In How To Blow Up A Pipeline onderzoekt Andreas Malm de rol van geweld en geweldloosheid in de klimaatbeweging. Volgens Jess Walsh geeft Malm een interessante analyse, maar trekt hij de verkeerde conclusie.

How To Blow Up A Pipeline is een prikkelende verhandeling voor klimaatactivisten. Het principe van geweldloosheid is de afgelopen twintig jaar voor grote delen van de klimaatbeweging een mantra geweest. Nu de frequentie van rampzalige weersomstandigheden snel toeneemt, is het belangrijk te discussiëren over hoe we de strijd kracht bij kunnen zetten.

Malm levert een bijdrage aan deze discussie door te argumenteren dat de klimaatbeweging radicaler moet worden in haar tactieken om te voorkomen dat business as usual de planeet vernietigt. Meer specifiek komt hij tot de conclusie dat klimaatactivisten infrastructuur voor fossiele brandstoffen moeten vernietigen. Hoewel ik het niet eens ben met deze conclusie, verwelkom ik zijn poging om in gesprek te gaan over strategie en radicalisme in de beweging.

Morele geweldloosheid

Volgens Malm is geweldloosheid in de klimaatbeweging hetzij een morele, hetzij een strategische keuze. Mensen als de Amerikaanse milieuactivist Bill McKibben spreken zich uit voor geweldloze tactieken uit een morele afkeer van geweld of uit spirituele of religieuze overwegingen. Voor hen is geweld per definitie weerzinwekkend, zelfs als het om zelfverdediging gaat. Extinction Rebellion heeft vanaf zijn stormachtige opkomst in 2019 een expliciet strategische argumentatie gegeven voor geweldloze directe actie. Massale politieke campagnes die alleen geweldloze tactieken gebruiken hebben een grotere kans op succes, stelt XR.

Dit is gebaseerd op historisch en sociaalwetenschappelijk onderzoek van mensen als de Amerikaanse politicoloog Erica Chenoweth en staat volgens XR buiten kijf. Roger Hallam, medeoprichter van XR, zegt hierover: ‘Er zijn twee soorten verstoringen: gewelddadige en geweldloze. Geweld is een traditionele methode. Dat werkt heel goed om de aandacht te trekken en chaos en verstoring te veroorzaken, maar het is vaak rampzalig als het erom gaat progressieve verandering te bewerkstelligen. Geweld bederft de democratie en de verhoudingen met tegenstanders, die cruciaal zijn om maatschappelijke conflicten vreedzaam op te lossen. De sociale wetenschap is hier volkomen duidelijk over: geweld draagt niet bij aan de kans op geslaagde, progressieve resultaten. Het leidt juist bijna altijd tot fascisme en autoritarisme. Het alternatief is dus geweldloosheid.’

Malm gaat wat dieper in op de succesvolle ‘geweldloze’ campagnes en personen die vaak geciteerd worden door klimaatactivisten. Daarbij gaat het onder andere om de abolitionistische beweging tegen slavernij, de suffragettes die vochten voor het vrouwenkiesrecht, de burgerrechtenbeweging in de VS en uiteraard de door Gandhi geleide campagne tegen het Britse kolonialisme in India. Het eerste hoofdstuk van How To Blow Up A Pipeline is een vlijmscherpe polemiek tegen de ‘sociale wetenschap’ die ten grondslag ligt aan het dogma van strategische geweldloosheid. Dat dogma brengt het complexe karakter van massaactie tegen autoritarisme, kolonialisme, slavernij, apartheid en segregatie terug tot de binaire classificaties ‘gewelddadig’ en ‘geweldloos’.

Echte geschiedenis van strijd

Malm wijst erop dat de strijd tegen de slavernij begon tijdens de Haïtiaanse revolutie, toen slaafgemaakten massaal in opstand kwamen en zichzelf bevrijdden. Daarna verdedigden ze zichzelf tegen opeenvolgende bloedige invasies door koloniale machten die vastbesloten waren om hen opnieuw te ketenen. Hun leuze was ‘vrijheid of de dood’. Hun heldhaftige opstanden tegen de legers van grootmachten kun je moeilijk geweldloos noemen. Hoe indrukwekkend de abolitionistische beweging ook was, vooral door de manier waarop ze witte arbeiders mobiliseerde tegen de slavernij, het is niet zo dat de Britten alleen vanwege een geweldloze beweging een einde maakten aan de slavernij. Slaafgemaakten streden en sneuvelden hiervoor, en dwongen zo het Britse Rijk tot concessies.

De burgerrechtenbeweging maakte wel gebruik van de bekende tactieken van burgerlijke ongehoorzaamheid: sit-ins, demonstraties en boycots. De leiders van de burgerrechtenbeweging waren voor geweldloosheid, maar hun strategie was erop gericht om de federale overheid te laten ingrijpen om desegregatie af te dwingen. Je kunt dus niet zeggen dat de beweging zich alleen baseerde op geweldloosheid. Martin Luther King, die vaak wordt geprezen als held van de geweldloze actie, had complexe politieke ideeën die zich bleven ontwikkelen totdat zijn politieke leven eindigde doordat hij door de staat werd vermoord.

De strijd tegen racisme en segregatie in deze periode was niet eenduidig. Deels omdat een geweldloze strategie als mislukt werd beschouwd, ontstond er een radicale flank in de beweging. De Black Power-beweging, vertegenwoordigd door Stokeley Carmichael, Malcolm X en de Black Panthers, hanteerde de leuze ‘self-defence is no offence’ (‘zelfverdediging is geen misdaad’).

De suffragettes deinsden er in hun campagne voor het vrouwenkiesrecht niet voor terug om eigendommen te vernietigen. Nadat jaren van petities en traditionele methodes geen resultaat opleverden, gingen de suffragettes over tot meer gewelddadige middelen. Ze sloegen ruiten in van winkels en de ambtswoning van de premier, staken brievenbussen in brand, sneden schilderijen kapot en bliezen leegstaande gebouwen op. Met dit soort directe acties haalden ze zich de woede van politici en de pers op de hals. Uiteindelijk werd het vrouwenkiesrecht binnengehaald, deels als gevolg van deze radicale acties.

Extinction Rebellion en andere klimaatgroepen, zoals Ende Gelände, zijn geen voorstander van het vernietigen van olieraffinaderijen of kolenmijnen, hoewel deze eigendommen een klimaatramp veroorzaken. Op dit punt stelt Malm een zinnige vraag: kan het vernietigen van eigendommen gewelddadig worden genoemd als er geen mensen bij gewond raken? Is vandalisme misschien een betere omschrijving van deze tactiek?

Malm behandelt vervolgens Gandhi, waarschijnlijk degene die het meest gerespecteerd wordt door voorstanders van geweldloosheid, en laat zien dat hij een heel tegenstrijdig figuur is. Gandhi was tegen het gebruik van gewelddadige tactieken tegen de Britten in India en veroordeelde gewelddadige acties zoals de muiterij bij de marine in 1946. Maar hij was niet tegen oorlogvoering door de Britten. Hij was zelfs voorstander van Indiase deelname aan de Boerenoorlog en de Eerste Wereldoorlog aan de kant van de Britten. Zijn logica was dat Indiërs zo het respect van de Britten zouden verdienen.

Toen de Britten in 1946 eindelijk vertrokken uit India, gebeurde dit in de context van een na de Tweede Wereldoorlog verzwakt Brits imperialisme, maar deels ook doordat de onafhankelijkheidsbeweging meer militante tactieken gebruikte. Veel mensen die eerder door Gandhi geïnspireerd waren, namen nu afstand van zijn geweldloosheid en namen deel aan muiterijen, stakingen en protesten die uitliepen op geweld. Die tactieken speelden een even grote rol als die van Gandhi bij het verdrijven van de Britten.

Opgeschoonde geschiedenis

‘Strategisch pacifisme is opgeschoonde geschiedenis’, stelt Malm. De hele geschiedenis van de strijd tegen uitbuiting en onderdrukking reduceren tot ‘gewelddadig’ of ‘geweldloos’ en dan beweren dat alleen de ‘geweldloze’ strijd ooit succes heeft, is in het gunstigste geval selectief en in het ongunstigste geval bewuste misleiding. Ook als er wordt beweerd dat de keuze voor geweldloosheid strategisch is, wordt dit door activisten vaak op moralistische wijze uitgelegd. ‘We veroordelen alle vormen van geweld’, heb ik XR-activisten horen zeggen over rellen tegen politierepressie in Bristol. Zo gaan ze mee met de neiging van de media om onderscheid te maken tussen ‘goede’ en ‘slechte’ demonstranten en de beweging te verdelen op basis van fatsoen. Martin Luther King zei al: ‘Rellen zijn de taal van de mensen die niet worden gehoord’. Het veroordelen van mensen die spontaan terugvechten tegen een onrechtvaardig systeem is iets waar activisten zich niet voor moeten lenen.

How To Blow Up a Pipeline is heel nuttig om een gesprek te beginnen over geweld, dwang en het vernielen van eigendommen als tactieken binnen de klimaatbeweging. Daarom verdient het een groter lezerspubliek. Maar de specifieke voorstellen die Malm doet zijn omstreden. Hij roept klimaatactivisten op om elke nieuwe installatie voor de winning van fossiele brandstoffen te vernielen. Hij hoopt dat dit de bazen van fossiele brandstofbedrijven dwingt te stoppen met het openen van nieuwe winplaatsen. Vervolgens stelt hij dat we moeten beginnen met het vernielen van bestaande installaties. Volgens Malm zou de tactiek van klimaatgroepen zoals Ende Gelände, die met duizenden activisten kolenmijnen binnenvallen en bezetten, moeten veranderen in het daadwerkelijk vernielen van machines.

Malm heeft gelijk dat er, om onder de 1,5°C opwarming te blijven, een verbod moet komen op nieuwe apparaten die CO2 uitstoten. Ook ik word wanhopig van de bijna onvoorstelbare realiteit dat de uitstoot nog steeds toeneemt en er wereldwijd nieuwe bronnen van CO2 worden gebouwd, terwijl het klimaat zichtbaar verandert. We zijn nog niet eens begonnen de trend om te buigen. De remedie voor deze wanhoop is de massabeweging die in 2019 losbarstte als reactie op de waarschuwing van het IPCC dat we nog maar elf jaar hadden om de planeet te redden. Extinction Rebellion en de scholierenstakingen voor het klimaat van Greta Thunberg maakten 2019 tot het jaar van de klimaatstrijd. Miljoenen mensen overal ter wereld eisten maatregelen voor het klimaat. Wie oproept tot sabotage en het vernietigen van eigendommen kiest voor geheimhouding en samenzwering in plaats van voor het opbouwen van een massabeweging.

Spontane uitbarstingen van geweld tegen de staat of directe actie als onderdeel van massale strijd zijn van levensbelang. Denk aan het neerhalen van het standbeeld van de slavenhouder Edward Colston in Bristol tijdens de Black Lives Matterprotesten in 2020 of de Poll Taxrellen die het einde van Thatchers regeerperiode inluidden. Spontane geweldsuitbarstingen door een grote groep mensen tijdens een protest kan tot belangrijke overwinningen leiden en het zelfvertrouwen van activisten vergroten. Maar oproepen tot conspiratieve methoden waarbij geen massa’s gewone mensen betrokken zijn, kan een symptoom van pessimisme en wanhoop zijn. Hoe verleidelijk dit ook kan zijn, het kan ertoe leiden dat je afziet van het opbouwen van een radicale massabeweging tegen de macht van het fossiele kapitaal.

Radicale strategie?

Malms argument is, dat het gebruik van geweld tegen CO2-uitstotende machines geen terrorisme, maar vandalisme is. Maar we weten dat de staat in het kapitalisme privébezit fanatieker beschermt dan mensenlevens. Voor het vernietigen van olieraffinaderijen en kolenmijnen zou een ondergrondse, geheime campagne nodig zijn. Om de hegemonie van deze machines aan te pakken, moet je de belangen aanpakken die ze vertegenwoordigen. Voor de strijd tegen een aantal van de grootste bedrijven op aarde is meer nodig dan een handvol toegewijde en moedige activisten die machines ontmantelen.

De machines zijn niet neutraal. Ze zijn doordrenkt van ongelijke maatschappelijke verhoudingen en lijken daardoor macht over ons te hebben. De grote ontdekking uit Malms eerdere boek Fossil Capital was, dat fossiele brandstoffen door de vroege industriëlen werden verkozen boven water, wind en andere energiebronnen vanwege de macht die ze kapitalisten gaven over de arbeiders. Het kapitalisme en de heerschappij van fossiele brandstoffen hebben zich samen ontwikkeld en zijn met elkaar verweven geraakt, zodat de macht van de een ook de ander versterkte.

Het fossiele kapitaal aanpakken betekent het kapitalisme aanpakken. Dat betekent dat je een systeem aanpakt dat een handvol bedrijven het recht geeft om zichzelf te verrijken door fossiele brandstoffen te winnen ten koste van mens en planeet. Aan het einde van het eerste hoofdstuk beklaagt Malm zich over het gebrek aan revolutionaire politiek en klassenbewustzijn in de bewegingen. Maar met zijn conclusies keert hij zich af van de maatschappelijke krachten die het systeem kunnen omverwerpen.

Het meest teleurstellende aan How To Blow Up A Pipeline is de opvallende afwezigheid van arbeiders en arbeidersstrijd. Het gaat nergens over actie op de werkplek als strategie, of over arbeiders die zelf in actie komen voor het milieu. Ook negeert Malm de kracht van stakingen en het sociale gewicht dat arbeiders kunnen toevoegen aan een beweging.

In het verleden hebben arbeiders belangrijke acties gevoerd voor het milieu. De green ban die in de jaren 70 door de Australische bouwvakkersvakbond BLF in New South Wales werd georganiseerd is een belangrijk voorbeeld. De vakbond had het beleid om de arbeid slechts in te zetten voor maatschappelijk nuttige projecten. Daarom maakten de bouwvakkers een einde aan de bebouwing van groene gebieden in de stad door dit werk te weigeren.

In 2009 bezetten arbeiders van Vestas in Engeland een windmolenfabriek op het eiland Wight om te protesteren tegen sluiting van de fabriek en groene banen te eisen. Ze slaagden er niet in om de fabriek open te houden, maar lieten wel zien dat arbeiders economische en groene eisen kunnen combineren. Nog belangrijker was dat ze aantoonden dat arbeiders kunnen vechten voor de inzet van hun arbeid voor maatschappelijk nuttige taken in plaats van alleen voor winst. In september 2019 sloten arbeiders overal ter wereld zich aan bij scholieren door deel te nemen aan massale acties op de werkvloer als deel van Fridays For Future.

Dit is niet zomaar een geschiedenisles. Hoewel de beweging de afgelopen jaren ups en downs heeft gekend, heeft ze het mogelijk gemaakt dat klassenpolitiek een belangrijke rol gaat spelen in het klimaatactivisme. In vergelijking met vijf jaar geleden wordt er vaker gesproken over systeemverandering, klimaatstakingen en groene banen. Ons focus zou moeten liggen op het verdiepen van dit proces, niet op directe actie door een kleine groep. Een jaar na de invoering van de lockdowns tijdens de pandemie is de milieuvernietiging niet beëindigd of zelfs maar afgeremd. De economische crisis heeft duizenden mensen in werkloosheid en armoede gestort. Het kapitalisme bevindt zich in een grote, multidimensionale crisis. Dit zal onvermijdelijk leiden tot verzet tegen het systeem, of dit zich nu richt tegen ongelijkheid, racisme, seksisme of klimaatcrisis. Socialisten hebben de urgente taak om die politieke strijd naar de georganiseerde arbeidersklasse te brengen en om de beweging naar de meest radicale conclusie te leiden. Arbeiders zijn nog steeds de enige klasse op aarde die in staat is een halt toe te roepen aan een systeem dat met grote snelheid op een ramp af koerst.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op socialisme.nu.