Met de diplomatieke erkenning van Somaliland en zijn inmenging in de twisten rond de Hoorn van Afrika speelt Israël politiek en militair op een steeds grotere schaal. Zijn luchtaanvallen op Teheran zouden vroeger ondenkbaar zijn geweest, politiek maar ook militair-technisch. Het was in 1981 al een gedurfd staaltje om de kerncentrale in het Irakese Osirak te bombarderen. Maar hoe lang kan het land deze oorlog op meerdere fronten volhouden? Wanneer overspeelt Israël zijn hand en wie betaalt daarvoor dan uiteindelijk de prijs? Al in 1977 schreef de Belgische auteur René Kalisky in zijn essay Het Onmogelijke Koninkrijk dat we voor het antwoord op die vraag niet naar het heden maar naar het verre verleden moeten kijken.

Israël is oud. Ook al bestond het bijna tweeduizend jaar niet als staatskundige entiteit, het koninkrijk was in de klassieke oudheid een van de spelers op het schaakbord dat het Midden-Oosten ook toen al was. Steeds als een van de regionale grootmachten verzwakte, probeerde Israël daarvan te profiteren. Soms lukte dat, soms leidde het tot bezetting en ballingschap. Aan de diaspora die de Romeinen de klassieke Israëli’s oplegden, ging al eens een Babylonische ballingschap vooraf. Die ervaring heeft latere generaties nooit tegengehouden zich gewapenderhand te verzetten tegen iedere grootmacht die de onafhankelijkheid van het land bedreigde – met desastreuze gevolgen. In het jaar 70 vernietigde de Romeinse generaal Titus de tweede tempel, in de tweede eeuw onderging een nieuwe opstand onder Bar Kochba hetzelfde verpletterende lot. En toch, soms vochten de rebellen zich liever dood dan te capituleren. In de belegerde vestiging Massada namen ze zelfs hun eigen leven.

Cubanen op de Golanhoogte

René Kalisky  (1936 – 1981) verwijst in zijn boek veelvuldig naar dat klassieke verleden en hij ziet ‘de geest van Bar Kochba’, van de Zeloten, de Makkabeeën en andere oud-Joodse sekten, herleven in de leiders van de Likoudpartij die in 1977 voor het eerst de Arbeiderspartij van de macht verdrijven. Hij voorziet een heilloze vermenging van messianistische religie met nationalistische politieke denkbeelden. Het Onmogelijke Koninkrijk draait rond zijn scenario voor een film hierover, waarin hij scenes die in het klassieke Israël spelen wil afwisselen met beelden van de twintigste eeuw. Filistijnen kunnen dan veranderen in Syriërs of zelfs Cubanen op de Golanhoogte. Maar zijn filmplannen stuiten op veel scepsis en verzet bij potentiële geldschieters, in en buiten Israël. Hoeveel internationaal succes Kalisky in die jaren ook heeft met zijn theaterstukken – hij schreef onder meer een toneelwerk over Trotsky – van deze film komt niets in huis. Misschien is het daarom dat hij het scenario uiteindelijk opnam in zijn essay.

Een kwaadaardig visioen

Als marxist heeft Kalisky veel bedenkingen bij Israël, als Jood en overlever van de holocaust staat hij er tweeslachtig tegenover. Hij vreest vooral de weerslag van de Israëlische politiek, waarin territoriale aspiraties steeds meer de vrije loop zullen worden gelaten, op de Joden in de diaspora. Ook al lagen de Oslo-akkoorden nog in het verschiet, de kans dat Israël blijvend het pad van de oorlog zou opgaan in plaats van dat van de vrede, leek hem reëel. Vijftig jaar later blijkt Kalisky een profeet te zijn geweest maar een die – zoals de Bijbelse – in eigen land niet gehoord werd. Nu sommige radicaal-rechtse Israëlische politici al openlijk speculeren over een toekomstige oorlog met Turkije, wordt het doel van de hedendaagse Zeloten ook steeds onmiskenbaarder: van Israël dé dominante regionale grootmacht maken. Anderen dromen onbeschroomd van ‘Groot Israël’ dat zich uitstrekt tot diep in Syrië, Libanon en Irak. Om te beginnen zitten miljoenen Palestijnen dit verlangen in de weg,  maar daarvoor dient Somaliland. Een nieuwe Babylonische ballingschap, maar ditmaal voor een ander volk. Het is geen officiële buitenlandse politiek, het blijft vooral bij dromen, maar intussen vergiftigt dit kwaadaardige visioen de geesten van veel Joodse burgers in en buiten Israël.

Heviger, vaker, verder weg

Israël spant samen met autoritaire machten in de Arabische en Afrikaanse wereld, denkt anderen te manipuleren maar riskeert evengoed zelf gemanipuleerd te worden. Het stookt het vuur op, op het Arabische Schiereiland, in de Hoorn van Afrika, aan de grenzen van Iran, steeds heviger, steeds vaker en steeds verder. Vooral de verslechterende betrekkingen Tussen Tel Aviv en Ankara lijken een onheilspellend teken. Van Joden in de diaspora wordt verwacht dat ze solidair zijn met Israël, maar velen zijn geen fan van deze territoriale expansie en voelen zich ongemakkelijk in een land waar religieus fanatisme steeds zwaarder weegt op de maatschappelijke werkelijkheid. Te vrezen valt ook dat meer oorlog en etnische zuivering Europees en Amerikaans radicaal rechts in de kaart speelt – want wie niet onvoorwaardelijk achter Israël staat, is in de ogen van deze politici al snel ‘een zelfhatende Jood’. Die beschuldiging van antisemitisme wordt ook door Israël met succes in stelling gebracht, om radicaal linkse politici als Mamdani en Melenchon in het nauw te brengen en critici in eigen land het zwijgen op te leggen. Maar critici de mond snoeren heeft uiteindelijk even weinig zin als de oren dicht te stoppen voor profeten. De klassieke geschiedenis, van dat eerdere Israël, heeft aangetoond dat hoogmoed geen wijze raadgever is en niemand, ook niet de felste critici van het land, heeft baat bij een herhaling van de totale nederlagen en menselijke drama’s van duizenden jaren terug. De Babylonische ballingschap kan zich maar beter niet herhalen, voor niemand.