Op 27 oktober 1943 werden vier trotskisten gefusilleerd en vervolgens anoniem begraven, in de tuin van een verlaten boerderij in het departement Haute Loire. Hun moordenaars waren geen collaborateurs van het Franse Vichy-regime en evenmin soldaten van het Duitse bezettingsleger, maar communistische partizanen. Ze handelden in opdracht van een agent van de Komintern. Onmiddellijk na de moordpartijen begonnen gewetens op te spelen en startten zowel de Franse als de Italiaanse KP wat een decennialange leugencampagne zou worden. Pas in 1997 brachten de historici Pierre Broué en Raymond Vacheron de waarheid boven water in hun magistrale boek Meutres au Maquis.
De Blitzkrieg die Hitler op 10 mei 1940 ontketende overweldigde niet alleen de Britse en Franse generaals maar ook de duizenden emigranten die in de jaren voordien politiek asiel hadden gezocht in Frankrijk. Velen van hen kwamen vast te zitten in het zuiden, tot eind ‘ 42 het onbezette deel van het land. Het regime van maarschalk Pétain deed alle moeite buitenlandse antifascisten te arresteren en in concentratiekampen op te sluiten, maar niet alle ambtenaren werkten even hard mee. Een deel van de emigranten slaagde erin uit handen van de Vichy-gendarmen te blijven. Ze bleven vluchtelingen en zwierven tussen de dorpen van de Pyreneeën of in de wijken van Lyon en Marseille, in de hoop via de bergen of met een boot alsnog te ontkomen. Gewoonlijk liepen ze zo alsnog in de val.
Tresso was een levende en hinderlijke herinnering aan het feit dat de PCI niet altijd een Moskougetrouwe partij was geweest, vriendelijk voor de fascisten die ‘onze proletarische broeders in het zwarte hemd.’ werden genoemd. Hij moest dus verdwijnen.
Zwarte Lijsten

Pietro Tresso en Barbara Seidenfeld, Marseille 1942
Een van hen was Pietro Tresso, militant van de IVe Internationale maar ooit medeoprichter van de Italiaanse communistische partij. Hij gold als een van de grote drie, samen met Antonio Gramsci en Amadeo Bordiga, maar net als de andere twee botste hij met de leiding van de communistische internationale in Moskou. Bordiga creëerde al in het begin van de jaren twintig zijn eigen stroming, Tresso werd in 1930 uit de partij gestoten. Het werd het begin van een ballingschap die nooit meer zou eindigen. En ook van een evolutie die hem tot een onverzoenlijk tegenstander van zowel het fascisme als het stalinisme maakte en zijn standpunten steeds meer zou laten convergeren met die van de trotskisten. Onder het pseudoniem Blasco publiceerde hij regelmatig in de Franse tijdschriften van de Vierde. Ondertussen moest hij met allerlei baantjes in zijn levensonderhoud voorzien en uit handen van Mussolini’s geheime politie zien te blijven. In sommige van die artikelen toonde hij zich bijzonder fel tegenover Moskou, omdat hem opviel dat de stalinisten namen en adressen van trotskisten prijsgaven aan de openbaarheid, met de bedoeling dat de politie hen van hun bed kon lichten. Die verklikkingspraktijk van deze zogeheten ‘zwarte lijsten’ ging een versnelling hoger toen het Molotov-Ribbentroppact van kracht werd. Vanzelfsprekend maakte dit op hun beurt de stalinisten extra gebeten op Tresso zelf. De man was hun bovendien een grote doorn in het oog omdat hij een zeker aanzien bleef genieten onder Italiaanse antifascisten. Hij werd zo een levende herinnering aan het feit dat de PCI niet altijd een Moskougetrouwe partij was geweest, dat ze de fascisten ooit actief had bestreden en aldus ver afstond van het pleidooi van partijleider Palmiro Togliatti, die zich vanuit Moskou verzoeningsgezind richtte tot “onze proletarische broeders in het zwarte hemd.”
Gevangenen tussen de vijanden
Samen met zijn partijgenoten Abram Sadek, Pierre Salini, Jean Reboul en Albert Demazière belandde Tresso in 1942 alsnog in een Franse gevangenis. Daar vormde het vijftal een klein en kwetsbaar groepje tussen ruim zeventig communisten. De strak georganiseerde stalinisten besloten namelijk al snel de ‘hitlero-trotskisten’ te isoleren en te koeioneren. Er werd niet met hen gesproken, de toiletemmer werd hen uit handen geslagen, voedsel uit de mond gestoten. Volgens Broué en Vacheron kwam er maar heel geleidelijk een einde aan deze isolatie. Niet elke stalinist was in staat aan de natuurlijke kameraadschap van gevangenen onderling te ontsnappen. Uiteindelijk ontstonden er, dankzij deze barsten in het pantser, toch politieke discussies waarbij de trotskisten er zelfs in slaagden enkele medegevangenen aan de officiële standpunten van de PCF te doen twijfelen. Maar de maanden rekten zich moeizaam aaneen. Bij het gebrek aan voeding en beweging kwam de constante angst te zullen worden uitgeleverd aan de Duitsers en naar een Duits concentratiekamp te worden afgevoerd. Hoe gehard de trotskisten ook waren, bij Salini leidden de constante pesterijen en het isolement toch tot een geestelijke ineenstorting waar hij nooit meer helemaal van herstelde.
Dubbele uitbraak
Het jaar 1943 zag een enorme groei van het aantal werkweigeraars en partizanen – ook in het zuiden van Frankrijk, dat tot het jaar daarvoor erg Pétaingezind was gebleven. Cipiers en gendarmen begonnen zich welwillender op te stellen tegenover gevangenen. Dat leidde tweemaal tot een spectaculaire en massale ontsnapping uit de beide gevangenissen waar Tresso en zijn kameraden zaten opgesloten, die van Puy-en-Velay en Saint Etienne. Beide uitbraken waren minutieus georganiseerd door het gewapend communistisch verzet, met hulp van binnenuit. De eerste keer werden echter enkel die communisten bevrijd die kaderlid waren of over militaire expertise beschikten. De overigen liet men in hun cel, inclusief de vijf trotskisten. Onder druk van andere partijen in het regionaal verzet had de hoofdorganisator van het comité, Giovanni Sosso, geen andere keuze dan de tweede keer wél iedereen uit hun cellen te laten. In plaats van zesentwintig van de zeventig verlieten nu ruim tachtig gevangenen het huis van bewaring, onder wie Tresso en de zijnen. Zo spectaculair de ontsnappingen zelf waren, zo klungelig was het vervolg ervan. Geen van de meegebrachte bestelwagens bleek in staat te starten, zodat de gevangenen in groepjes, te voet, de stad verlieten. Sommige zwierven dagen door het platteland en de bossen, op sokken en pantoffels, andere raakten de stad niet uit en werden gearresteerd. Omdat de stalinisten enkel op de expertise van hun eigen leidinggevenden vertrouwden werd er niet geluisterd naar gevangenen die uit de streek zelf kwamen. Eén groep keerde na een volle dag zwerven terug op de plek waar ze was begonnen, inclusief de twee die als gids hadden kunnen dienen maar die was toegebeten hun ‘bek te houden’.
De ‘afremfase’ in de oorlog

Pierre Broue (links)
Tresso en de zijnen komen terecht bij de partizanengroep Wodli, genoemd naar een Elzasser communist die het jaar voordien door de Duitsers is doodgeschoten. Ze blijken van de ene gevangenis in de andere te zijn beland, want Sosso heeft de groep strikte orders gegeven: de trotskisten mogen het kamp niet verlaten en moeten constant in de gaten worden gehouden. Volgens Broué en Vacheron is de partizanenoorlog dan in een ‘afremfase’ terechtgekomen. Togliatti is met zijn PCI toegetreden tot de regering van maarschalk Bagdoglio, die Italië na de afzetting van Mussolini in het geallieerde kamp heeft doen stappen. In ruil voor ministersposten moeten de communisten het gewapend verzet in het door de Duitsers bezette deel van Italië afhouden van revolutie. Dat is ook wat Stalin de kameraden in Frankrijk opdraagt: niet staken, geen arbeidersprotest organiseren, enkel saboteren. De trotskistische ideologie gaat daar lijnrecht tegenin en Tresso is – alweer – een levende uitdaging aan de compromitterende houding van zijn opvolger Togliatti. Voor Moskou is er maar één oplossing denkbaar: Tresso moet van de aardbodem verdwijnen. Sosso – die enkele jaren in Moskou heeft verbleven – is de geknipte man voor deze taak. Volgens Broué en Vacheron behoort hij tot een selecte groep agenten, buitenlandse communisten die officieel lid zijn van de communistische partij van het land waar ze wonen maar die officieus hun bevelen uit Moskou krijgen. Hij heeft al ervaring opgedaan in Spanje bij de liquidatie van anarchisten.
Hoewel er binnen de trotskistische organisatie verwarring bestaat over het lot van Tresso cum suis, heerst er ook angst voor de PCF. De zaak wordt daarom niet op de spits gedreven.
Haperende geheugens
Een van de trotskisten – Albert Demazière – weet al direct na de gevangenisuitbraak te ontkomen, twee van de stalinisten die zich te vriendelijk toonden tegenover hun trotskistische medegevangenen en vooral te ontvankelijk voor hun opvattingen, worden geëxecuteerd. Tresso, Reboul, Salini, en Sadek worden doodgeschoten. De moordenaars begraven hun lichamen bij een verlaten boerderij in een ongemarkeerd graf. Kort daarop wordt de groep Wodli opgeheven. Sosso zorgt ervoor dat iedereen die als bewaker of executeur bij de politieke moordpartij betrokken was naar een andere groep wordt overgeplaatst. Affaire conclu – en daar lijkt het enkele jaren lang inderdaad op. Ook na de bevrijding is de PCF immers oppermachtig. Tot 1947 zetelt ze in de eerste regering van De Gaulle. Die toont zich vijandiger tegenover de trotskistische partij dan tegen de Moskougezinde. Het blad van de Vierde, La Verité, mag bijvoorbeeld niet verschijnen. Hoewel er binnen de trotskistische organisatie vooral verwarring bestaat over het lot van Tresso cum suis, heerst er ook angst voor de PCF. De zaak wordt daarom niet op de spits gedreven. Tresso’s weduwe, Barbara Seidenfeld, is de enige die ze niet laat rusten. Ze reist naar het zuiden van Frankrijk, bezoekt ex-leden van de groep Wodli, maar wordt overal met veel argwaan en misleidende verhalen ontvangen. Iedereen blijkt met een haperend geheugen uit de oorlog te zijn gekomen.
De onderste steen beneden houden
Broué én Vacheron reconstrueren de moord, alles wat daaraan voorafging maar ook wat erop volgde. De samenwerking tussen een historicus die is gespecialiseerd in de grote lijnen van de geschiedenis en een die zich regionaal heeft gespecialiseerd, blijkt bijzonder vruchtbaar. Het spook van Tresso blijft alle betrokkenen achtervolgen in de decennia nadien. De ex-partizanen worstelen met hun geweten, durven zelfs geen reünies te organiseren, uit angst dat de moord dan ter sprake zal komen. De Parijse leiding van de PCF drukt de regionale op het hart de archieven gesloten te houden en onderzoekers en journalisten met een afgekloven kluitje in het riet te sturen. Zelfs de Italiaanse KP zit verveeld met de affaire. De verschijning van een boek over Tresso en zijn verdwijning in 1963, van Alfredo Azzaroni, brengt de zaak opnieuw onder de aandacht. Het feit dat de schrijver – én zwager – van Tresso aan een vervolg meewerkt, maakt het alleen maar erger. Ignacio Silone is een klinkende naam in communistische kringen. Palmiro Togliatti wast zijn handen zorgvuldig in onschuld van het merk Pilatus en belooft de onderste steen te zullen bovenhalen. Tegelijk stort hij nieuwe stenen op de bestaande. Een ex-dissident en medeballing van Tresso wordt in 1962 opnieuw toegelaten tot de PCI, op voorwaarde dat hij voortaan zwijgt over de zaak en de papieren die hij erover in zijn bezit heeft overhandigt aan de partijleiding. Dat laatste doet hij niet, maar de documenten verdwijnen wel direct na zijn dood in 1984.

Palmiro Togliatti
Een muur van onwil
Het moest – uiteraard – duren tot na de val van de Muur en dit boek tot de mist rond het lot van Tresso en zijn kameraden eindelijk was opgeklaard. Toch lijkt het of de implicaties ervan nooit echt zijn doorgedrongen. Giovanni Sosso was een stalinistische huurmoordenaar van het type Ramon Mercader. Na de oorlog werd hij correspondent voor de communistische krant L’Humanité in Oost-Europa en daar is hij in 1957 overleden, toevallig of niet relatief kort na Chroetsjovs onthullingen. Hij nam zijn geheimen mee in het graf. Verscheidene linkse personages uit het verzet hebben in de eerste jaren na de bevrijding getracht de waarheid omtrent Tresso’s dood te achterhalen maar konden onmogelijk door de muur van stilzwijgen dringen die de PCF er omheen had gebouwd – mét de passieve steun van de Gaullisten. De sfeer die Broué en Vacheron schetsen is er zo een die niet zo heel veel verschilt van die in Tsjechoslowakije in de jaren tussen ‘ 45 en ‘ 48, toen de KP sluipend de macht overnam. We kunnen de liquidatie van Tresso en de andere trotskisten beschouwen als een gevolg van het op de spits drijven van de tegenstellingen, zoals dat tijdens de Spaanse burgeroorlog was begonnen: we kunnen ze ook beschouwen als een voorafschaduwing van hoe een stalinistische machtsovername in Frankrijk en Italië eruit zou hebben gezien. Zoals Broué en Vacheron stellen: stalinisme gedijt bij angst en bij mystificatie. De theoreticus en activist Pietro Tresso is nooit werkelijk gerehabiliteerd. Zijn artikelen zijn niet in druk, zijn correspondentie met Barbara Seidenfeld is slechts deels gepubliceerd, een echte biografie is er nog nooit geschreven. Dat zou je als een vorm van mystificatie mogen beschouwen. De dode Tresso kan pas werkelijk te ruste worden gelegd als de levende eerst herrijst.
Pierre Broué & Raymond Vacheron: Meutres aux Maquis, Grasset, 1997.