Op 18 maart 1871 nam de bevolking van Parijs, dat door Pruisische troepen werd belegerd, de macht over haar stad over en voerde 72 dagen lang het eerste experiment uit met het leven onder volksheerschappij.

De traditie van de onderdrukten

Op begraafplaats Père Lachaise in Parijs staat een muur die Le Mur des Fédérés (de Muur van de Gefedereerden) wordt genoemd. Daar werden in mei 1871 de laatste strijders van de Parijse Commune doodgeschoten door de troepen van Versailles. Elk jaar bezoeken duizenden – en soms, zoals in 1971, tienduizenden – Fransen, maar ook mensen uit de hele wereld, deze belangrijke gedenkplaats van de arbeidersbeweging. Ze komen alleen of in demonstraties, met rode vlaggen of bloemen en zingen soms een oud liefdeslied, dat het lied van de communards werd: Le Temps des Cerises (in de kersentijd). We brengen geen hulde aan een mens, een held of een groot denker, maar aan een menigte anonieme mensen die we weigeren te vergeten.

Zoals Walter Benjamin in zijn stellingen ‘Over het begrip van de geschiedenis‘ (1940) zei, wordt de emancipatiestrijd niet alleen in naam van de toekomst gevoerd, maar ook in naam van de verslagen generaties; de herinnering aan de tot slaaf gemaakte voorvaderen en hun strijd is een van de grote morele en politieke inspiratiebronnen voor revolutionair denken en handelen. De Commune van Parijs maakt dus deel uit van wat Benjamin ‘de traditie van de onderdrukten’ noemt, dat wil zeggen van die bevoorrechte (‘messianistische’) momenten in de geschiedenis waarop de lagere klassen erin geslaagd zijn, voor even, de continuïteit van de geschiedenis, de continuïteit van de onderdrukking te doorbreken; korte – te korte – perioden van vrijheid, emancipatie en rechtvaardigheid die telkens weer als ijkpunt en voorbeeld zullen dienen voor nieuwe gevechten. Sinds 1871 is het de reflectie en de praktijk van revolutionairen blijven voeden, te beginnen met Marx zelf – en ook Bakoenin – en vervolgens, in de twintigste eeuw, Trotski en Lenin.

Marx en de Commune van 1871

Ondanks hun meningsverschillen binnen de Eerste Internationale werkten marxisten en libertairen broederlijk samen ter ondersteuning van de Commune van Parijs, de eerste grote poging tot ‘proletarische macht’ in de moderne geschiedenis. Zeker, de respectievelijke analyses van Marx en Bakoenin over deze revolutionaire gebeurtenis lagen ver uit elkaar. We kunnen de stellingen van de eerste in de volgende bewoordingen samenvatten: ‘De kleine groep overtuigde socialisten die deelnamen aan de Commune bevonden zich in een zeer moeilijke positie… Ze moesten een revolutionaire regering en leger oprichten tegen de regering en het leger van Versailles.’ Geconfronteerd met deze lezing van de burgeroorlog in Frankrijk, waarin twee regeringen en twee legers tegenover elkaar stonden, was het anti-staat standpunt van de tweede heel expliciet: ‘De Parijse Commune was een revolutie tegen de staat zelf, dit bovennatuurlijke onderkruipsel van de maatschappij.’

Oplettende en geïnformeerde lezers zullen de correctie zelf hebben aangebracht: de eerste opvatting is die van… Bakoenin in zijn essay De Parijse Commune en de idee van de staat. Terwijl de tweede een citaat is van… Marx, in zijn eerste versie van De burgeroorlog in Frankrijk, 1871. We hebben de zaken opzettelijk door elkaar gehaald om te laten zien dat de – weliswaar zeer reële – verschillen tussen Marx en Bakoenin, tussen marxisten en libertairen, niet zo eenvoudig en duidelijk zijn als wel wordt gedacht.

Bovendien verheugde Marx zich over het feit dat de aanhangers van Proudhon tijdens de gebeurtenissen van de Commune de stellingen van hun meester vergaten, terwijl sommige libertairen met genoegen vaststelden dat Marx in zijn geschriften over de Commune het centralisme losliet ten gunste van het federalisme.

Marx had in 1864 in de inaugurele rede van de Internationale als centrale politieke leus van de Internationale Arbeidersvereniging – de Eerste Internationale – deze formule voorgesteld: ‘De bevrijding van de arbeidersklasse kan slechts het werk van  de arbeidersklasse zelf zijn’. Als de Commune van 1871 in zijn ogen zo belangrijk was, dan was dat juist omdat het de eerste revolutionaire manifestatie was van dit grondbeginsel van de moderne arbeidersklasse en socialistische beweging.

De Commune, schreef Marx in 1871 in de toespraak in naam van de Eerste Internationale, De burgeroorlog in Frankrijk (en in de voorbereidende mededelingen), was niet het bewind van een partij of van een groep, maar ‘in wezen de regering van de arbeidersklasse‘, een ‘regering van het volk door het volk’, dat wil zeggen ‘de herovering door het volk en voor het volk van zijn eigen sociale roeping’. Daarvoor was het niet voldoende om het bestaande staatsapparaat te ‘veroveren’: het was nodig om het te ‘breken’ en te vervangen door een andere vorm van politieke macht, zoals de Communards deden, vanaf hun eerste decreet – de afschaffing van het staande leger en zijn vervanging door het gewapende volk. Dit is wat Marx schreef in een brief aan zijn vriend Kugelman op 17 april 1871, dus tijdens de eerste weken van de Commune: ‘Als je het laatste hoofdstuk van mijn Achttiende Brumaire bekijkt, zul je zien dat ik zeg dat de volgende poging van de Franse revolutie niet meer zal zijn, zoals voorheen, om de bureaucratisch-militaire machine van de ene hand op de andere over te dragen, maar om haar kapot te maken, en dit is essentieel voor iedere echte volksrevolutie op het continent. En dit is wat onze heldhaftige partijkameraden in Parijs proberen’.

Wat voor Marx van doorslaggevend belang leek, was niet alleen de sociale wetgeving van de Commune – waarvan bepaalde maatregelen, zoals de omvorming van door hun eigenaren verlaten fabrieken tot arbeiderscoöperaties, een socialistische dynamiek hadden – maar vooral haar politieke betekenis als arbeidersmacht. Zoals hij in de rede van 1871 schreef, was ‘deze nieuwe Commune, die de macht van de moderne staat breekt’ het werk van ‘gewone arbeiders’ die ‘voor de eerste keer inbreuk durfden te maken op het regeringsprivilege van hun ‘natuurlijke superieuren’.

De Commune was noch een samenzwering noch een plotselinge verrassingsaanval, het was ‘het volk dat voor zichzelf en door zichzelf handelde’. De correspondent van de krant Daily News constateerde dat er geen leider was die ‘het oppergezag’ uitoefende, hetgeen een ironisch commentaar van Marx oproept: ‘Het schokt de bourgeois die een immense behoefte heeft aan politieke idolen en ‘grote mannen’.

Hoewel activisten van de Eerste Internationale een belangrijke rol hebben gespeeld bij de gebeurtenissen, kan de Commune niet worden verklaard door de tussenkomst van een voorhoedegroep. In antwoord op de laster van de reactie, die de opstand voorstelde als een samenzwering uitgebroed door de Internationale, schreef Marx: ‘Het door de politie gestuurde burgerlijke verstand ziet de Internationale Arbeidersvereniging natuurlijk voor zich als handelend als een geheime samenzwering, waarvan het centrale orgaan van tijd tot tijd opdracht geeft tot explosies in verschillende landen. Onze bond is in feite niets anders dan de internationale band tussen de meest ontwikkelde arbeiders in de verschillende landen van de beschaafde wereld. Waar, in welke vorm en onder welke omstandigheden de klassenstrijd ook gestalte krijgt, het is niet meer dan natuurlijk dat leden van onze Vereniging op de voorgrond treden.’

Als Marx soms spreekt van arbeiders en soms van ‘mensen’, dan is dat omdat hij zich ervan bewust was dat de Commune niet alleen het werk was van de proletarische klasse in strikte zin, maar ook van sectoren van de verarmde middenklasse, intellectuelen, vrouwen uit verschillende sociale lagen, studenten en soldaten, allen verenigd rond de rode vlag en de droom van een sociale republiek. En niet te vergeten de boeren, afwezig in de beweging, maar zonder wier steun de opstand in Parijs alleen maar kon mislukken.

Een ander aspect van de Commune waar Marx op hamert is het internationalistische karakter ervan. Zeker, het volk van Parijs is in 1871 in opstand gekomen tegen de capitulerende burgerlijke politici die zich hadden verzoend met Bismarck en het Pruisische leger. Maar deze nationale reflex nam geenszins een nationalistische vorm aan; niet alleen door de rol van de militanten van de Franse afdeling van de Eerste Internationale, maar ook omdat de Commune een beroep deed op strijders uit alle naties. De solidariteit van de Internationale Arbeidersvereniging en de bijeenkomsten ter ondersteuning van de Commune in Breslau en andere Duitse steden, op initiatief van socialistische arbeiders, zijn de uitdrukking van deze internationalistische betekenis van de opstand van het Parijse volk. Zoals Marx schreef in een resolutie die werd aangenomen door een vergadering ter viering van de verjaardag van de Commune in maart 1872, waren de Communards ‘de heldhaftige voorhoede … van het dreigende leger van het universele proletariaat’.

Er bestaat, volgens Walter Benjamin in zijn Theses van 1940, een unieke constellatie van een huidig moment in de strijd van de onderdrukten, en een precieze gebeurtenis uit het verleden, een uniek beeld van dit verleden dat dreigt te verdwijnen als het niet wordt herkend. Dit is wat er gebeurde tijdens de Russische Revolutie van 1905. Alleen Leon Trotski zag de constellatie van  de Commune van 1871 en de strijd van de Russische Sovjets in 1905: in zijn voorwoord, geschreven in december 1905, bij de Russische uitgave van Marx’ geschriften over de Commune, merkt hij op dat het voorbeeld van 1871 laat zien dat ‘het mogelijk is voor de arbeiders om in een economisch achtergebleven land eerder aan de macht te komen dan in een ontwikkeld land’. Maar als de Russische arbeiders eenmaal aan de macht zijn, zullen ze, net als de arbeiders in de Commune, maatregelen nemen die de liquidatie van het absolutisme combineren met de socialistische revolutie.

In 1905-1906 was Trotski tamelijk geïsoleerd in de verdediging van het model van 1871 voor de Russische revolutie. Zelfs Lenin, ondanks zijn kritiek op de Mensjewistische tactiek om de anti-Tsaristische bourgeoisie te steunen, weigerde de Commune te beschouwen als een voorbeeld voor de arbeidersbeweging in Rusland. In zijn werk uit 1905, Twee Tactieken van de Sociaal-Democratie, bekritiseerde hij de Parijse Commune omdat ze de doelen van de strijd voor de republiek verward had met die van de strijd voor het socialisme; daarom was het een regeringsvorm die niet zou lijken op die van de toekomstige Russische revolutionair-democratische regering.

In 1917 zou het heel anders uitpakken. In de Aprilstellingen nam Lenin de Commune van Parijs als model voor de republiek van de Sovjets die hij voorstelde als doel voor de Russische revolutionairen, juist omdat deze de dialectische versmelting tot stand had gebracht tussen de strijd voor een democratische republiek en de strijd voor het socialisme. Dit idee zou ook breed worden uitgewerkt in Staat en Revolutie en alle andere geschriften van Lenin in het jaar 1917. De identificatie met de communards was zo sterk dat Lenin, volgens toenmalige verslagen, trots de dag had gevierd waarop – slechts enkele maanden na oktober 1917 – de macht van de Sovjets één dag langer had standgehouden dan de Commune van 1871.

De Oktoberrevolutie is dus een treffend voorbeeld van het idee dat Walter Benjamin in zijn Theses voorstelt: elke echte revolutie is niet alleen een sprong naar de toekomst, maar ook ‘een tijgersprong in het verleden’, een dialectische sprong naar een moment in het verleden beladen met ‘tegenwoordige tijd’ (Jetztzeit). Net als Marx en Engels bekritiseerden Lenin en Trotski bepaalde politieke of strategische fouten van de Commune: bijvoorbeeld dat ze het geld van de Bank van Frankrijk niet in beslag namen, Versailles niet aanvielen, de vijand opwachten op de barricaden van elke wijk. Niettemin erkenden ze in deze gebeurtenis een ongekend moment in de moderne geschiedenis, de eerste poging om ‘de hemel te bestormen’, de eerste ervaring van sociale en politieke emancipatie van de onderdrukte klassen.

De relevantie van de Commune van Parijs in de 21e eeuw

Elke generatie heeft haar eigen lezing, haar eigen interpretatie van de Commune van 1871, afhankelijk van haar historische ervaring, de behoeften van haar huidige strijd, de aspiraties en utopieën die haar motiveren. Wat zou de relevantie ervan vandaag zijn, vanuit het gezichtspunt van radicaal links en de sociale en politieke bewegingen van het begin van de 21e eeuw, van de Zapatistas van Chiapas tot de ‘beweging van bewegingen’, de wereldwijde rechtvaardigheidsbeweging? Natuurlijk weet de overgrote meerderheid van militanten en activisten nu weinig over de Commune. Toch zijn er enkele affiniteiten en resonanties tussen de ervaring van de Parijse lente van 1871 en de strijd van vandaag die het verdienen om benadrukt te worden:

a) De Commune was een beweging van zelf-emancipatie, zelf-organisatie en initiatief van onderop. Geen enkele partij probeerde de plaats in te nemen van de volksklassen, geen enkele voorhoede wilde ‘de macht grijpen’ in de plaats van de arbeiders. De militanten van de Franse afdeling van de Eerste Internationale behoorden tot de actiefste aanhangers van de volksopstand, maar ze hebben zich nooit willen opwerpen als de zelfbenoemde ‘leiding’ van de beweging, ze hebben nooit geprobeerd de macht te monopoliseren of andere politieke stromingen te marginaliseren. De vertegenwoordigers van de Commune werden democratisch gekozen in de wijken en onderworpen aan de permanente controle van hun volksbasis.

b) Met andere woorden : de Commune van 1871 was een pluralistische en unitaire beweging, waaraan de aanhangers van Proudhon of (minder vaak) van Marx, libertairen en Jacobijnen, Blanquisten en ‘sociaal-republikeinen’ deelnamen. Natuurlijk waren er debatten en meningsverschillen, soms zelfs politieke botsingen in de democratisch verkozen organen van de Commune. Maar in de praktijk handelden ze gemeenschappelijk, respecteerden elkaar, richtten hun vuur op de vijand en niet op de strijdmakker met wie ze misschien van mening verschilden. De ideologische dogma’s van elk van hen deden er minder toe dan de gemeenschappelijke doelstellingen: sociale emancipatie, de afschaffing van klassenprivileges. Zoals Marx zelf erkende, vergaten de Jacobijnen hun autoritaire centralisme, en de Proudhonianen hun ‘anti-politieke’ principes.

c) Zoals we hierboven zagen, was het een authentiek internationalistische beweging, met deelname van strijders uit verschillende landen. De Commune verkoos een Poolse revolutionair (Dombrowicz) tot leider van haar militie; een Hongaars-Duitse arbeider (Leo Frankel) werd commissaris van de arbeid. Natuurlijk speelde het verzet tegen de Pruisische bezetting een beslissende rol bij het ontstaan van de Commune, maar de aantrekkingskracht die de Franse opstandelingen uitoefenden op het volk en op de Duitse sociaaldemocratie, geïnspireerd door de utopie van de ‘Verenigde Staten van Europa’, getuigt van dit internationalistische bewustzijn.

d) Ondanks het gewicht van het patriarchaat in de volkscultuur, werd de Commune gekenmerkt door de actieve en strijdbare deelname van vrouwen. De bekendste waren de libertaire activiste Louise Michel en de Russische revolutionaire Elisabeth Dmitrieff, maar duizenden andere vrouwen – door de reactionairen van Versailles met woede en haat als ‘pétroléuses’ (olievrouwtjes) bestempeld – namen deel aan de gevechten van april-mei 1871. Op 13 april zonden de afgevaardigden van de burgers aan het Uitvoerend Comité van de Commune een adres waarin ze uiting gaven aan de wil van veel vrouwen om deel te nemen aan de verdediging van Parijs, met de overweging dat: ‘De Commune, vertegenwoordiger van het grote beginsel dat de vernietiging van alle privileges en alle ongelijkheden verkondigt, is tegelijkertijd verplicht rekening te houden met de gerechtvaardigde eisen van de gehele bevolking, zonder onderscheid naar geslacht – een onderscheid dat is ontstaan en in stand wordt gehouden door de behoefte aan tegenstellingen waarop de privileges van de dominante klassen berusten’. De oproep werd ondertekend door de afgevaardigden, leden van het Centraal Comité van vrouwelijke burgers: Adélaïde Valentin, Noëmie Colleville, Marcand, Sophie Graix, Joséphine Pratt, Céline Delvainquier, Aimée Delvainquier en Elisabeth Dmitrieff.

e) Zonder dat er sprake was van een duidelijk socialistisch programma, hadden de sociale maatregelen van de Commune – bijvoorbeeld de overdracht aan de arbeiders van de door hun bazen verlaten fabrieken – een radicaal anti-kapitalistische dynamiek.

Het is duidelijk dat de volksopstanden van onze tijd – bijvoorbeeld de Zapatistische opstand van 1994, die van de bevolking van Buenos Aires in 2001, die waarmee de couppoging tegen Chavez in Venezuela in 2002 werd neergeslagen, of die tegen de schurkachtige president Piñera in Chili in 2019 – om maar een paar recente voorbeelden uit Latijns-Amerika te noemen, heel andere kenmerken hebben dan die van het opstandige Parijs van 1871. Maar veel aspecten van deze eerste poging tot sociale emancipatie van de onderdrukten behouden een verbazingwekkende relevantie en moeten door de nieuwe generaties in overweging worden genomen. Zonder de herinnering aan het verleden en zijn strijd zal er geen strijd zijn voor de utopie van de toekomst.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op International Viewpoint. Nederlandse vertaling: redactie Grenzeloos.