welke strategie voor Europese verandering?
17. Zie Peter Mertens (PVDA): “Een confrontatie met de EU”