De Nederlandse en Duitse communistische linkerzijde

De Nederlandse en Duitse communistische linkerzijde kreeg als stroming vorm in de eerste jaren na de Oktoberrevolutie en verdween als beweging grotendeels na de nederlaag van de socialistische revolutie in Duitsland. Vandaag de dag wordt ze vooral herinnerd als een doelwit van Lenins polemiek in De linkse stroming, een kinderziekte van het communisme (1920), en haar specifieke politieke ideeën raken vaak uit het zicht als ze met andere stromingen op een hoop wordt gegooid als ‘ultra-links’.

In The Dutch and German Communist Left (1900-1968) ‘Neither Lenin nor Trotsky nor Stalin! All workers must think for themselves! (1900-1968) behandelt Philippe Bourrinet de geschiedenis van deze stroming, vanaf de wortels in de Nederlandse en Duitse revolutionaire linkerzijde voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog en de evolutie ervan tot radencommunisme na de Russische en Duitse revoluties. Vooral in Duitstalige werken zijn verschillende aspecten van de stroming aan de orde gekomen en enkele van de geschriften van haar theoretici, zoals de Nederlandse marxist Anton Pannekoek (de Karl Horner die in ‘het linkse communisme’ wordt aangevallen) zijn in het Engels verschenen.(1) Maar The Dutch and German Communist Left is de meest uitgebreide studie van deze stroming tot nu toe.

De geboorte van de communistische linkerzijde

De Communistische Linkerzijde kan alleen begrepen worden als een product van een specifiek historisch moment: na de eerste tegenslagen van de Russische en Duitse revoluties, maar vóór de definitieve nederlaag van de socialistische revolutie in West-Europa. Haar politieke standpunten waren een reactie op de politiek die na deze tegenslagen in de Communistische Internationale werd ontwikkeld. In het bijzonder verzette zij zich tegen de oriëntatie op het bouwen van eenheidsfronten die in 1921 op het Derde Congres van de Communistische Internationale werd aangenomen.

Een belangrijk thema in deze discussies was de vraag wat voor soort partij er nodig was. In de woorden van een van de belangrijkste theoretici van de Communistische Linkerzijde, de dichter Herman Gorter, stelde de Communistische Linkerzijde voor om ‘eerst zeer hechte, zeer bewuste, zeer krachtige (aanvankelijk misschien slechts kleine) partijen, kernen te vormen’. Zulke ‘kernen’ moesten ‘zo vast als staal, zo klaar als kristal’ zijn.(2) Dat waren de woorden van Gorter in zijn Open brief aan partijgenoot Lenin. Dit antwoord op ‘het linkse communisme’ van Lenin was een oprichtingsdocument van de stroming en een duidelijke afwijzing van de politiek gericht op het winnen van delen van de linkse sociaaldemocratie, zoals de linkervleugel van de Duitse USPD.

In plaats van massabewegingen moest de revolutionaire politiek volgens Gorter voorlopig uit kleine elites bestaan. In plaats van gezamenlijk met reformisten in actie te komen, zouden zij middels hun daden het juiste het voorbeeld moeten geven aan de rest van de arbeidersklasse: ‘Zij zien de stakingen, de straatgevechten, de raden. Zij horen onze leuzen. Zij zien ons voorgaan. Dat is de beste propaganda, de meest overtuigende’. Het essentiële element in de agitatie van deze groepen zou de onmiddellijke oproep zijn om alle macht, politiek en economisch, over te dragen aan de arbeidersraden. Om de ‘zuiverheid’ te behouden die nodig zou zijn om een effectief voorbeeld te kunnen zijn, zou alle betrokkenheid met vakbonden of allianties met partijen die nog een rol zagen voor parlementen of verkiezingen, moeten worden afgewezen.

Uit principe verwierpen de linkse communisten het sluiten van compromissen. Een organisatie als de Kommunistische Arbeiter-Partei Deutschlands (KAPD), opgericht in 1920, had een apocalyptisch wereldbeeld. Het verklaarde dat ‘de laatste fase van de strijd tussen kapitaal en arbeid is begonnen’ en dat ‘de beslissende strijd al aan de gang is’. Er kon ‘geen sprake zijn van een compromis met de vijand, maar alleen van een strijd tot op de dood’. Tactieken zoals deelname aan verkiezingen of aan vakbonden waren slechts manieren om ‘ernstige en beslissende strijd met de burgerlijke klasse te vermijden’.(3) Dit leidde natuurlijk tot een uiterst sektarische benadering. Gorter’s vriend Karl Schröder, destijds een van de meest invloedrijke theoretici van de KAPD, schreef in hetzelfde jaar als de Open Brief, dat er geen ‘wezenlijk verschil’ was tussen de verschillende partijen, ‘van de [Duitse Nationale Volkspartij] tot de Spartacus Bond ‘omdat ze allemaal gekenmerkt werden door ‘kapitalistische methoden’ van organiseren.(4)

In zijn Open Brief stelde Gorter dat het proletariaat in West-Europa geen bondgenoten had en hij hanteerde een zeer beperkte definitie van ‘arbeidersklasse’. Winkeliers, arme boeren, ambachtslieden, maar ook lager geplaatste bedienden en personeel, zoals winkelbedienden en ambtenaren: Gorter beschouwde ze allemaal als tegenstanders van de arbeidersklasse. Gorter’s argumentatie voor deze opvatting was dat al die groepen ‘afhankelijk waren van het kapitaal’ en dus die kant zouden kiezen – een vreemde opvatting voor een marxist.

De vroege communistische linkerzijde was een lichaam met twee zielen. Aan de ene kant was er de bewuste vorming van kleine elite-groepen, die het aangaan van compromissen of het sluiten van allianties met anderen weigerden. In zijn historisch-sociologische studie van arbeiders-radicalisme tijdens de Duitse revolutie beschreef Erhard Lucas de activisten van de communistische linkerzijde als een ‘groot probleem’ voor de beweging na de nederlaag van de opstand van 1920; ‘omdat zij gewapende strijd als de enige optie beschouwden, en zij alle politieke discussies binnen de beweging als verzwakking ervan, en onderhandelingen met de regering als verraad zagen. Toen de [gewapende] strijd klaarblijkelijk verloren was, handelde men volgens het motto ‘overwinning of dood’.(5) Een artikel van de KAPD uit 1927 verklaarde dat het beter zou zijn geweest als de bolsjewieken, geconfronteerd met de keuze voor de nederlaag of de compromissen van de NEP, ten onder gegaan waren met behoud van hun ‘politieke eer’.(6)

Het elitarisme van kleine groepen, ‘vast als staal, zo klaar als kristal’, kenmerkte een van de zielen. En het aandringen op kleine kernen die voorbeeldige, revolutionaire acties in de praktijk zouden brengen, betekende dat er acties werden ondernomen die niet werden ondersteund door de massa van de arbeiders.

De andere ziel van de Communistische Linkerzijde sprak een grenzeloos geloof uit in de spontane ontwikkeling van revolutionaire overtuigingen, en een afwijzing van de ‘leiderschapspolitiek’ (Führerpolitik) van de KPD en de sociaaldemocraten. In de eerder geciteerde tekst gaf Schröder een ruime definitie van de arbeidersklasse en een optimistische inschatting van de mogelijke verspreiding van revolutionaire ideeën in de arbeidersklasse. Hij schreef dat steun voor de heropbouw van de samenleving op basis van arbeidersraden ‘in steeds bredere kringen aan zou slaan, aangezien het bewustzijn van allen die als proletariërs worden aangesproken zich in een steeds hoger tempo zal ontwikkelen, of het nu gaat om verkoopsters of professoren, kunstenaars of ambtenaren’.

Spontane acties en dagelijkse ervaringen zouden, zo dachten de linkse communisten, de arbeiders doen inzien dat een dictatuur van het proletariaat in de vorm van arbeidersraden noodzakelijk is. In hetzelfde jaar dat de KAPD werd opgericht, werd de Algemene Arbeidersbond – Duitsland (Allgemeine Arbeiter-Union Deutschlands, AAUD) opgericht. De AAUD was bedoeld om de vakbonden te vervangen en een unitaire organisatie van de arbeidersklasse te zijn. Het definieerde zichzelf als een klassenstrijdorganisatie (Klassenkampforganisation) die strijdt voor ‘eenwording van het proletariaat als klasse’- maar accepteerde als leden alleen degenen die daarnaast accepteerden dat de ‘volgende fase de dictatuur van het proletariaat zal zijn, dat wil zeggen de exclusieve controle door het proletariaat over alle politieke en economische instellingen van de samenleving door middel van de raden’.(7)

Breuk met de bolsjewieken

Aanvankelijk waren Gorter en vele andere linkse communisten bereid geweest om toe te geven dat de strategie van de bolsjewieken geschikt was geweest voor ‘het Oosten’, waar een boerenstand en een ‘wanhopige middenklasse’ was. De vroege KAPD beschouwde zichzelf als de meest militante bondgenoot van de Russische revolutie in Duitsland. Maar naarmate hun verschillen duidelijker werden, werd de communistische linkerzijde steeds kritischer tegenover de Russische revolutie en de bolsjewieken. Een jaar na de Open Brief concludeerde Gorter dat de Russische revolutie in wezen een ‘democratische boeren revolutie’ was.(8) Gezien het feit dat er in vergelijking met slechts ‘6 of 7 miljoen industriële proletariërs’, ’25 tot 40 miljoen boeren’ waren, concludeerde Gorter dat in Rusland ‘het communisme slechts een dun omhulsel was en de op privaatbezit berustende boerse democratie de kern’. Het communisme ‘was als een dunne korst op een grote diepe zee.’ Linkse communisten als Gorter hadden een tegenstrijdige kritiek op de bolsjewieken. Aan de ene kant bekritiseerden ze hun autoritaire karakter, aan de andere kant omdat ze hun beleid lieten beïnvloeden door de eisen van de grote meerderheid van de bevolking: de boeren.

In een artikel uit 1921 viel Gorter boos de Communistische Internationale aan vanwege haar ‘opportunisme’ – waarvan de linkse communisten de oorsprong zochten in de invloed van de Russische boeren en hun streven om kleine bezitters te worden. Gorter beweerde dat als de Communistische Internationale niet op een dwaalspoor was gezet, er in West-Europa grote revolutionaire partijen mogelijk zouden zijn geweest, met in Duitsland een snel groeiende partij van ‘minstens honderdduizend leden’.(9)

Dat was een complete ommekeer ten opzichte van zijn Open Brief, waarin hij de bolsjewieken bekritiseerde om hun ‘ongeduld’ en benadrukte dat er in West-Europa niet eens een revolutionaire ‘kern’ bestond. Voor de Gorter van de Open Brief was in West-Europa het tijdperk van slechts propaganda voor het communisme nog maar net begonnen. In 1921 vergat Gorter kennelijk de implicaties van een idee dat hij had overgenomen van Anton Pannekoek. Pannekoek had geconcludeerd dat de diepe wortels van de West-Europese bourgeoisie, in vergelijking met Rusland, betekende dat de revolutie in West-Europa een ‘langzamer en moeilijker proces’ zou worden.(10) Pierre Broué vatte de analyse van Pannekoek als volgt samen: ‘de oorzaak van de overwinning van de Duitse bourgeoisie op de revolutie in 1918-19 lag in de ”verborgen macht” van ”de ideologische greep van de bourgeoisie op het proletariaat”. Pannekoek verwierp de rol van de ”actieve minderheid” en het ‘enige punt dat zijn analyse gemeen had met de ultra-linkse ideologie zoals die tot dan toe door de oppositie was gehanteerd, leek haar vijandigheid te zijn tegen de vorming van partijen die de rol van ”leiders” erkenden en die de mogelijkheid van revolutionair werk in burgerlijke parlementen en reformistische vakbonden accepteerden.’(11)

In de daaropvolgende jaren bleef het karakter van de Russische revolutie een onderwerp van discussie onder de communistische linkerzijde. Één standpunt was dat de Russische revolutie een ‘duaal’ karakter had: een proletarische revolutie, bestaande uit de kleine industriële arbeidersklasse van Rusland, en een burgerlijke en kapitalistische revolutie, gebaseerd op de boerenmeerderheid. Het andere standpunt en het standpunt dat later werd ingenomen door de radencommunisten, waaronder Pannekoek, was dat de Russische revolutie altijd al slechts ‘burgerlijk’ was geweest. In de jaren dertig betoogde Pannekoek op sterk deterministische wijze dat, aangezien het prerevolutionaire Rusland feodaal was, de bolsjewieken vanaf het begin historisch gedwongen een burgerlijke revolutie uitvoerden – ongeacht hun subjectieve opvattingen. In dat  perspectief heeft het dan ook weinig zin om de bolsjewistische politiek te bekritiseren, omdat die historisch onvermijdelijk was geweest. (12)

Instorting en gedaanteverandering

Een korte periode, minder dan twee jaar, was de Communistische Linkerzijde een massabeweging, maar haar geschiedenis is er een van splitsingen en een snelle achteruitgang. Bij de oprichting in 1920 organiseerde de KAPD, met ongeveer 38.000 leden, minstens de helft van de mensen in Duitsland die zich als communist beschouwden. In de daaropvolgende maanden groeide dit uit tot meer dan 40.000 leden. Naarmate het revolutionaire tij echter keerde, werd de KAPD verlamd door haar weigering om een strategische terugtocht, compromissen of  allianties te organiseren: kortom door haar weigering om aan politiek te doen. Dit leidde er toe dat ze verlamd was. De neergang van de partij versnelde na de nederlaag van de Maartactie in 1921. Begin 1922 telden de KAPD afdelingen in Altona en Hamburg, ooit bolwerken met duizenden leden, in totaal 13 (!) leden.(13) Eind 1924 hadden de verschillende splitsingen van de KAPD een gezamenlijk aantal leden van minder dan 3.000. Een soortgelijk proces van splitsingen en snelle achteruitgang na het begin van de jaren twintig had plaats in de AAUD.(14)

Alleen in Duitsland had de communistische linkerzijde kortstondig een massa- invloed. In Nederland was ze vanaf het begin marginaal. De Nederlandse zusterorganisatie van de Duitse KAPD, de KAPN, had volgens Bourrinet 200 leden. Zelfs dit bescheiden aantal is twijfelachtig; in Amsterdam, het bolwerk van de KAPN, had de groep nooit meer dan een dozijn leden. Het aantal van 200 is afkomstig uit een verklaring van de KAPD, maar, zoals Bourrinet laat zien, overdreven zij de omvang van hun internationale zusterorganisaties; verschillende groepen die klaar zouden zijn om toe te treden tot de hun nieuwe internationale hadden ‘geen echt bestaan’, de Russische Communistische Arbeiderspartij ‘bestond uit twee Russen, die in Berlijn woonden’.

Uit de KAPN kringen groeide een nieuwe, uitgesproken ideologie: het radencommunisme. Net als zijn voorganger was het radencommunisme marginaal in termen van omvang en politieke invloed. Bourrinet schat dat de belangrijkste radencommunistische organisatie, de Groep van Internationale Communisten (GIC), zo’n 50 leden had. Het belang ervan ligt in de teksten die zij produceerde en die via verschillende radicale tijdschriften werden verspreid. Pannekoek trok zich begin jaren twintig terug uit het politieke activisme, maar als schrijver was hij voortdurend in discussie met de GIC, zonder zich formeel aan te sluiten.

De GIC verdiepte de nadruk van de KAPD op spontane acties. Het wereldbeeld van de KAPD kan worden samengevat door de nadruk op ‘de arbeiders zelf’ die actie ondernemen, raden organiseren en het kapitalisme omverwerpen. Radencommunisten hebben de afwijzing van vakbonden en politieke partijen die al in de vroege communistische linkerzijde aanwezig was, verder uitgediept. Zij zagen deze organisatievormen als inherent ‘kapitalistisch’ en als overblijfselen uit een eerdere periode in de geschiedenis.

Bourrinet beschrijft de houding van de GIC als een weigering om ‘binnen’ het proletariaat te handelen, ‘uit angst om er een politieke lijn aan op te leggen’. Het is een vreemde combinatie: aan de ene kant werd de arbeidersklasse geacht de potentie te hebben om op ‘spontane’ wijze de maatschappij te herscheppen – aan de andere kant dacht de GIC blijkbaar dat arbeiders gemakkelijk op een dwaalspoor konden worden gebracht. Wat verbazingwekkend is aan de GIC is dat ze, ondanks zijn retoriek over de zelfwerkzaamheid van de arbeidersklasse, weinig interesse had voor veel van wat deze klasse eigenlijk aan het doen was. Verschillende politieke partijen en vakbonden groeiden bijvoorbeeld in deze periode aanzienlijk, maar de GIC bleef deze organisatievormen slechts zien als restanten van het verleden, en inherent ‘burgerlijk’. Zowel voor de GIC als voor Pannekoek betekende de betrokkenheid van arbeiders bij dergelijke organisaties kennelijk dat ze niet langer deel uitmaakten van ‘de arbeiders zelf’. De GIC was niet alleen klein, maar ook sterk geïsoleerd.

De GIC wilde het proletariaat ‘verlichten’ door middel van discussie en publicaties en gaf de klassenstrijd weer ‘in een ideologische vorm, als een strijd van ideeën’ zoals Bourrinet het uitdrukt. Terugkijkend schreef Cajo Brendel, lid van de GIC en levenslange radencommunist, dat de GIC principieel weigerde zich in te zetten voor politiek activisme.(15) De activiteiten bestonden uit publicaties, educatieve cursussen en discussies.

Hoe afgesneden van de politieke realiteit de Communistische Linkerzijde was geworden, bleek uit haar onvermogen om te reageren op het fascisme. Drie jaar nadat de nazi’s in Duitsland aan de macht waren gekomen, impliceerde Pannekoek dat het fascisme de arbeidersstrijd eigenlijk ten goede was gekomen (onwillekeurig natuurlijk). In plaats van de arbeidersbewegingen te verpletteren, had het fascisme alleen ‘ineffectieve’ resten van het verleden, zoals politieke partijen en vakbonden, afgeschaft. Daarmee had het fascisme de illusies van de arbeiders in dergelijke organisaties weggenomen en ‘hun natuurlijke klasse-gemeenschap hersteld’.(16) In zijn boek De arbeidersraden, geschreven tijdens de nazi-bezetting van Nederland, concludeerde Pannekoek dat het fascisme betekende dat arbeiders ‘machteloos’ werden gemaakt en dat ‘een onafhankelijke arbeidersbeweging’ verdween.(17) Maar hij kon nog steeds niet uitleggen wat het fascisme anders maakte voor de arbeidersklasse. Pannekoek bestempelde de politiek van het fascisme als een dictatuur die parlementen, partijen, vakbonden en democratische rechten afschafte, maar beschouwde dergelijke zaken tegelijkertijd ook als zinloos voor het proletariaat.

Zoals Bourrinet het stelt, was er voor de GIC ‘geen significant verschil tussen nazisme en het nationale socialisme van sociaaldemocratie en stalinisme’. Al in de jaren dertig was zo’n standpunt ongelooflijk kortzichtig; na de geschiedenis van de volledige ontwikkeling van het nazi-barbarij, met name de Shoah, moet het zonder meer worden verworpen.

Oorlog en bezetting

Het laatste hoofdstuk in de geschiedenis van de Nederlandse Communistische Linkerzijde kende een opmerkelijke ontwikkeling. In de jaren dertig was Nederland de thuishaven van de Revolutionaire Socialistische Arbeiderspartij (RSAP). Deze partij, geleid door Henk Sneevliet, was een van de grootste antistalinistische, revolutionair socialistische partijen. Sneevliet was lid van de Communistische Partij, maar brak er eind jaren twintig mee. De RSAP, die oorspronkelijk dicht bij het trotskisme stond, was eind jaren dertig een revolutionaire socialistische partij die de Spaanse POUM steunde. Toen nazi-Duitsland Nederland binnenviel, ging een geselecteerde kern van de RSAP ondergronds om het Marx-Lenin-Luxemburg Front (MLL Front) te vormen.(18)

Nadat de nazi’s de oorspronkelijke leiding, waaronder Sneevliet, hadden gearresteerd en vermoord, splitste de organisatie zich. Een deel nam trotskistische posities in, terwijl het andere deel evolueerde naar radencommunistische posities. Samen met voormalige leden van de GIC vormde deze groep de Communistenbond Spartacus om de radencommunistische traditie voort te zetten. Helaas herhaalt Bourrinet de bewering van een lid dat Spartacus kort na de Tweede Wereldoorlog zo’n 100 leden had en zelfs een dagblad publiceerde. Maar de organisatie had enkele tientallen activisten en was niet in staat om een dagblad te produceren.

In het midden van de jaren zestig scheurde Spartacus. Één vleugel zette de traditie van de GIC voort. Voormalig GIC-lid Cajo Brendel was een van de centrale mensen in deze groep. Tot 1997 produceerden Brendel en een kleine, slinkende groep kameraden een tijdschrift, Daad en Gedachte, dat commentaar gaf op de strijd van de arbeiders. Een andere tendens verwierp de houding van de GIC en wilde een activistische organisatie vormen die zou deelnemen aan de sociale strijd. In het kielzog van de protestbewegingen van de jaren zestig leek deze groep steeds meer op een anarchistische actiegroep en ze ging ten slotte op in het radicale activistische milieu.

Tegen het einde van het bestaan van Spartacus was er een bescheiden opleving van de belangstelling voor de communistische linkerzijde. Na het radicale ferment van 1968 werden teksten van de communistische linkerzijde herdrukt en werd er een aantal studies over geschreven. Deze weergave van de Communistische Linkerzijde was vaak vrij selectief: haar spontaneïsme en afwijzing van voorhoedepartijen waren populair onder een deel van het nieuwe radicale milieu, maar haar arbeiderisme en haar historisch determinisme waren onverenigbaar met het voluntarisme van dezelfde kringen.

Een onvoltooide geschiedenis

Bourrinet is het eens met veel van de standpunten van de Communistische Linkerzijde, met name met de meer politieke delen ervan, hoewel hij kritischer staat tegenover de ‘radencommunistische’ ideeën van de GIC en de oudere Pannekoek. Hij bekritiseert de anti-organisatorische opvattingen van de radencommunisten en hun visie dat ‘communistische ideeën’ automatisch het verschil tussen organisaties van arbeiders en revolutionaire organisaties zouden wegnemen. Het boek neemt ook grotendeels de karakterisering door de communistische linkerzijde van andere socialistische stromingen over. Alle betrokkenheid bij de verkiezingspolitiek na de Eerste Wereldoorlog wordt beschouwd als ‘electoralistisch’, en een positie die links van Lenin ligt, kan nog steeds ‘centristisch’ worden genoemd.

Een conclusie die we kunnen trekken is dat de Communistische Linkerzijde in haar kritiek op ‘leiderschapspolitiek’, op bureaucraten en hun wurggreep op de zelfwerkzaamheid van arbeiders, essentiële vragen heeft opgeworpen die de revolutionaire en radicale linkerzijde nog steeds achtervolgen.

Ondanks Bourrinet’s sympathieke presentatie van de stroming leidt het lezen van het boek echter ook tot de conclusie dat de communistische linkerzijde deze vragen niet kon beantwoorden. Geconfronteerd met de grenzen van het revolutionaire proces in West-Europa en de Sovjet-Unie, trokken ze zich terug in de (aangenomen) vooraf bepaalde, onvermijdelijke activiteit van arbeiders. In zijn memoires van de jaren veertig beschreef Pannekoek hoe hij vroeger geplaagd werd door twijfels over wat te doen – totdat hij ‘plotseling het eenvoudige antwoord zag’ en zich realiseerde dat deze vraag hem eenvoudigweg niet hoefde te verontrusten; ‘de arbeiders zelf moeten beslissen en de volledige verantwoordelijkheid op zich nemen’.(19) De activiteit van de ‘arbeiders zelf’ was het universele antwoord. Als de arbeiders er niet in slaagden het communisme tot stand te brengen, betekende dit eenvoudigweg dat ze nog niet klaar waren om ‘de volledige verantwoordelijkheid op zich te nemen’.

De Nederlandse en Duitse communistische linkerzijde vertelt de geschiedenis van deze beweging vooral aan de hand van documenten en verklaringen. De kern van het boek bestaat uit gedetailleerde beschrijvingen van de debatten in de beweging en analyses van de belangrijkste documenten. Deze focus op ideeën en teksten lijkt misschien paradoxaal voor een stroming die retorisch ‘arbeiders-zelfactiviteit’ centraal stelde. Maar ongeveer de helft van het boek is gewijd aan de kleine Nederlandse Communistische Linkerzijde, met name de GIC, en de eigenlijke activiteit van deze groep bestond inderdaad vooral uit het bespreken en beschrijven van ideeën.

Natuurlijk heeft deze focus op publicaties ook nadelen. We leren weinig over wat de organisaties deden behalve uitgeven, over wie hun leden waren, of hoe hun leven eruit zag. In een artikel uit 2004 merkte Marcel van der Linden op dat ‘er vrijwel niets bekend is over het praktisch en organisatorisch functioneren van de KAPD, haar zusterorganisaties en opvolgers. Ook weten we weinig over de sociale inplanting van de KAPD en de sociologie van haar achterban.(20)

Onjuistheden

Dit boek heeft zijn wortels in een proefschrift en een eerdere versie verscheen onder de titel The Dutch and German Communist Left: A Contribution to the History of the Revolutionary Movement 1900-1950. Deze editie is aanzienlijk uitgebreid en brengt de geschiedenis tot 1968. Met meerdere pagina’s foto’s, meer dan 500 pagina’s lang en met een bibliografie van maar liefst 80 pagina’s, is dit duidelijk het product van jaren en jaren werk. Helaas wordt het nut van het boek verminderd door feitelijke onjuistheden en twijfelachtige weergave van belangrijke gebeurtenissen.(21)

De beschrijvingen van de Nederlandse geschiedenis en van andere stromingen bevatten meerdere feitelijke onjuistheden. De meeste van deze fouten hebben geen invloed op het hoofdonderwerp van het boek, maar maken het wel onbetrouwbaar als bron van feitelijke informatie. Bijvoorbeeld: de vroege Nederlandse socialistische SDB heeft in 1897 geen kandidaten voor de parlementsverkiezingen voorgedragen nadat een intern debat ‘tot een nieuwe politieke benadering had geleid’: ze nam toen al niet meer deel aan verkiezingen. De revolutionair marxistische SDP, waarin Gorter en Pannekoek actief waren, had ‘aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog’ geen 5.000 leden (in 1914 waren dat er ongeveer 1.200).(22) En bij de Duitse bombardementen op Rotterdam kwamen bijna 1.000 mensen om het leven – niet 30.000.(23)

Belangrijker zijn uitspraken over de invloed van de communistische linkerzijde. Sommige beweringen die de rol van de Communistische Linkerzijde versterken zijn twijfelachtige speculaties, zoals dat het de invloed van radencommunisten was die in de jaren dertig leidde tot de vorming van een oppositie in de Nederlandse Communistische Partij.(24) Ook speculatie is de bewering dat de toekomstige historicus B.A. Sijes, toen radencommunist, ‘een belangrijke rol’ speelde bij de Februari-staking van 1941.25) Problematisch zijn enkele beweringen die door de aangehaalde literatuur worden tegengesproken.(26) Een voorbeeld hiervan is de beschrijving in het boek van de linkse oppositie in de Nederlandse Communistische Partij (CPH), waaruit de KAPN afkomstig is. Deze oppositie wordt omschreven als ‘stevig georganiseerd’ rond ‘haar orgaan De Roode Vaan’ en ondersteund door ‘iets meer dan een derde van de partij’ met ‘een grote echo onder de arbeiders van het CPH’: ‘de afdelingen in de industriesteden Enschede en Zwolle waren in haar handen’. Deze beweringen zijn in tegenspraak met wat er geschreven staat over de oppositie in de literatuur over de Nederlandse CP en in de biografie van de leider van de groep, Barend Luteraan, die elders in het boek wordt geciteerd. Deze biografie beschrijft De Roode Vaan als een ‘klein tijdschrift’, ‘uitgegeven, geredigeerd en geschreven’ door Luteraan zelf. De groep om hem heen wordt omschreven als ‘een kleine groep loyalisten’ met twee Amsterdamse families als ‘kern’. Alleen individuele supporters in Zwolle en Enschede worden genoemd.(27)

Andere keren geeft het boek dubieuze weergaven van belangrijke gebeurtenissen in de ontwikkeling van links in Nederland. De beschrijving van de houding van Nederlandse sociaaldemocratische SDAP voor de eerste wereldoorlog ten aanzien van regeringsdeelname wordt bijvoorbeeld tegengesproken door de aangehaalde literatuur. Volgens het boek was de SDAP in 1913 ‘klaar om drie ministersposten in de nieuwe regering te aanvaarden’ na het succes van de verkiezingen van dat jaar. Maar de oorspronkelijke positie van de SDAP-leiding was om buiten de regering te blijven. Het aanbod van drie ministersposten werd gedaan naar aanleiding van de aanvankelijke weigering van de partij en werd het onderwerp van een intensief debat alvorens te worden afgewezen. Bourrinet beschrijft de houding van de partijleider van de SDAP Pieter Jelles Troelstra tijdens het congres dat bijeen werd geroepen om de kwestie van de regeringsdeelname te bespreken als ‘radicaal’, klaarblijkelijk ten gunste van toetreding tot de regering. Maar uit de aangehaalde literatuur blijkt dat Troelstra zich in eerste instantie tegen regeringsdeelname uitsprak en er vervolgens de voorkeur aan gaf dat de partij de drie posten alleen onder bepaalde voorwaarden accepteerde en alleen als het alternatief de vorming van een rechtse coalitie was. Tot slot hield Troelstra op het congres een toespraak waarin hij verklaarde dat hij zijn partij niet kon oproepen om de posten te aanvaarden.(28)

Het boek beweert ook dat het congres ‘nooit op de hoogte was van het bestaan’ van een open brief van Gorter waarin hij er bij de SDAP op aandrong niet aan de regering deel te nemen. Maar de voor deze bewering aangehaalde literatuur beschrijft hoe de voorzitter van het congres de aanwezigen op de hoogte bracht van deze brief en aanbood dit document voor te lezen aan het congres. Dit voorstel werd echter met spot en hoongelach ontvangen.(29) De afwijzende reactie op de brief ondergraaft de bewering van het boek dat Gorter grote invloed had op de beslissing van het congres om deelname aan de regering af te wijzen.

Tot slot moeten twee belangrijke gebeurtenissen in de geschiedenis van de Nederlandse arbeidersbeweging worden besproken. De beschrijving van protesten in 1917 – een hoogtepunt van sociale onrust in Nederland – stelt dat na een verbod op protesten ‘de arbeiders onmiddellijk reageerden’ en er een 24-uursstaking werd gehouden door ‘20.000 Amsterdamse arbeiders’. Deze zou zijn gevolgd door een ‘massale staking die zich als een lopend vuurtje naar de meeste grote steden in Nederland uitbreidde’. Deze massale golf van stakingen is er echter nooit geweest. De aangehaalde literatuur beschrijft een ‘relatief succesvolle’ 24-uursstaking van ‘tussen de tien- en twintigduizend arbeiders’ in Amsterdam en ook marsen en bijeenkomsten in andere steden.(30)

Tot slot is er de beschrijving van de beroemde februari-staking van 1941. Bourrinet baseert zich op het standaardwerk over de staking van Bernard Sijes, De Februari-Staking. 25-26 februari 1941.(31) Bourrinet schrijft dat de februari-staking ‘een massaal karakter had, vergelijkbaar in breedte met de grote massastaking van 1903’ en zich verspreidde naar ‘Den Haag, Rotterdam, Groningen, Utrecht en Hilversum, Haarlem en vele andere steden’ – hij zou naar verluidt zelfs naar België zijn overgeslagen. De referentie hiervoor is Sijes. Sijes schrijft echter dat het een vals gerucht was dat de staking zich zo sterk had verspreid. Sijes laat in detail zien hoe de staking zich in wezen beperkte tot Amsterdam en enkele aangrenzende gebieden.

Het cumulatieve effect van dergelijke twijfelachtige interpretaties is dat de revolutionaire beweging in Nederland, en de communistische linkerzijde daarin, sterker wordt voorgesteld dan ze was. Omdat het boek ook weinig aandacht besteedt aan de rol van andere socialistische stromingen in de sociale strijd die het bespreekt, blijft de lezer zitten met een scheef beeld van het relatieve belang van de communistische linkerzijde.

Conclusie: voor lezers die de theoretische debatten in de Communistische Linkerzijde willen kennen, is het boek van cruciaal belang – afgezien daarvan moeten lezers voorzichtig zijn.

Noten:

1) De belangrijkste Engelstalige werken zijn D.A. Smart (red.), Pannekoek and Gorter’s Marxism (Londen, 1978), een selectie van belangrijke teksten van twee belangrijke schrijvers met een uitgebreide inleiding, en Serge Bricianer, Pannekoek and the Workers’ Councils (St. Louis, 1978), een compilatie van uittreksels met commentaar van de redacteur en de studie van John Gerber, Anton Pannekoek and the socialism of Workers’ Self-Emancipation, 1873-1960 (Amsterdam, 1989). In het Duits is Hans Manfred Bock, Syndikalismus und Linkskommunismus von 1918-1923 (Meisenheim am Glan, 1969), nog steeds een van de meest uitgebreide werken. Een uitgebreide selectie van originele teksten is te vinden in Frits Kool (red.), Die Linke gegen die Parteiherrschaft (Breisgau, 1970).

2) Herman Gorter, Open Brief aan kameraad Lenin (1920), online op: https://www.marxists.org/nederlands/gorter/1920/1920brieflenin.htm

3) Programma van de Communistische Arbeiderspartij van Duitsland (KAPD), mei 1920, online te vinden op: [https://www.marxists.org/subject/left-wing/kapd/1920/programme.htm].

4) Karl Schröder, Vom werden der neuen Gesellschaft (Alte und neue Organisationsformen) [1920], in: Kool (ed.), Die Linke gegen die Parteiherrschaft, blz. 338 – 355, aldaar blz. 343.

5) Erhard Lucas, Arbeiterradikalismus (Frankfurt am Main, 1976), blz. 259.

6) KAPD, Die Russische Tragödie (1927), online op: [https://www.marxists.org/deutsch/geschichte/deutsch/kapd/1927/russische-tragodie.htm].

7) Programma Der AAUD (1920), online op: [https://www.marxists.org/deutsch/geschichte/deutsch/aaud/1920/programm.htm].

8) Herman Gorter, De Internationale van Moskou (1921), online op: [https://www.marxists.org/nederlands/gorter/1921/1921internationale.htm].

9) Herman Gorter, De Internationale van Moskou (1921).

10) Anton Pannekoek, Weltrevolution und kommunistische Taktik, in: Hans Manfred Bock (red.) A. Pannekoek, H. Gorter. Organisation und Taktik der proletarischen Revolution (Frankfurt, 1969), pp. 123 – 162, aldaar p. 127.

11) Pierre Broué, The German revolution, 1917-1923 (Leiden, 2005), pp. 329, 330.

12) Pannekoek ontwikkelde dergelijke opvattingen in zijn boek Lenin als Filosoof (1938), online op: [https://www.marxists.org/nederlands/pannekoek/1938/1938lenin.htm].

13) Olaf Ihlau, Die roten Kämpfer. Ein Beitrag zur Geschichte der Arbeiterbewegung in der Weimarer Republik und im Dritten Reich (Meisenheim am Glan, 1969), p. 26.

14) Ihlau, Die roten Kämpfer, pp. 29 – 35, en Bock, Syndikalismus und Linkskommunismus, pp. 319 – 334 beschrijven het organisatorische verval van de beweging.

15) Cajo Brendel, Gruppe Internationale Kommunisten. Persönliche Erinnerungen, in: Cajo Brendel, Die Revolution ist keine Parteisache. Ausgewählte Texte (Münster, 2008), pp. 34-47, daar p. 36.

16) Anton Pannekoek, De rol van het fascisme, in: Anton Pannekoek, Partij, raden, revolutie (Amsterdam, 1970, pp. 157 – 164, aldaar p. 161.

17) P. Aartsz [Anton Pannekoek], De Arbeidersraden (Amsterdam, 1946), p. 210.

18) Het cijfer voor de schatting van het aantal oorspronkelijke leden is onjuist; het zou vier tot zeshonderd moeten zijn, niet 4.600.

19) Anton Pannekoek, Herinneringen (Amsterdam, 1982), p. 215.

20) Marcel van der Linden, On Council Communism (2004). Online op: [https://www.marxists.org/subject/left-wing/2004/council-communism.htm].

21) Een nieuwe Franse editie, die ingaat op enkele van de hier gemaakte opmerkingen, zal worden uitgegeven door Nuits Rouges en Smolny, onder de titel La Gauche Communiste Germano-Hollandaise des origines à 1968.

22) Gerrit Voerman, De meridiaan van Moskou. De CPN en de Communistische Internationale (1919-1930) (Amsterdam/Antwerpen, 2001), p. 609. Dit boek wordt verschillende malen als bron aangehaald.

23) Er zijn nog andere voorbeelden. In de weergave van de Indonesische onafhankelijkheidsbeweging zijn er tal van fouten gemaakt (de Japanse bezetters hebben bijvoorbeeld Sukarno in april 1945 niet de soevereiniteit over Indonesië overgedragen). Andere onnauwkeurigheden betreffen de revolutionair socialist Henk Sneevliet en zijn partij. Sneevliet ‘keerde’ in 1913 niet ‘terug’ naar Nederlands-Indië (hij was er nooit geweest) en zijn zoon Pam werd in Spanje niet gedood in de POUM-militie, of ‘pleegde daar mogelijk zelfmoord’. Zijn lichaam werd gevonden in het water bij Amsterdam, na een schijnbare zelfmoord. Bij de verkiezingen van 1935 won de RSAP geen vier parlementszetels. Alleen Sneevliet werd twee jaar eerder in het parlement gekozen voor de RSAP. Klaarblijkelijk zijn hier zetels in het parlement en in de provinciale staten door elkaar gehaald.

Een twijfelachtige uitspraak over de Nederlandse geschiedenis is dat de Nederlandse nazi-beweging NSB zich ‘snel na 1932’ ontwikkelde. Na 1936 tot aan de Duitse inval verloor zij 20.000 leden vanaf haar hoogtepunt van 52.000 en bij de enige algemene verkiezingen waaraan zij deelnam, won zij iets meer dan vier procent. Jan Baars was geen leider van de NSB, maar van een andere fascistische groep en in de index van het boek wordt hij verward met Asser Baars, de voormalige kameraad van Sneevliet. Eddy Wijnkoop was geen lid van de MLL-Front die tijdens de nazi-bezetting de ondergrondse Vonkgroep leidde ‘met instemming van Sneevliet en de centrale leiding’, maar andersom: Hij was een leider van Vonk die lid werd van de centrale leiding van de MLL-Front. Hij werd gearresteerd door de nazi’s en stierf in 1942, niet in 1944.

En de Duitse bombardementen op Rotterdam vonden plaats in mei, tijdens de Duitse invasie, niet de volgende maand.

24) De literatuur die hiervoor wordt aangehaald, geeft geen indicatie dat dit het geval was.

25) Sijes nam deel aan deze staking, maar hij beweerde er geen grote rol in te hebben gespeeld en de biografie van Sijes suggereert ook niet anders, zie: Richter Roegholt, Ben Sijes. Een biografie (Amsterdam, 1988). Roegholt schrijft dat noch in Sijes’ opgenomen herinneringen aan deze periode, noch in zijn wetenschappelijke werk ‘er enig teken is van een leidende rol’ die hij zou hebben gespeeld. p. 76.

26) Een voorbeeld hiervan is Spartacus, de krant van het MLL Front en later van de Spartacus-groep. Deze krant zou tijdens de nazi-bezetting de ‘grootste’ oplage van de illegale bladen hebben gehad. De gegeven bron maakt echter alleen de bewering dat de oplage in het begin ‘zeer groot’ was. Andere kranten, zoals die van de CPN, hadden inderdaad een grotere oplage. Zie Max Perthus, Henk Sneevliet. Revolutionair-socialist in Europa en Azië (Nijmegen, 1976) p. 432.

27) Zie voor deze episode: Dennis Bos, Barend Luteraan 1878-1970. Vele woningen, maar nergens een thuis (Amsterdam, 1996) pp. 50 – 55.

28) Sam de Wolff, Voor het land van belofte. Een terugblik op mijn leven (Bussum, 1978) p. 121.

29) Herman de Liagre Böhl, Herman Gorter. Zijn politieke activiteiten van 1909 tot 1920 in de opkomende kommunistische beweging in Nederland (Nijmegen, 1973), p. 114.

30) Jan Erik Burger, Linkse frontvorming. Samenwerking van revolutionaire socialisten 1914-1918 (Amsterdam, 1983), pp. 88-89.

31) B. A. Sijes. De februari-staking. 25-26 februari 1941 (Den Haag, 1954). Bij het bespreken van de aanloop naar de staking zijn er ook enkele onjuiste beweringen over de omvang van dwangarbeid, blijkbaar een gevolg van mislezing.

32) B. A. Sijes. De februari-staking, pp. 138, 139. Sijes overweegt: ‘De geruchten die het moreel van de stakende mensen zo sterk hebben versterkt, waren, zoals zal blijken, niet in overeenstemming met de waarheid’.