Hoe kunnen we de veranderingen in het kapitalisme onder invloed van de opkomst van digitale technologieën begrijpen? Nikos Smyrnaios komt hier terug op het debat rond het techno-feodalisme om een andere hypothese naar voren te brengen, die hij ‘digitaal imperialisme’ noemt. Hij belicht hier de belangrijkste aspecten ervan en benadrukt het belang van de platformisering van de publieke ruimte om de huidige logica’s van overheersing, maar ook van verzet, te begrijpen.

Het hart van het hedendaagse kapitalisme maakt een systeemcrisis door, waarvan de structurele tendensen elkaar wederzijds versterken. Op economisch vlak worden de geavanceerde kapitalistische landen sinds 2008 gekenmerkt door een fase van langdurige stagnatie: trage groei, aanhoudende zwakte van de productieve investeringen, bescheiden productiviteitsstijgingen, kredietexpansie en toenemende ongelijkheid. Deze depressieve periode valt paradoxaal genoeg samen met intense digitale innovatie en de opkomst van nieuwe kapitaalfactoren, met op de eerste plaats de ‘nieuwe bourgeoisie van Silicon Valley’ (Smyrnaios, 2022).

Op politiek vlak maken de liberale democratieën een periode van diepgaande destabilisatie door, waarvan de opkomst van extreemrechtse politieke krachten de meest zichtbare uiting is. Vanuit geopolitiek oogpunt valt de wereldorde uiteen onder invloed van de opkomst van China, de terugval van het vrijhandelsbeleid en de remilitarisering van de internationale betrekkingen. Deze dynamieken staan niet los van elkaar. Ze vormen een geheel dat de politieke economische kritiek in al zijn facetten en tegenstrijdigheden moet trachten te doorgronden.

De techno-feodalistische hypothese beweert juist een dergelijk alomvattend inzicht te bieden. Zij identificeert reële, gestileerde feiten: de opkomst van rentenierlogica ten koste van productieve investeringen, de vorming van digitale monopolies met een ongekende concentratie en de versterking van de banden tussen economische en politieke macht. Maar zij vertoont ook talrijke beperkingen.

Dit artikel stelt een alternatief kader voor: het begrip digitaal imperialisme, niet opgevat als een geopolitieke metafoor maar als een concept uit de politieke economie dat vijf dimensies met elkaar verbindt, die de benadering van het techno-feodalisme, in haar verschillende versies, afzonderlijk behandelt of helemaal niet behandelt: de monopolistische logica van het kapitaal; de oligarchische herstructurering ervan; de organische rol van de staat en het militair-digitale complex; de inter-kapitalistische rivaliteiten op wereldschaal; en de platformisering van de publieke ruimte als een constitutief aspect van politieke heerschappij (Smyrnaios, 2025a).

Dit voorstel sluit intellectueel aan bij de politieke economie van de communicatie, zoals Herbert Schiller die al vanaf het einde van de jaren zestig heeft geformuleerd, via het concept van cultureel imperialisme (Schiller, 1969, 1976) . Schiller stelt dat de informatie- en cultuurindustrieën niet louter dragers van ideologische invloed zijn, maar de economische kern zijn van het Amerikaanse imperialisme en het instrument bij uitstek voor de wereldwijde expansie ervan in de naoorlogse periode.

De hypothese van het digitale imperialisme vormt een poging om dit analytische kader te actualiseren in een context waarin wat Schiller beschrijft aanzienlijk wordt verdiept en complexer wordt: geopolitieke multipolarisatie; een quasi-fusie van de cultuurindustrieën en de tech-sector; de aanwezigheid van het digitale oligopolie in alle lagen van de economie en de organische integratie in het militair-industrieel complex.

De uiteenzetting verloopt in drie fasen. Eerst onderzoek ik kort de techno-feodalistische hypothese in haar twee belangrijkste versies en wijs ik op de beperkingen ervan. Vervolgens stel ik een theoretisch kader voor dat gebaseerd is op het begrip imperialisme, dat opnieuw wordt geactiveerd als een constitutief kenmerk van het kapitalisme dat terugkerende acute fasen doormaakt, in plaats van als een eindstadium. Ten slotte laat ik zien dat de platformisering van de publieke ruimte een centrale dimensie vormt van dit digitale imperialisme en geen neveneffect is.

Mijn stelling is dat kunstmatige intelligentie en digitale platformen voortaan onlosmakelijk verbonden zijn met imperiale macht in twee opzichten: enerzijds passen ze, als industriële instrumenten, in de kapitalistische productiewijze om de efficiëntie ervan (ook op militair gebied) te vergroten maar ook de concentratie ervan, terwijl ze de elites ervan hervormen; anderzijds herstructureren ze, als technologieën voor culturele productie en bemiddeling, de publieke sfeer waar sociale voorstellingen circuleren en meningen worden gevormd.

Met andere woorden: digitalisering werkt tegelijkertijd in op de economische basis en op de politieke en ideologische bovenbouw. Het is deze algemene configuratie die rechtvaardigt dat het bijvoeglijk naamwoord digitaal aan het begrip imperialisme wordt gekoppeld om de specifieke kenmerken ervan in de huidige conjunctuur te vatten.

I. De techno-feodale hypothese en haar beperkingen

Het begrip ‘techno-feodalisme’ heeft de afgelopen jaren opmerkelijk aan populariteit gewonnen in de discussies over de transformaties van het digitale kapitalisme. Het berust op een breed gedeelde diagnose, maar de interpretatie die eruit wordt afgeleid, wordt sterk bekritiseerd, wat niettemin de heuristische kracht ervan onderstreept. In deze poging tot theoretisering domineren twee versies: de veelbesproken versie van Yanis Varoufakis (2023), en de economisch gezien meer rigoureuze versie van Cédric Durand (2020).

De versie van Varoufakis berust op het idee dat het kapitalisme zou zijn vervangen door een systeem van digitale leengoederen waarin de eigenaren van de cloud rente heffen op ‘digitale horigen’. Deze stelling heeft tot overeenstemmende bezwaren geleid. Vrousalis (2025) wijst er bijvoorbeeld op dat deze stelling de literatuur over arbeid en uitbuiting in de digitale context volledig negeert.

De commodificatie van aandacht is weliswaar reëel, maar vormt geen waarde-producerende activiteit in marxistische zin en de ‘diefstal van aandacht’ kan niet worden gelijkgesteld met diefstal van arbeid. Volgens hem is de analogie met feodale lijfeigenschap bovendien historisch ongegrond: het feodalisme berustte op de gedwongen afname van corvee door middel van directe dwang, terwijl het ‘cloud-kapitaal’ geen enkele fysieke dwang van deze aard uitoefent op zijn gebruikers.

Broca (2017) verduidelijkt dit punt op filosofisch vlak: wanneer een internetgebruiker een zoekopdracht uitvoert op Google, is het zijn doel om informatie te verkrijgen, niet om gegevens voor het platform te produceren. De gegenereerde gegevens zijn slechts een onbedoeld neveneffect van deze activiteit en het begrip ‘arbeid’ impliceert sinds Marx een dimensie van bewuste intentie waaraan het louter genereren van gegevens niet voldoet.

De vraag in hoeverre de verschillende individuele en collectieve digitale gebruiksvormen al dan niet een vorm van uitbuiting vormen, en volgens welke criteria, blijft dus openstaan en wordt intensief bediscussieerd in het kader van de controverse rond digital labor (Casilli, 2019). Wat daarentegen zeker is, dat is dat het feodale kader niet toelaat hierover op de juiste manier na te denken, door onder de figuur van de ‘leenman’ heterogene realiteiten samen te vatten, die om afzonderlijke analyses vragen.

De visie van Durand is theoretisch steviger en analytisch ernstiger dan die van Varoufakis. Zij benadert het digitale als een achteruitgang waarbij de economie de voorkeur geeft aan het vergaren van inkomsten ten koste van productieve doeleinden. Maar ook zij is niet aan kritiek ontsnapt.

Lebayle en Pinsard (2021) weerleggen de systematische gelijkstelling van inkomsten uit de digitale sector met grondrente: onder het kapitalisme is rente geen directe uitbuitingsverhouding zoals onder het feodalisme, maar een inkomen dat voortkomt uit meerwaarde, waarvan het voortbestaan voortdurende herinvesteringen vereist om toetredingsdrempels in stand te houden. Het idee van een algemene terugtrekking uit de productie wordt tegengesproken door de activiteiten van de technologiereuzen, die zich gedragen als klassieke kapitalisten, die trachten te ontsnappen aan de algemene egalisatie van winsten.

Morozov (2022, 2025) onderstreept dit bezwaar: de enorme investeringen van technologiebedrijven in onderzoek en ontwikkeling staan haaks op de logica van een luie renteniersheer. Dit kapitaal is niet louter bedoeld om een tribuut te innen, maar om kolossale fysieke infrastructuren en op kennis gebaseerde productiekrachten op te bouwen. Harribey (2025) bevestigt dat het gebruik van data en generatieve kunstmatige intelligentie de efficiëntie van talrijke sectoren verhoogt, de goederenstroom versnelt en de algemene productiviteit stimuleert, wat bevestigt dat we nog steeds verankerd zijn in een kapitalistische winstlogica.

Durand (2022, 2025) reageert op deze kritiek door te wijzen op een kwalitatieve verandering in de productieverhoudingen. In reactie op Morozovs bezwaar over de vitaliteit van technologische investeringen hekelt hij een micro-economische vooringenomenheid. Volgens hem wordt het tijdperk van Big Tech op macro-economisch niveau gekenmerkt door een ineenstorting van de netto-investeringen en een voortdurende daling van de arbeidsproductiviteit. De duizelingwekkende cijfers over investeringen in generatieve kunstmatige intelligentie (GKI) zouden bijvoorbeeld geen motoren voor algemene groei zijn, maar juist roofzuchtige krachten voeden die de winstvooruitzichten in andere sectoren ondermijnen.

Durand beweert, in tegenstelling tot Varoufakis, niet dat het techno-feodalisme een geheel nieuwe fase van het kapitalisme vormt, maar veeleer een nieuwe macro-economische dynamiek, die een systeem tot stand brengt dat wordt gedomineerd door het digitale oligopolie en gebaseerd is op afhankelijkheid en controle. Deze conceptuele terughoudendheid siert hem.

De vraag naar de precieze aard van de digitale rente blijft echter open. Durand stelt voor deze te beschouwen als een leenheffing of een tribuut vergelijkbaar met een wegentol, aangezien gegevens geen traditionele handelsgoederen zijn, maar controle-instrumenten. Zijn critici, met Lebayle en Pinsard voorop, antwoorden hem dat het gaat om winsten die voortkomen uit tijdelijke monopolies die voortdurende herinvesteringen vereisen. Het debat draait hier om kwesties van politieke economie – de aard van de monopolierente, de voorwaarden voor het voortbestaan ervan, de relatie met de meerwaarde – waarvan de definitieve oplossing het bestek van dit artikel te buiten gaat.

Toch kan worden opgemerkt dat recente empirische gegevens over de omvang van de investeringen in de GKI, de materiële behoeften ervan (energie, water, zeldzame aardmetalen, enz.), evenals over de productiviteitswinsten, die deze sector genereert in sectoren zoals IT-ontwikkeling (Cui et al. 2026), lijken de critici op dit specifieke punt gelijk te geven.

Nog origineler is het argument over wat Durand de ‘regressieve socialisatie’ noemt. Steunend op het werk van Ernest Mandel toont hij aan dat de toenemende socialisatie van de arbeid in de huidige dynamiek, in plaats van het individu te bevrijden, leidt tot een totale onderwerping. Digitale activa en hun gebruikers raken onlosmakelijk met elkaar verbonden, waardoor een nieuwe versmelting van productiefactoren ontstaat, die de mobiliteit belemmert en de actoren opsluit in gesloten ruimtes. Deze versmelting zou de klassieke logica van de marktconcurrentie doorbreken en investeringen eerder in de richting van intellectuele monopolisering sturen dan naar de ontwikkeling van de productiekrachten.

Deze diagnose van de regressieve effecten van digitale socialisatie lijkt intuïtief juist, maar is gebaseerd op twee dubbelzinnige argumenten.

Enerzijds gebruikt het digitale oligopolie in bepaalde situaties intellectueel eigendom om toegangsbarrières tot de markten op te werpen (denk hierbij aan Apple of Microsoft), terwijl het zich in andere situaties de logica van open source toe-eigent, of schendt het systematisch en op grote schaal het intellectuele eigendom van de culturele sectoren, bijvoorbeeld om de grote taalmodellen te trainen (Jacobsen, 2025). Hieruit volgt een toepassing van de strategie van asymmetrische intellectuele monopolisering, afhankelijk van de doelstellingen en belangen, die op het spel staan.

Anderzijds hebben verschillende critici, waaronder de eerder genoemde Morozov, gelijk wanneer ze erop wijzen dat het zeer algemene begrip ‘gebruiker’ sociologische diepgang mist en achter dit begrip zeer reële werknemers schuilgaan: inhoudsmoderatoren, die tegen een schamel loon worden blootgesteld aan psychologische trauma’s, bezorgers die voortdurend onder algoritmisch toezicht staan, arbeiders in halfgeleiderfabrieken wier uitbuitingsomstandigheden volledig in het teken staan van het industriële kapitalisme.

Wat de staat betreft, constateert Durand een ‘ontwrichting van de politiek’ ten gunste van het digitale kapitaal. Volgens hem zou de intrede van de teams van Elon Musk of Palantir in administratieve en militaire functies wijzen op een fusie, waarbij de particuliere macht de capaciteiten van de publieke planning overneemt. De constatering is juist, maar de interpretatie is betwistbaar. Men kan heel goed stellen dat wat er gebeurt geen ondergeschiktheid van de staat aan de techsector is, maar een organische integratie tussen beide.

Het zou dan gaan om een herconfiguratie van het Amerikaanse militair-industriële complex, waarvan het digitale kapitaal voortaan een constitutief onderdeel is en niet een externe speler die het koloniseert. Het Pentagon financiert Silicon Valley immers al sinds het begin op grote schaal om een technologisch ecosysteem op te zetten ten dienste van de imperiale belangen van de VS (Smyrnaios, 2025b). Bovendien blijkt uit het Chinese paradigma dat niet de staat zich onderwerpt: het zijn de staat en de oligopolies die zich samen hebben gevormd, in een organische relatie die juist door de feodale theorie onzichtbaar wordt gemaakt.

Maar de diepste beperking van het techno-feodalisme, wat het voorstel van dit artikel betreft, is van een andere orde. Deze houdt verband met de afwezigheid van de politieke kwestie en de bovenbouw in het analytische kader ervan. Het techno-feodalisme is een economische theorie van het digitale kapitalisme, die in de dode hoek laat wat misschien wel een van de meest doorslaggevende dimensies ervan is: de dialectische relatie tussen de transformaties van de productiewijze en de politieke sfeer, waarvan de de publieke ruimte een centraal onderdeel vormt.

Juist hierin schuilt echter de grote tegenstrijdigheid van onze tijd. De eigenaren van digitale platforms en GKI bepalen de contouren van een nieuwe productiewijze, terwijl ze tegelijkertijd geïntegreerd zijn in het militair-digitaal-industriële complex en controle uitoefenen over de infrastructuren, die ten grondslag liggen aan de politieke sfeer in haar geheel – communicatie, informatie, onderwijs, collectieve besluitvorming.

Deze configuratie brengt tegelijkertijd productiesystemen voort waarvan de accumulatielogica de gehele economie herstructureert, mechanismen voor ideologische overheersing met een in de geschiedenis van de media ongekende macht en plaatsen van verzet voor de tegenpublieken die deze zelfde infrastructuren gebruiken om de heersende orde aan te vechten.

De platformisering van de publieke ruimte is geen bijkomstig fenomeen dat aan de economische analyse zou kunnen worden toegevoegd zodra deze is voltooid. Integendeel, het is een wezenlijk onderdeel van de logica van het digitale imperialisme, dat zonder dit aspect niet kan worden begrepen. Het is juist deze samenhang tussen politieke economie, het militair-digitale complex en de transformatie van de publieke ruimte die het begrip ‘digitaal imperialisme’ ons in staat stelt te doorgronden.

II. De onderscheidende benadering van digitaal imperialisme

Digitaal imperialisme maakt deel uit van een reeks conceptualisaties die verwante analytische terreinen beslaan en vergelijkbare ambities nastreven. Het moet daarom ten opzichte van deze conceptualisaties worden gesitueerd. Het begrip ‘digitaal kolonialisme’, voorgesteld door Kwet (2021) in de traditie van de afhankelijkheidsleer, verwijst naar de structurele dominantie, die grote Amerikaanse bedrijven uitoefenen over de landen van het globale Zuiden, door middel van de controle over de drie pijlers van het digitale ecosysteem: hardware, software en netwerken.

Deze benadering heeft de verdienste dat zij de fundamentele asymmetrie tussen het Centrum en de Periferie in de digitale economie benoemt en de mechanismen van uitbuiting documenteert – exploitatie van moderatie- en annotatiewerk in de landen van het Zuiden, gegevensverzameling en greep op de onderzeese kabelinfrastructuur in het Centrum. Maar zij stuit op een beperking: door de analyse te richten op de Noord-Zuid-relatie, maakt deze benadering het niet mogelijk om de dominantie van het digitale imperialisme binnen de sociale structuren van het Centrum te beschouwen, noch die op Zuid-Zuid-schaal.

Frankrijk, Duitsland of het Verenigd Koninkrijk zijn geen digitale koloniën in de zin van Kwet. Toch ondervinden deze landen ten volle verschijnselen zoals de afhankelijkheid van hun media van de algoritmen van Amerikaanse platforms of de toenemende delegatie van soevereine staatsfuncties aan Amerikaanse particuliere actoren. Bovendien gaat de groeiende Chinese invloed op politiek en economisch vlak gepaard met een digitale expansie: concerns als Baidu, Tencent of Alibaba zijn sterk vertegenwoordigd in Zuidoost-Azië (Maleisië, Thailand of Singapore), in Afrika (met name in Nigeria en Kenia) en in Latijns-Amerika (zoals in Brazilië en Mexico), waar Chinese platforms voor entertainment en e-commerce steeds populairder worden.

In Noord-Amerika en Europa worden TikTok, Temu en Shine op grote schaal gebruikt, maar zijn ze tegelijkertijd onderworpen aan toenemende politieke en regelgevende beperkingen. De overname van de Amerikaanse dochteronderneming van TikTok door Larry Ellison, een bondgenoot van Trump wiens concern actief is in de IT- en AI-sector (Oracle), maar ook in de culturele sector en de media (CBS, Paramount, HBO en voortaan ook Warner Bros en CNN), is hiervan een illustratie. Ten slotte lopen Chinese spelers zoals DeepSeek ook voorop op het gebied van GKI-technologieën en hebben zij a fortiori gekozen voor open source-modellen.

Via het begrip ‘datakolonialisme’ proberen Couldry en Mejias (2022) deze geografische grens te overstijgen door het begrip kolonialisme uit te breiden naar de toe-eigening van het gehele menselijke leven in de vorm van data. Hun stelling is dat ‘datarelaties’ arbeidsrelaties hebben vervangen als centrale drager van de hedendaagse kapitalistische overheersing.

Ondanks de heuristische kracht van deze stelling, die op grote schaal is overgenomen en besproken, formuleert Yasaei (2025) hiertegen een kritiek die mij doorslaggevend lijkt: door gegevens in de plaats te stellen van arbeid als de essentie van uitbuiting, breken Couldry en Mejias met het marxistische fundament van de waardetheorie, volgens welke het de arbeid is, en niet de gegevens als handelswaar, die “de gemeenschappelijke sociale substantie vormt” van de kapitalistische machtsverhoudingen. Door arbeid uit de kern van de analyse uit te sluiten, maken ze de uitbuitingsverhoudingen onzichtbaar, die ze juist willen aan de kaak stellen. Yasaei voegt hieraan toe dat hun kader geen periodisering van het historische kapitalisme biedt: het beschrijft een huidige configuratie zonder deze in te bedden in een dynamiek van langdurige accumulatie, waardoor het elke voorspellende waarde en elke strategische verankering verliest.

De geopolitiek van het digitale, waarvan Coelho (2023) een bijzonder goed gedocumenteerde versie biedt, richt zich op de machtsverhoudingen tussen staten en multinationals bij de controle over de wereldwijde digitale infrastructuur – onderzeese kabels, datacenters, satellieten, technische normen. Zijn beschrijving van de ‘technische overname’ en de toenemende afhankelijkheid van overheidsinstanties in Europa en elders in de wereld van Amerikaanse particuliere actoren – sluit empirisch aan bij verschillende aspecten van ons eigen betoog. Maar zijn kader blijft geopolitiek: hij analyseert actoren en hun machtsverhoudingen zonder de logica van de kapitalistische accumulatie te verwoorden die deze voortbrengt, noch de klassenverhoudingen die eraan ten grondslag liggen, noch de dimensie van de publieke ruimte die hierin als communicatief inzet fungeert. Het is een nauwkeurig beeld van de configuratie, maar er ontbreekt een theorie over de dynamiek ervan.

Ten slotte vormt het begrip ‘platformimperialisme’ – dat met name door Dal Yong Jin (2015) in de traditie van Schiller wordt gebruikt en in een verder uitgewerkte vorm door Yasaei (2025) vanuit het perspectief van het cognitief kapitalisme wordt overgenomen – komt dit ‘platformimperialisme’ het dichtst in de buurt van de benadering, die ik voorstel. Jin heeft gelijk door al vroeg het imperialistische kader opnieuw in te zetten om de dominantie van de Amerikaanse platforms te analyseren. Maar zijn analyse blijft formeel, zonder echte koppeling aan een klassentheorie of een periodisering van het kapitalisme en zonder aandacht voor de dimensie van de publieke ruimte. Yasaei plaatst het idee van platformimperialisme juist wel in de lange geschiedenis van het kapitalisme, maar maakt er een andere vorm van ‘hoogste stadium’ van, waarmee hij als het ware de teleologische logica van de leninistische visie reproduceert.

Het imperialisme zoals ik het hier opvat, wordt niet gezien als een eindstadium, maar als een constitutief kenmerk van het kapitalisme dat terugkerende acute fasen doormaakt, gekoppeld aan specifieke accumulatiecrises. In dat opzicht blijft de door Yasaei voorgestelde periodisering niettemin nuttig. De structurerende analogie, ontleend aan Winseck (2017), is de volgende: net zoals de crisis van 1873 en de daaropvolgende lange depressie de opmaat vormden voor de imperialistische fase van het industriële kapitalisme, met zijn monopolistische concentratie, de versmelting van banken en industrie en de interstatelijke rivaliteit, zo vormde de dotcom-crisis van 2000-2001 de opmaat naar de imperialistische fase van het digitale kapitalisme, waarvan de crisis van 2008 het definitieve begin markeerde, doordat de beurswaarderingen van digitale bedrijven dankzij de massaal door centrale banken geïnjecteerde liquiditeiten naar ongekende hoogten werden gestuwd.

Een laatste standpunt dringt zich op: dat betreffende het Amerikaanse karakter van het fenomeen. Lehdonvirta (2022) biedt een sociaal-economische analyse van de macht van de grote Amerikaanse technologiebedrijven door ze te vergelijken met historische imperia. Hij verdedigt het idee dat Amazon, Google of Apple een vorm van dominantie uitoefenen, die vergelijkbaar is met die van koloniale rijken, niet door territoriale verovering, maar door de controle over wereldwijde digitale infrastructuren.

Deze ‘cloud-rijken’ organiseren en reguleren complete economische ruimtes (onlinehandel, applicaties, data) door de infrastructuur, de toegangsregels en de verdeling van waarde te controleren. Bradford (2023) bevestigt vanuit een liberaal-institutioneel perspectief deze realiteit door op te merken dat de reuzen uit Silicon Valley juist tot echte ‘digitale imperia’ zijn uitgegroeid omdat de Amerikaanse staat de politieke keuze heeft gemaakt om hen geen beperkingen op te leggen. Wat de marxistische politieke economie interpreteert als de organische uitdrukking van een structurele alliantie tussen digitaal kapitaal en de imperiale staat binnen het neoliberale kader.

Mirrlees (2024) toont echter aan dat China, zoals hierboven vermeld, met een zekere doeltreffendheid instrumenten inzet die vergelijkbaar zijn met die van de Verenigde Staten om zijn communicatie-industrieën in het globale Zuiden te internationaliseren – vijfjarenplannen, het digitale Belt and Road Initiative, staatssubsidies, handelsdiplomatie, bescherming van intellectueel eigendom.

Dit bevestigt dat digitaal imperialisme een structurele logica van het laatkapitalisme is en geen kenmerk dat eigen is aan een bepaald imperium. De Verenigde Staten blijven niettemin tot op de dag van vandaag de dominante imperiale en digitale macht op wereldschaal, maar bevinden zich in een relatie van diepe wederzijdse afhankelijkheid met China, wat paradoxaal genoeg hun confrontatie alleen maar verscherpt (Bürbaumer, 2024).

III. De constitutieve dimensies van het digitale imperialisme

Het begrip ‘digitaal imperialisme’, zoals ik het opbouw, onderscheidt zich van alle eerder genoemde benaderingen doordat het vijf constitutieve dimensies in een samenhangend kader samenbrengt: de monopolistische logica van het kapitaal; het militair-digitale complex als kern van de heerschappij; de interimperiale rivaliteiten als systemische dynamiek; en de oligarchische herstructurering als politieke vorm. De platformisering van de publieke ruimte, die ik in het laatste deel zal toelichten, vormt de vijfde, communicatieve dimensie van dit geheel.

De eerste ‘klassieke’ dimensie van het imperialisme is de concentratie van kapitaal. In de huidige fase ondergaat deze een zowel kwalitatieve als kwantitatieve verdieping, die zijn weerga in de geschiedenis niet kent. Louçã en Machado (2026) plaatsen de digitale giganten expliciet in het eeuwenlange traject van concentratie en centralisatie van kapitaal dat Marx in de 19e eeuw had geïdentificeerd en waarvan Lenin aan het begin van de 20e eeuw de imperialistische vorm had getheoretiseerd. Zoals zij terecht opmerken, is de schaal van wat Marx voorzag veranderd.

In de eerste maanden van 2026 overschreed de gezamenlijke beurswaarde van de belangrijkste Amerikaanse technologiebedrijven – Apple, Alphabet (Google), Microsoft, Nvidia, Amazon, Meta en Tesla – de grens van 20.000 miljard dollar. Deze totale marktwaarde, die historisch gezien ongekend is voor zo’n kleine groep bedrijven, is vergelijkbaar met de grootste economische grootmachten ter wereld: ze ligt dicht bij het bruto binnenlands product van de Verenigde Staten en is hoger dan dat van de Europese Unie.

Op financieel vlak vertegenwoordigt deze groep een overweldigend aandeel in de grote Amerikaanse beursindexen, met meer dan 30 % van de marktkapitalisatie van de S&P 500 en ongeveer 60 % van die van de Nasdaq, wat hun structurele gewicht op de kapitaalmarkten onderstreept. Vanuit sectoraal oogpunt overschrijdt deze totale marktwaarde die van verschillende traditionele economische sectoren in hun geheel, zoals de beursgenoteerde westerse olie-industrie of de Europese banksector, en blijkt vergelijkbaar te zijn met die van omvangrijke economische infrastructuren.

De strategie die aan de basis ligt van deze razendsnelle groei wordt al bijna tien jaar nauwkeurig empirisch gedocumenteerd (Smyrnaios, 2017). Deze strategie is gebaseerd op een tweeledige dynamiek: enerzijds stelt verticale integratie deze bedrijven in staat om de volledige digitale waardeketen te beheersen, bestaande uit fysieke infrastructuur (datacenters, netwerken), toegangsapparatuur en essentiële softwarelagen zoals besturingssystemen; anderzijds bestaat horizontale diversificatie uit het samenvoegen van substitueerbare diensten die vergelijkbare functies voor de gebruiker vervullen, bijvoorbeeld communicatie en toegang tot informatie en inhoud.

Ter illustratie: in de sector van de zoekmachines controleert Google al bijna twintig jaar ongeveer 90% van de wereldmarkt, op enkele opmerkelijke uitzonderingen na, zoals China of, in mindere mate, Rusland en Iran. In de sector van de sociale netwerken en instant messaging controleert Meta het merendeel van de populairste diensten wereldwijd. In de cloud bezit Amazon, de koploper in de e-commerce, in zijn eentje een derde van de wereldmarkt, gevolgd door Microsoft Azure en Google Cloud, waardoor drie bedrijven tweederde van deze infrastructuur in handen hebben, die cruciaal is geworden voor de gehele wereldeconomie. Microsoft en Google, samen met Apple, de grootste verkoper van apparatuur ter wereld, bezetten meer dan 90% van de wereldmarkt voor besturingssystemen voor smartphones en computers.

De opkomst van GKI vormt een krachtige versneller van deze concentratie. De ontwikkeling van geavanceerde taalmodellen vereist gigantische investeringen in rekeninfrastructuur en onbeperkte toegang tot gegevensbronnen. We zien dan ook de opkomst van Nvidia, OpenAI, xAI en Anthropic naast Google, Meta, Amazon, Apple en Microsoft, waarmee zij selectieve allianties aangaan.

Aan deze strategische sector moet de ruimtevaartsector worden toegevoegd, waar Jeff Bezos (Blue Origin) en Elon Musk (SpaceX) belangrijke posities innemen. Het plan van laatstgenoemde om xAI en SpaceX te fuseren om datacenters in een baan om de aarde te bouwen, wordt geschat op een waarde van meer dan 1 500 miljard dollar. De oligopolistische spelers uit Silicon Valley breiden hun activiteiten uit naar andere domeinen zoals de gezondheidszorg, energie, transport, robotica, defensie enz. De transformatie van deze bedrijven tot infrastructuren van de wereldeconomie, die worden gekenmerkt door hun onmisbaarheid en alomtegenwoordigheid, is het eindresultaat van deze concentratiedynamiek.

De tweede dimensie van het digitale imperialisme is dat de Big Tech-bedrijven niet louter zeer grote, puur economische entiteiten zijn die concurreren met of in symbiose staan met de staten. De integratie tussen de grote digitale bedrijven en het Amerikaanse militair-veiligheidsapparaat is niet toevallig, conjunctureel of louter functioneel – ze is organisch in de zin waarin Serfati (2026) deze term gebruikt. De militair-industriële systemen vormen volgens hem sui generis-instellingen, die zich op het snijvlak van politiek en economie bevinden en waarvan het digitale kapitaal inmiddels een essentieel onderdeel is geworden. Dit is wat hij aanduidt als de ‘totalitaire kern’ van het hedendaagse kapitalisme, die nieuw leven wordt ingeblazen door de massale investeringen in GKI.

Deze integratie is niet nieuw: ze kent een lange geschiedenis die Mirrlees (2015) documenteert in de traditie van Schiller. Al in de jaren 1960 verbond het militair-industrieel-communicatiecomplex (MICC) Amerikaanse communicatiebedrijven met het Ministerie van Defensie, dat hun onderzoek en ontwikkeling subsidieerde en tegelijkertijd een aanzienlijke afzetmarkt voor hun producten verzekerde. Mirrlees laat in een ander werk (2017) zien hoe het Pentagon fungeert als een ‘bureau voor cultuurbeleid’ via zijn systeem van voorwaardelijke steun aan Hollywoodproducties, waardoor de mediaverhalen worden gestuurd in de richting van de militaristische visie op de wereld, zonder dat deze steun als propaganda wordt gezien.

Volgens Broca (2026) vormt de ‘Pax Silica’ een hedendaagse uitwerking van diezelfde logica: de contracten tussen Amazon en de CIA, tussen Microsoft en het Pentagon, tussen Google en de NSA, of de toekenning aan een consortium van vijf bedrijven van een cloud-contract ter waarde van tientallen miljarden dollars namens zeventien inlichtingendiensten, zijn de huidige uitingen van een verwevenheid die altijd al de basis heeft gevormd van het Amerikaanse digitale kapitalisme. De doctrine van Alex Karp, CEO van Palantir, verwoordt op brutale wijze de principes van het digitale imperialisme:

“De elite van ingenieurs in Silicon Valley heeft de plicht om bij te dragen aan de verdediging van de natie (…) Om vrije en democratische samenlevingen te laten zegevieren, is meer nodig dan alleen een morele oproep. Er is brute macht nodig en in deze eeuw zal die macht berusten op software (…) Een tijdperk van afschrikking, het atoomtijdperk, loopt ten einde, en een nieuw tijdperk van afschrikking, gebaseerd op kunstmatige intelligentie, staat op het punt te beginnen.” (Karp, Zaminska, 2025).

De oorlog die in februari 2026 tegen Iran werd ontketend, illustreert op treffende wijze de organische verwevenheid tussen het digitale oligopolie en het Amerikaanse militaire apparaat. De operatie Epic Fury werd door verschillende waarnemers bestempeld als het eerste grootschalige militaire offensief dat grotendeels werd ondersteund door kunstmatige intelligentie.

Het Maven Smart System van Palantir – waarvan de beurswaarde in het eerste kwartaal van 2026 360 miljard dollar bereikte, mede dankzij de lopende conflicten – maakte het mogelijk om te lokaliseren en te prioriteren binnen enkele uren, een ongekend tempo dat mogelijk werd gemaakt door de grootschalige algoritmische verwerking van satellietgegevens, bewakingsbeelden en inlichtingen van mensen.

Het Claude-model van Anthropic werd in deze systemen geïntegreerd om de strategische analyse en de de interactie tussen de verschillende lagen van het doelwitbepalingssysteem te vergemakkelijken. De Starshield-communicatie-infrastructuur van SpaceX zorgde voor de realtime gegevensoverdracht tussen autonome drones, sensoren op de grond en commandocentra.

Deze zowel grootschalige als uiterst geavanceerde technologische inzet heeft de dood van duizenden burgerslachtoffers, die omkwamen bij de Amerikaanse en Israëlische bombardementen, niet kunnen voorkomen. Toch past dit in een reeks gebeurtenissen die begon met de Russische invasie van Oekraïne en vervolgens met de verwoesting van Gaza door het Israëlische leger. Hieruit blijkt dat digitale bedrijven voortaan niet langer van buitenaf de oorlogsinspanningen ondersteunen, maar het zenuwstelsel ervan vormen in de meest directe operationele dimensie.

Het kader van het digitale imperialisme omvat een derde dimensie: de dynamiek van de rivaliteit tussen kapitalistische mogendheden om de controle over de hulpbronnen en de markten van de de digitale economie. Louçã en Machado (2026) benadrukken dat de dalende winstgevendheid de interimperialistische rivaliteiten verscherpt en dat de door de regering-Trump opgelegde invoerheffingen – ondanks haar kronkels – het einde symboliseren van het regime van neoliberale globalisering dat in de jaren 1990 werd ingeluid. Volgens Bürbaumer (2024) maakt deze interpretatie van de internationale situatie het mogelijk om het Chinees-Amerikaanse handels- en technologieconflict niet te zien als een tijdelijke tegenslag in een globalisering die weer op gang zou komen, maar als de uitdrukking van een structurele tegenstelling tussen kapitalistische blokken.

De strijd om halfgeleiders tussen de Verenigde Staten en China, de conflicten rond zeldzame aardmetalen, de beperkingen voor Huawei binnen de EU, de gedwongen verkoop van de Amerikaanse dochteronderneming van TikTok, de concurrentiestrijd om talent op het gebied van kunstmatige intelligentie en de trainingsgegevens van grote taalmodellen: het zijn allemaal uitingen van deze interimperiale rivaliteit op digitaal gebied.

Bradford (2023) stelt een analytische cartografie voor vanuit een liberaal perspectief dat qua feiten aansluit bij de marxistische interpretaties, waarbij hij drie modellen van digitaal bestuur onderscheidt: het Amerikaanse ‘marktgestuurde’ model, het Chinese ‘staatsgestuurde’ model en het Europese ‘rechtengestuurde’ model, die in werkelijkheid drie verschillende configuraties vormen van één en hetzelfde digitale kapitalisme, die met elkaar wedijveren om de normen, standaarden en spelregels van de wereldeconomie te bepalen.

Mirrlees (2024) herinnert er terecht aan dat de opkomst van China op dit gebied moet worden geanalyseerd als de opkomst van een eigen vorm van digitaal en media-imperialisme – waarbij gebruik wordt gemaakt van instrumenten die vergelijkbaar zijn met die van de Verenigde Staten – en niet als een alternatief voor de imperiale logica zelf. De multipolaire wereld die zich aftekent is geen postimperiale wereld, maar een wereld van toenemende interimperiale rivaliteiten.

De vierde dimensie van het digitale imperialisme is degene die de economische transformaties het meest direct koppelt aan politieke vormen. Louçã en Machado (2026) identificeren de opkomst van een ‘tweekoppige oligarchie’ – beheerders van institutionele activa en techno-oligarchen – als de belangrijkste vernieuwing in de klassenstructuur na 2008.

Deze twee fracties van de bourgeoisie, ontstaan in verschillende sectoren maar verenigd door hun gezamenlijke afhankelijkheid van uitzonderlijke rendementen die alleen monopolieposities mogelijk maken, komen samen in systemische tendensen:

– rentisme, opgevat als de veralgemening van monopolieposities in de gehele economie;

– marktveralgemening, dat wil zeggen de uitbreiding van de marktlogica naar levenssferen die voorheen buiten de kapitalistische valorisatie vielen;

– oligarchisering, dat wil zeggen de vorming van politieke apparaten die rechtstreeks verbonden zijn met oligarchische belangen;

– en oorlog, als een vorm van externe oplossing voor de tegenstellingen van de accumulatie.

Fuchs (2026) beschrijft deze configuratie onder de noemer ‘autoritair digitaal kapitalisme’, waarvan de grens met het fascisme volgens hem poreus is en in toenemende mate wordt overschreden. Het onderscheid tussen de facetten van het digitale fascisme die hij identificeert – van de autoritaire persoonlijkheid tot nationalisme, van propaganda tot digitale milities – maakt het mogelijk de politieke koerswijziging van de digitale oligarchie niet te zien als een conjunctureel toeval, maar als een structureel kenmerk: het economische model dat is gebaseerd op onbeperkte toegang tot persoonsgegevens botst objectief gezien met de beginselen van vrijheid van meningsuiting, privacy en democratische soevereiniteit, die de formele basis vormen van de liberale democratieën. De geleidelijke afbraak van deze beginselen is geen neveneffect van de digitale overheersing, maar juist de voorwaarde voor het voortbestaan ervan op de lange termijn, die samenhangt met de hedendaagse transformatie van de publieke ruimte.

IV. De platformisering van de publieke ruimte

In de politieke filosofie wordt de publieke ruimte gedefinieerd als een sfeer van communicatie en bemiddeling tussen de staat en de samenleving, en tussen een veelheid aan groepen en organisaties binnen de samenleving zelf (Habermas, 1978). Een van de belangrijkste componenten van de publieke ruimte wordt gevormd door de cultuur- en media-industrieën, waar een grote verscheidenheid aan publieke discoursen tot uiting komt, uitgedragen door een groot aantal actoren. Dit met als doel zichtbaar en invloedrijk te worden bij het publiek. De concrete werking van de publieke ruimte beïnvloedt zo de meningsvorming, de geïnstitutionaliseerde deliberatieve processen zoals verkiezingen en, nog fundamenteler, de sociale voorstellingen.

Vanuit een materialistisch perspectief bestaat er een dialectische relatie tussen de politieke economie en de veranderingen, die de symbolische en materiële ruimte ondergaat, waarin discoursen, ideeën en meningen circuleren en dit doorheen de geschiedenis (Negt, 2007). De publieke ruimte van de moderniteit is immers onlosmakelijk verbonden met het kapitalisme en wordt dus overbepaald door de logica ervan. Daardoor is zij onderhevig aan politieke strijd en antagonistische klassenverhoudingen. De macht om de heersende wereldvisie die zich daar ontvouwt te beïnvloeden, is ongelijk verdeeld over de sociale groepen die er aanspraak op maken, afhankelijk van de machtsverhoudingen die zij onderling tot stand brengen.

Voor de politieke economie van de communicatie zijn de informatie- en cultuurindustrieën echter niet louter dragers van ideologische invloed, maar maken ze deel uit van de economische kern van het imperialisme. Schiller zegt niet alleen dat de media het imperialisme van de Verenigde Staten ‘dienen’ of dat ze de ideologie ervan verspreiden. Voor hem zijn ze een van de economische drijfveren ervan en is hun wereldwijde commerciële expansie een vorm van imperiale expansie.

Daarom is de doctrine van de free flow of information, die tijdens de Koude Oorlog werd gepresenteerd als een universeel ideaal van communicatieve vrijheid, in werkelijkheid de ideologische drager van deze expansie, functioneel vergelijkbaar met het Britse vrijhandelsbeleid van de negentiende eeuw (Schiller, 1978). Het gaat hier om een theorie van de dominantie die, vanuit communicatief oogpunt, het economische niet loskoppelt van het ideologische, maar beide binnen dezelfde structurele logica met elkaar verbindt.

Deze koppeling blijft vandaag de dag relevant. Hierdoor wordt duidelijk waarom de dominantie van Amerikaanse digitale platforms in de mondiale informatieruimte niet louter een marktverschijnsel is, maar onlosmakelijk verbonden is met de politieke hegemonie en de staatssteun die daaraan ten grondslag liggen. Mirrlees (2015) toont aan dat de door Schiller geïdentificeerde structuren (de dominantie van de Verenigde Staten op de wereldwijde mediamarkten, de organische alliantie tussen de communicatie-industrieën en het Ministerie van Defensie, het gebruik van het internationale handelsbeleid om normen op te leggen die gunstig zijn voor Amerikaanse bedrijven) blijven bestaan en zich in de periode na 2008 hebben versterkt, ondanks de aanzienlijke veranderingen in het media-ecosysteem.

Maar Schiller beschouwde de publieke ruimte als een reeds bestaand terrein dat de Amerikaanse cultuurindustrieën trachtten te bezetten, te beïnvloeden en ideologisch vorm te geven door er inhoud te verspreiden die de waarden van de ‘American way of life’ uitdraagt. Het is een theorie van dominantie in de publieke ruimte, geen theorie van dominantie over de publieke ruimte zelf. Wat de huidige fase van het digitale imperialisme echter juist kenmerkt, is dat de grote platforms zich niet langer tevredenstellen met het verspreiden van inhoud via een reeds bestaande publieke ruimte zoals de media, maar dat zij de infrastructuur ervan zelf vormen, volgens een logica van kapitalistische accumulatie, die de voorwaarden voor democratische deliberatie ingrijpend herstructureert. Deze verschuiving van de controle over de inhoud naar de controle over de infrastructuur van de verspreiding ervan is zowel ingrijpend als kwalitatief. Dit vraagt dan ook om een apart concept.

Het begrip platformisering van de publieke ruimte (Smyrnaios, Baisnée, 2023) verwijst naar het proces waarbij de infrastructuren, de economische mechanismen en de beheerslogica die eigen zijn aan de oligopolistische spelers in de digitale sector, doordringen in en de sociale bemiddelingssfeer herstructureren waar meningen worden gevormd, collectieve voorstellingen worden opgebouwd en politieke agenda’s worden bepaald. Het gaat hier niet om invloed van de media op de politiek in de klassieke zin van de agenda-setting-theorie, maar om de controle over de architectuur zelf waardoor de politiek tot stand komt en circuleert.

Op economisch vlak hebben de oligopolistische spelers in de digitale sector het mediasysteem in zijn geheel geherstructureerd door gerichte reclame, gebaseerd op het volgen van het gedrag van gebruikers, op te leggen als het dominante kader voor de productie en verspreiding van informatieve inhoud. Deze herstructurering is niet neutraal: ze creëert een financiële afhankelijkheid van de media ten opzichte van de platforms, die de belangrijkste distributiekanalen voor hun inhoud controleren en het grootste deel van de reclame-inkomsten binnenhalen.

De media bevinden zich daardoor in een asymmetrische relatie ten opzichte van de platforms: zij produceren de inhoud die het publiek van de platforms voedt, terwijl deze platforms de bijbehorende reclamewaarde onttrekken zonder meer dan een marginaal deel aan de producenten terug te geven. Deze verhouding vormt een vorm van digitaal imperialisme dat zich zelfs binnen de ontwikkelde economieën afspeelt, los van elke Noord-Zuid-relatie.

Op politiek vlak verspreiden Google, Instagram, TikTok of ChatGPT niet noodzakelijkerwijs een specifiek gerichte boodschap. Ze creëren daarentegen een architectuur van de aandacht. Hun bedrijfsmodel is gebaseerd op het maximaliseren van de tijd die gebruikers op het platform doorbrengen, waardoor hun aanbevelingsalgoritmen worden gestuurd in de richting van inhoud die de meest intense reacties oproept – verontwaardiging, angst, polarisatie – ongeacht de waarheidsgetrouwheid ervan of de relevantie voor het democratische debat.

Bovendien bouwen de Silicon Valley-giganten bevoorrechte relaties op met bepaalde machtige mediagroepen, die hun logica overnemen of over grote politieke invloed beschikken, ten koste van andere groepen die een minderheidsstandpunt of een anti-hegemonische redactionele koers aanhangen. Dit leidt tot een interne asymmetrie binnen het mediaveld en schaadt het pluralisme.

Het gaat dus niet om de dominantie van een bepaalde inhoud of politieke koers, maar om de dominantie van een culturele vorm, van een logica van verspreiding, die systemische ideologische effecten teweegbrengt zonder dat een propagandist het proces rechtstreeks hoeft te sturen. Zoals Fuchs (2026) aantoont, zijn gedragsmonitoring, het uitbuiten van cognitieve vooroordelen, het ontstaan van echokamers en de virale verspreiding van racistische inhoud geen storingen in het systeem, maar structurele kenmerken ervan, die verband houden met de logica van het optimaliseren van betrokkenheid zelf.

Deze culturele vorm sluit aan bij de reactionaire koerswijziging van de digitale oligarchie. Democratische regulering, de bescherming van persoonsgegevens, de rechten van werknemers en antitrustregels vormen evenzoveel objectieve belemmeringen voor de grenzeloze expansie van bedrijven waarvan de waarde berust op onbeperkte en ongereguleerde toegang tot gegevens, gedragspatronen en communicatie-infrastructuur.

Dit is de politieke uiting van een structurele tegenstrijdigheid: het model van accumulatie en overheersing van het digitale imperialisme is onverenigbaar met de liberale democratische instellingen die het beweert te verdedigen. Om het met de woorden van Peter Thiel, medeoprichter van Palantir, te zeggen: vrijheid en democratie zijn niet langer verenigbaar. Deze observaties wijzen op wat het begrip ‘platformisering van de publieke ruimte’ ons in staat stelt te analyseren: een systemische transformatie van de voorwaarden voor democratische deliberatie, die niet alleen tot stand komt door mechanismen van censuur of directe propaganda, maar ook en vooral door de herstructurering van de infrastructuren waarlangs het politieke leven zich ontvouwt.

Het begrip ‘platformisering van de publieke ruimte’ sluit dus intellectueel aan bij Schiller en de klassieke politieke economie van de communicatie, maar gaat op ten minste twee punten verder dan deze. De eerste stap verder gaat de hierboven genoemde militair-industriële integratie betreft. Schiller had de alliantie tussen de communicatie-industrieën en het Amerikaanse militaire apparaat al onderkend, maar hij beschouwde ze nog steeds als twee afzonderlijke sferen die elkaar wederzijds ondersteunden.

De hedendaagse configuratie is kwalitatief anders. De militair-industriële systemen vormen nu geïntegreerde instellingen waarin de grens tussen civiele en militaire productie, tussen commerciële en staatsbewaking, tussen oorlogspropaganda en merkcommunicatie, structureel doorlaatbaar is. Digitale platforms ‘dienen’ niet langer het militaire imperialisme, maar vormen er organische onderdelen van, waarvan de infrastructuren voor gegevensverwerking, de algoritmen voor gedragsmodellering en de netwerken voor informatieverspreiding zonder onderscheid worden ingezet voor commerciële, politieke en militaire doeleinden. Juist hierin vertegenwoordigt het digitale imperialisme een kwalitatieve radicalisering van het Schilleriaanse culturele imperialisme, en niet louter een technologische actualisering ervan.

De tweede overschrijding betreft de tegenstrijdigheid, die voortvloeit uit het participatieve en competitieve karakter van de digitale publieke ruimte. Schiller beschouwde massacommunicatie als een in wezen top-downstroom – van Amerikaanse centra van culturele productie naar min of meer passieve publieken in de periferie. Deze voorstelling was in zijn tijd al ontoereikend en is radicaal ongeschikt voor het tijdperk van de sociale media, waar de productie van inhoud massaal gedistribueerd wordt en waar sociale bewegingen zich kunnen vormen en verspreiden in een tempo dat zijn weerga niet kent in de geschiedenis van de media.

De Gele Hesjes, #MeToo, Black Lives Matter en de klimaatprotesten hebben de infrastructuur van de platforms gebruikt om tegenpublieken op te bouwen en kwesties op de publieke agenda te zetten, die de traditionele media zouden hebben genegeerd of gemarginaliseerd. De geplatformiseerde publieke ruimte blijkt dan ook tegelijkertijd een terrein van dominantie en een strijdtoneel om hegemonie in de zin van Gramsci te zijn, doorkruist door tegenstrijdigheden en verzet en niet louter een instrument voor manipulatie.

Deze erkenning houdt rekening met sociologische inzichten, met name uit de Cultural Studies, die hebben aangetoond dat de media geen ruimte van totale en eenzijdige dominantie vormen: ze worden doorkruist door alternatieve vormen van gebruik, die de logica van de accumulatie overstijgen. Wat de platforms bepalen, is niet de inhoud van de politieke strijd, maar de voorwaarden voor de zichtbaarheid, de verspreiding en de institutionalisering ervan. Zij bepalen welke inhoud wordt versterkt of verwijderd, welke mobilisaties te gelde kunnen worden gemaakt en welke niet, in welk tempo controverses door andere worden vervangen en volgens welke logica’s politieke gemeenschappen zich opsplitsen. Deze toenemende complexiteit van de voorwaarden waaronder het politieke zich ontplooit, is subtieler en ingrijpender dan censuur of directe propaganda en kan onder bepaalde omstandigheden ook een hulpmiddel vormen voor de sociale beweging.

Conclusie: digitaal imperialisme en het einde van de Amerikaanse orde – een hypothese

De afgelegde theoretische weg leidt tot een alomvattend voorstel. Het techno-feodalisme stuit, ondanks de relevantie van zijn gedeeltelijke diagnoses over de ‘rentiërisering’ en de monopolisering, op belangrijke politieke beperkingen. Het begrip ‘digitaal imperialisme’, zoals ik dat voorstel, biedt hierop een antwoord door vijf dimensies met elkaar te verbinden die concurrerende benaderingen afzonderlijk behandelen:

– ten eerste vormt de monopolistische logica van het kapitaal, in de fase na 2008, de economische basis voor de dominantie van de Big Tech-bedrijven;

– ten tweede vormt het militair-digitale complex geen conjuncturele alliantie tussen afzonderlijke sferen, maar een organische integratie tussen het digitale oligopolie, het staatsapparaat en het militair-industriële complex, waarvan de oorsprong teruggaat tot de allereerste beginjaren van Silicon Valley;

– ten derde vormen de rivaliteiten tussen imperiale machten de systemische dynamiek ervan: een multipolaire wereld in wording, doorkruist door toenemende tegenstellingen tussen kapitalistische blokken, die strijden om de strategische hulpbronnen van de de digitale economie;

– ten vierde vormt de oligarchische herstructurering de politieke vorm ervan, waarbij de autoritaire wending structureel voortvloeit uit de botsing tussen het accumulatiemodel en de liberaal-democratische instellingen.

– ten vijfde de platformisering van de publieke ruimte, waarmee het proces wordt aangeduid waarbij de infrastructuren van digitale platforms zich niet langer beperken tot het verspreiden van inhoud via een reeds bestaande publieke ruimte, maar juist de architectuur ervan zelf vormen, evenals de voorwaarden voor zichtbaarheid, circulatie en legitimering van het politieke.

Aan het einde van deze theoretische uiteenzetting lijkt het ons mogelijk een besluitende hypothese te formuleren die, gezien de meest recente gebeurtenissen, serieus genomen moet worden, zonder de uitkomst ervan te willen voorspellen. De oorlog tegen Iran en de daaruit voortvloeiende energie- en geopolitieke crisis vormen een gebeurtenis welke tegenstellingen blootlegt en versnelt, die juist binnen het kader van het digitale imperialisme begrepen kunnen worden.

Door een grootschalig conflict te ontketenen dat een wereldwijde energieverstoring veroorzaakt, die vergelijkbaar is met de schokken van de jaren 1970, mobiliseren de Verenigde Staten tegelijkertijd de klassieke instrumenten van het fossiele imperialisme – het veiligstellen van de olieroutes, het handhaven van de orde in de Golf – en de instrumenten van het digitale imperialisme – informatieoorlog, cyberoperaties, militair gebruik van kunstmatige intelligentie. Beide complexen komen in deze operatie samen.

Maar de crisis die hieruit voortvloeit, legt een diepe tegenstrijdigheid bloot binnen de Amerikaanse hegemonie zelf: door de architectuur van de petrodollar te verzwakken, hun buitenlands beleid nog sterker te koppelen aan de doelstellingen van Israël onder Netanyahoe en door afstand te nemen van hun belangrijkste bondgenoten, zoals de Europese staten, brengen de Verenigde Staten een structureel risico voor hun eigen hegemonie met zich mee, dat hun tegenstanders alleen nooit hadden kunnen veroorzaken. Deze constatering wordt versterkt door het weerstandsvermogen van Iran, dat profiteert van de technologische, politieke en militaire steun van China, Rusland en middelgrote mogendheden zoals Pakistan.

De hypothese, die wij dan ook formuleren, is de volgende: de oorlog in Iran en de oliecrisis, in combinatie met een potentiële regimecrisis binnen de Verenigde Staten zelf – veroorzaakt door de uitwassen van het Trumpisme, waarvan het beleid in tegenspraak is met de prioriteiten van het establishment, zoals de steun aan de NAVO – zouden het begin kunnen inluiden van de eindfase van de Amerikaanse orde, zoals die zich sinds de ineenstorting van het communistische blok heeft gevormd. Niet het einde van het imperialisme als structurele logica van het kapitalisme, maar het einde van de hegemonie van één enkel, ongeëvenaard imperium. Mocht deze hypothese bevestigd worden, dan zou de wereld, die daaruit voortvloeit, niet post-imperiaal zijn, maar multi-imperiaal, doorkruist door toenemende rivaliteiten, waarbij de digitale publieke ruimte tegelijkertijd zowel de inzet als het belangrijkste strijdtoneel zou vormen.

In dit kader krijgt de analyse van de platformisering van de publieke ruimte haar volledige strategische dimensie. Dit veronderstelt dat de logica van winstgericht eigendom, die ten grondslag ligt aan de platforms, wordt aangepakt, dat er deliberatieruimtes worden heropgebouwd, waarvan de infrastructuur niet onderworpen is aan de kapitalistische accumulatie, waarbij communicatie te beschouwen is als een gemeenschappelijke hulpbron in plaats van als een markt. Alleen onder deze voorwaarde kan de kritiek op het digitale imperialisme tot iets anders leiden dan weloverwogen pessimisme.


Dit artikel verscheen eerder bij Contretemps – vertaling door SAP – Antikapitalisten. Afbeelding beschikbaar op Piqsels.

Referenties

Bradford, A. (2023). Digital empires: The global battle to regulate technology. Oxford University Press.

Broca, S. (2017). Le digital labour, extension infinie ou fin du travail ? Tracés. Revue de Sciences humaines, 32, 133–144.https://doi.org/10.4000/traces.6882

Broca, S. (april 2026). Les noces de l’IA et de l’État. Le Monde diplomatique.

Bürbaumer, B. (2024). Chine/États-Unis, le capitalisme contre la mondialisation. La Découverte.

Casilli, A. (2019). En attendant les robots. Enquête sur le travail du clic. Seuil.

Coelho, O. (2023). Géopolitique du numérique : L’impérialisme à pas de géants. Les éditions de l’Atelier.

Couldry, N., & Mejias, U. A. (2022). Le colonialisme des données : Repenser la relation entre le big data et le sujet contemporain. Questions de communication, 42(2), 205–221. https://doi.org/10.4000/questionsdecommunication.29845

Cui, K. Z., Demirer, M., Jaffe, S., Musolff, L., Peng, S., & Salz, T. (2026). The effects of generative AI on high-skilled work: Evidence from three field experiments with software developers. Management Science.

Durand, C. (2020). Techno-feodalisme. La Découverte.

Durand, C. (2022, juli-augustus). Scouting capital’s frontiers New Left Review, 136.

Durand, C. (oktober 2025). Où le numérique nous emmène-t-il ? Réponse à Evgeny Morozov. Contretemps.

Fuchs, C. (2026). Digital fascism and digital capitalism. Philosophy and Social Criticism.

Habermas, J. (1978). L’espace public : Archéologie de la publicité comme dimension constitutive de la société bourgeoise. Payot.

Harribey, J.-M. (2025). Capitalisme productif et/ou capitalisme rentier ? https://blogs.alternatives-economiques.fr/harribey/2025/12/02/capitalisme-productif-etou-capitalisme-rentier

Jacobsen, B. N. (2025). Review article: Data, algorithms and the asymmetric politics of extraction. The Sociological Review, 73(6), 1349–1367.

Jin, D. Y. (2015). Digital platforms, imperialism and political culture. Routledge.

Karp, A. C., & Zamiska, N. W. (2025). The technological republic: Hard power, soft belief, and the future of the West. Crown Currency.

Kwet, M. (2021). Digital colonialism: The evolution of US empire. Transnational Institute.https://longreads.tni.org/fr/digital-colonialism-the-evolution-of-us-empire.html

Lebayle, S., & Pinsard, N. (2021). L’économie numérique : Une involution du mode de production capitaliste ? Revue de la régulation, 30.

Lehdonvirta, V. (2022). Cloud empires: How digital platforms are overtaking the state and how we can regain control.MIT Press.

Louçã, F., & Machado, D. (2026, février). Nouvelles et anciennes oligarchies : Transformations du régime d’accumulation du capital. Contretemps.

Mirrlees, T. (2015). U.S. empire and communications today: Revisiting Herbert I. Schiller. TripleC: Communication, Capitalism & Critique, 13(2), 351–378.

Mirrlees, T. (2017). The DoD’s cultural policy: Militarizing the cultural industries. Media, Culture & Policy, 6(1).

Mirrlees, T. (2024). Ten postulates of a media imperialism framework: For critical research on China’s media power and influence in the Global South. Global Media and China, 9(4), 433–450. https://doi.org/10.1177/20594364231195934

Morozov, E. (2023). Critique de la raison techno-féodale. Variations, 26.

Morozov, E. (2025, août). Le numérique nous ramène-t-il au Moyen Âge ? Le Monde diplomatique.

Negt, O. (2007). L’espace public oppositionnel (A. Neumann, Trad.). Payot & Rivages.

Schiller, H. I. (1969). Mass communications and American empire. Beacon Press.

Schiller, H. I. (1976). Communication and cultural domination. M. E. Sharpe.

Schiller, H. I. (1978). Media and imperialism. Revue française d’études américaines, 6(1), 1–12.

Serfati, C. (2026, janvier). Les systèmes militaro-industriels, noyau totalitaire du capitalisme contemporain. Contretemps.

Smyrnaios, N. (2017). Les GAFAM contre l’internet : Une économie politique du numérique. INA Éditions.

Smyrnaios, N. (2022). La nouvelle bourgeoisie issue de la Silicon Valley. La Pensée, 409(1), 31–42. https://doi.org/10.3917/lp.409.0031

Smyrnaios, N., & Baisnée, O. (2023). Critically understanding the platformization of the public sphere. European Journal of Communication, 38(5), 435–445.

Smyrnaios, N. (2025a). L’espace public sous l’emprise du capital : De la presse bourgeoise aux géants de la Silicon Valley. Le Bord de l’Eau.

Smyrnaios, N. (2025b). Comprendre le virage réactionnaire de la Silicon Valley. La Pensée, 423(3), 7–18. https://doi.org/10.3917/lp.423.0007

Varoufakis, Y. (2023). Technofeudalism: What killed capitalism. Bodley Head.

Vrousalis, N. (2025). Capitalisme et Big Tech : Pour une critique de l’hypothèse techno-féodale. Contretemps.

Winseck, D. (2017). The geopolitical economy of the global internet infrastructure. Journal of Information Policy, 7, 228–267. https://doi.org/10.5325/jinfopoli.7.2017.0228

Yasaei, K. (2025). Impérialisme de plateforme : Un regard depuis la périphérie (Thèse de doctorat, Université Paris 8 Vincennes–Saint-Denis).