Een spontane revolutionaire uitbarsting

Deze maand besteden heel wat kranten en televisiezenders aandacht aan de 50e verjaardag van Mei ’68 in Frankrijk. Maar op welke manier? De minst serieuze zullen zich er waarschijnlijk toe beperken de gebeurtenissen oppervlakkig weer te geven. Een beetje alsof het om een grote knokpartij tussen studenten en politie ging. Meer serieuze media zullen het misschien ook hebben over de grootste algemene staking die Frankrijk kende in de 20e eeuw. Maar weinig media zullen het hebben over de ongeziene politieke crisis die het land op het einde van mei kende. Het is dan ook belangrijk de gebeurtenissen een beetje meer in detail te bekijken om ze te begrijpen.

Frankrijk in de jaren ‘60

De jaren ‘60 waren voor het kapitalisme echt de Golden Sixties. Tussen 1959 en 1964 bereikte de groei van het Bruto Binnenlands Product in Frankrijk 8,1% per jaar (1)L’économie française pendant la présidence du général de Gaule, Jean-Marcel Jeanneney, in Observations et diagnostics économiques, Paris, 1992.. Tussen 1964 en 1968 nam deze groeivoet een beetje af, om gemiddeld 5,4% per jaar te bereiken. Maar hij bereikte nog gemiddeld 4,7% tussen het 1e trimester van 1968 en het 1e trimester van 1969 ondanks een algemene staking van vier weken in mei-juni 1968. Het spreekt vanzelf dan niet alle sociale klassen in gelijke mate van deze groei konden genieten.

In april 1968 verdienden heel wat arbeiders slechts 600 Franse frank per maand (het equivalent in koopkracht in 2018 van 725 euro per maand) voor een werkweek van 46 uren. Het minimumloon (SMIG) lag op  424 Franse frank per maand, de SMAG (voor landarbeiders) lag nog lager. In tegenstelling tot Groot-Brittannië of Duitsland had Frankrijk nog heel wat boeren in het begin van de jaren ’60. Er waren bijna 900.000 loontrekkenden in de landbouw. In 1967 waren er belangrijke sociale bewegingen geweest (stakingen, boerenbetogingen) geweest in verschillende landelijke regio’s van Frankrijk, maar in verspreide slagorde.

Een bonapartistische staat en een ervaren repressieapparaat

Het Frankrijk van de jaren ’60 beschikte over een leger dat klaar was voor een burgeroorlog. Het Franse leger had in twee recente koloniale oorlogen (Indochina en Algerije) heel wat onafhankelijkheidsstrijders vermoord, massaal burgerbevolkingen gedeporteerd en systematisch gevangenen gefolterd. De politie in de metropool moest hier niet voor onder doen: ze had een grote rol gespeeld in het opsporen en arresteren van heel wat Algerijnse arbeiders in Frankrijk die verdacht werden van sympathie voor Algerijnse FLN (Front de Libération Nationale). In oktober 1961 had de politie bijna 200 Algerijnse arbeiders vermoord die vreedzaam betoogden in Parijs.

Generaal de Gaulle van zijn kant was op 13 mei 1958 aan de macht gekomen door een militaire putsch die mee was opgezet door kolonels van het Franse leger in Algerije. Hij heeft dan onmiddellijk door middel van een referendum de 5e Republiek laten uitroepen en een nieuwe grondwet laten aannemen die hem verregaande macht gaf. Sinds 1958 (en dat is tot de dag van vandaag zo ), wordt de President van de Republiek verkozen door middel van directe verkiezingen waardoor hij boven de Assemblée nationale, het Franse parlement, komt te staan. Hij is legerchef, benoemt de ministers, zit de Ministerraad voor en kan Assemblée nationale op elk moment en zonder motief ontbinden. Onder de Gaulle viel de televisiezender (ORTF) direct onder de controle van een Minister van Informatie.

De sociaaldemocratie en de PCF

De sociaaldemocratie (SFIO, Section Française de l’Internationale Ouvriére) was compleet gediscrediteerd door haar deelname aan de macht en haar steun aan de koloniale oorlogen in de jaren ’50. Ze stond er dan ook zeer slecht voor. Er was een kleine linkse socialistische partij ontstaan uit protest tegen de oorlogen, de PSU (Parti Socialiste Unifié). Mitterrand was geen lid van de SFIO maar van een kleine burgerlijke organisatie. Hij was er desondanks in geslaagd het in de tweede ronde van de presidentsverkiezingen van 1965 op te nemen tegen de Gaulle, enerzijds door een verkiezingsalliantie van zijn kleine groep met de Parti Radical de Gauche (een «progressieve» burgerlijke partij),de PSU en de SFIO en anderzijds omdat de Parti communiste Français (PCF) geen eigen kandidaat naar voor had geschoven tijdens de eerste ronde.

De PCF van haar kant was «De Partij». Ze telde begin 1968 bijna 300.000 leden. Ze had invloed in de fabrieken (125.000 leden waren lid van een bedrijfsafdeling, waarvan bijna 5.000 bij Renault-Billancourt, een fabriek met 35.000 metaalarbeiders.). Haar invloed op het platteland was verre van verwaarloosbaar: De PCF gaf een weekblad (La Terre) uit bestemd voor de boeren, dat werd gedrukt op 300.000 exemplaren.

Het enige terrein waarop de PCF enkele moeilijkheden kende, was het studentenmilieu. De Union des Étudiants Communistes (UEC) kende in de eerste helft van de jaren ’60 verschillende crisissen (splitsingen of uitsluitingen). De communistische studenten verdroegen de stalinistische tradities van de leiding van de PCF heel slecht en stelden hun hoop op andere aantrekkingspolen (de Cubaanse revolutie, de Italiaanse KP, de Culturele revolutie in China).

De revolutionaire organisaties

De Jeunesses Communistes Révolutionnaires (JCR) was een jeugdorganisatie die dicht bij de 4e Internationale stond zonder er lid van te zijn. Zij kwam voort uit een stroming van de UEC die was uitgelsoten omdat ze de kandidatuur van Mitterand weigerden te steunen vanaf de eerste ronde van de presidentsverkiezingen van 1965. De JCR had in 1968 iets meer dan 200 leden in het ganse land. De belangrijkste maoïstische stroming onder de jeugd (de UJCML, Union de la Jeunesse Communiste Marxiste-Leniniste) had ongeveer 2.000 militanten, waarvan een groot deel «ingeplant» in de bedrijven in het begin van 1968. Voix Ouvrière (dat later Lutte Ouvrière zal worden) gaf een bedrijfsblaadje uit aan verschillende tientallen bedrijven.

De vakbeweging

De CGT, strak omkaderd door de PCF, telde 1.400.000 leden. Force Ouvrière (een rechtse afsplitsing van de CGT in 1947) had 800.000 leden. De CFDT (een linkse splitsing van de christelijke CFTC) telde er 1.000.000. Ten slotte waren er nog 100.000 gesyndiceerden bij de CFTC. De syndicalisatiegraad was zwak: gemiddeld 24% (maar in de privé slechts 10 tot 15%).

Snelle toename van het aantal studenten

De kapitalistische expansie had kaders nodig. De universiteiten openden dan ook hun deuren voor steeds meer studenten. Tussen 1960 en 1968 was het aantal universiteitsstudenten gestegen van 100.000 naar 600.000. Maar de infrastructuur (auditoria, leszalen, labo’s, home’s en restaurants) volgde niet. Anderzijds voelden meer en meer studenten zich betrokken bij de oorlog in Vietnam: elke dag kon je op tv een oppermachtig Amerikaans leger zien dat oorlog voerde tegen een arm volk dat vocht voor zijn zelfstandigheid. De massale Amerikaanse bombardementen op Noord-Vietnam revolteerden heel wat jongeren. In februari 1968 lanceerde het Nationaal Bevrijdingsfront (FNL) een offensief in heel wat steden in Zuid-Vietnam (waaronder Saigon, waar de VS-ambassade door het FNL enkele uren kon bezet worden). Dit Têt-offensief (Têt is het Vietnamese nieuwjaar) werd uiteindelijk voor het FNL een militaire nederlaag maar tegelijk een grote politieke overwinning omdat het toonde dat het een offensief kon voeren in Zuid-Vietnam.

De studentenopstand breekt uit

Op 3 mei verzamelden enkele honderden studenten op de koer van de Sorbonne om een aantal studenten te steunen die bedreigd werden met sancties omwille van agitatie op de campus (onder meer Daniel Cohn-Bendit). De rector haalt er de politie bij die massaal toestroomt en de studenten die aan de Sorbonne verzamelden, arresteert. Spontaan stromen een paar duizend studenten toe, het komt tot gevechten met de politie. Op de avond van deze vrijdag 3 mei waren er al honderden arrestaties. De PCF valt publiek de «gauchistes» aan «die in de kaart spelen van de machthebbers en de reactie». Door zich zo op te stellen zal de PCF zich afsnijden van een gans deel van de geradicaliseerde jeugd.

Omdat de Sorbonne gesloten blijft en de politie in combatkledij het Quartier latin bezet, wordt er keer op keer betoogd door de studenten, met steeds meer volk (ook elders in het land). In de nacht van 10 op 11 mei komt er dan de «nacht van de barrikaden», zware confrontaties tussen de politie en de studenten, waarbij heel wat gewonden vallen.

Heel Frankrijk kijkt nu naar het Quartier latin. Tijdens het weekend kondigt Eerste Minister Pompidou de heropening van de Sorbonne aan voor de volgende maandag, de terugtrekking van de politie uit de studentenbuurt en de vrijlating van de veroordeelde en gevangen gezette studenten. De strijdbaarheid van de studenten heeft er dus toe geleid dat de regering moet inbinden. Het is een les die de arbeiders zullen onthouden. Des te meer omdat de gewelddadige politierepressie een deel van de publieke opinie voor de studenten heeft gewonnen.

De algemene staking

Op maandag 13 mei zijn er, na een oproep van alle vakbonden, massabetogingen in heel wat steden. In Parijs betogen meerdere honderdduizenden mensen. Waar de PCF op 3 mei nog uithaalde naar de studenten, zien de leiders van de CGT zich op 13 mei gedwongen aan het hoofd van de betoging op te stappen op enkele meters van de studentenleiders. Het zal niet de laatste verrassende gebeurtenis zijn  in Mei 68.

Op 14 mei breekt een staking met bedrijfsbezetting uit bij,Sud-Aviation, vlakbij Nantes. Een dag later, zelfde scenario bij Renault-Cléon waar de stakers de directie vast houden in het bedrijf… gedurende twee weken. Vanaf die datum wordt het onmogelijk de lijst bij te houden van de bedrijven die spontaan in staking gaan. In een eerste moment zijn ze de kluts kwijt door de spontaneïteit van de beweging, maar dan moedigen de vakbondsleiders de uitbreiding van de staking aan. Immers, het zou moeilijker geweest zijn in de toekomst de stakingen te stoppen als ze er zich te openlijk tegen zouden verzetten.

Op 18 mei waren er al 2 miljoen stakers. De dag erna stopt het Festival van Cannes uit solidariteit met de staking die zich blijft uitbreiden naar alle sectoren, met inbegrip van de openbare diensten en de ORTF. Op 22 mei zijn er 8 miljoen stakers. In elk bezet bedrijf (meer dan honderd° organiseert een stakingscomité de bezetting. De onderhandelingen gebeuren echter door de vakbondsafgevaardigden. Er zijn in het ganse land massale betogingen van arbeiders, studenten en boeren.

Algemene staking, onderhandelingen van Grenelle, politieke manoeuvres

De staking blijft zich verder uitbreiden. Er is geen telefoon meer, geen post, geen brandstofbevoorrading. OP 25 mei zijn er 9 miljoen stakers. Weinig voor de hand liggende sectoren sluiten zich aan bij de staking: de grootwarenhuizen, modewinkels, kappers. De voetballers bezetten zelfs de gebouwen van de Franse voetbalbond. Terwijl de studentenbetogingen steeds scherper worden (met gewelddadige incidenten in Parijs en Lyon), installeert in Nantes het centraal stakingscomité zich in het stadhuis waar het brandstofbonnen verdeelt voor de kleinhandelaars in voeding en het ophalen van het huisvuil organiseert.

Om een uitweg te vinden uit deze ongeziene situatie, vergaderen de regering, het patronaat en de vakbondsleiders in Grenelle. Ze proberen overeenstemming te bereiken over sociale toegevingen die een einde kunnen maken aan de staking. Een compromis komt tot stand: 10% loonsverhoging in twee etappes (7% + 3%), erkenning van de vakbonden op de arbeidsplaats, betaling van de gestaakte uren aan 50%. Maar bij Renault Billancourt verwerpen de arbeiders dit compromis omdat het voorziet dat de betaalde stakingsuren vervolgens progressief door het bedrijf zullen worden gerecupereerd.

De CFDT, de PSU en de studenten manifesteren samen in het zuiden van Parijs (monstermeeting in het Charlety-stadium). De PCF is van oordeel dat het gaat om een manoeuvre om haar buiten spel te zetten. Zij organiseert grote betogingen voor een «volksregering».

Politieke leegte, paniek, manœuvre van Mitterrand en gaullistische tegenaanval

Nadat hij tevergeefs geprobeerd had de beweging te ontwapenen door een referendum voor te stellen rond de «participatie», lijkt de Gaulle aan het einde van zijn Latijn. Op 29 mei verlaat hij in het geheim het Élysée en verdwijnt hij. Binnen de regering en bij de bourgeoisie heerst er paniek, niemand weet nog waar zich aan te houden. Sommige ministeriele kabinetten beginnen hun archieven te verbranden. Er van overtuigd dat de Gaulle niet meer zal terug keren, stelt Mitterand voor om een tijdelijke overgangsregering te vormen om de crisis te beheren en vervolgens nieuwe presidentsverkiezingen uit te schrijven.

Maar op 30 mei keert de Gaulle plots terug. Hij was in het geheim naar Duitsland gegaan (zelfs Pompidou was niet op de hoogte) om de steun te vragen van generaal Massu (commandant van de Franse troepen die in Duitsland gelegerd waren en die de Gaulle had geholpen de macht te grijpen in 1958), om zich er van te verzekeren dat het leger bereid was tussen te komen om de orde te herstellen. De Gaulle houdt een televisietoespraak waarin hij de ontbinding aankondigt van de Assemblée nationale en nieuwe verkiezingen in het vooruitzicht stelt. Hij beschuldigt de PCF ervan een «communistische dictatuur» te willen instellen. Hij roept ook zijn achterban op om op straat te komen  om hem te steunen en «comités ter verdediging van de Republiek» op te richten. 200.000 Betogers zullen voor de Gaulle op straat komen in Parijs.

De macht breekt de stakingen… met steun van de PCF

De terugkeer van de president van de Republiek en zijn toespraak raakt de geesten. In de zwakste sectoren tekent zich een begin van heropname van het werk af. Van haar kant beslist de PCF alles op alles te zetten om de komende verkiezingen te winnen, in de overtuiging dat het manœuvre van de Gaulle een toegeving is en een teken van zwakte. Hiertoe moet de staking zo snel mogelijk beëindigd worden. Op 6 juni luidt het in L’Humanité, de krant van de PCF: «Reprise victorieuse du travail dans l’unité», terwijl er op dat moment nog miljoenen stakers zijn.

Daar waar de stakingsbeweging verzwakt, zendt de regering de CRS, de beruchte oproerpolitie om de staking te breken. Bij de Renault-fabriek in Flins vallen de CRS aan. Op 10 juni duwen ze een maoïstische scholier in de Seine. Hij verdrinkt. Aan zijn begrafenis nemen 20.000 mensen deel. Bij de Peugeot-fabriek in Sochaux doden de CRS twee arbeiders, een door kogels, een door een traangasgranaat. Op 12 juni ontbindt de staat alle revolutionaire organisaties. Alain Krivine van de JCR en andere studentenleiders worden gevangen gezet.

Op 17 juni zijn er nog 300.000 stakers. Bij Citroën wordt het werk pas hervat op 25 juni. De ORTF zal uiteindelijk het laatste bedrijf zijn waar nog gestaakt wordt. Als straf worden meer dan honderd journalisten en technici ontslagen.

Bij de eerste ronde van de wetgevende verkiezingen zijn er 22% onthoudingen. Rechts behaalt 47% van de stemmen, de PCF 20%, de sociaaldemocratie 16%. Maar in de tweede ronde speelt het kiessysteem in het voordeel van de macht: rechts behaalt 358 afgevaardigden (tegenover 282 voorheen), de sociaaldemocratie 57 (voorheen 118) en de PCF 34 (voorheen 73). Een bittere pil voor de PCF die niet alleen de helft van haar parlementsleden verloor, maar bovendien een groot deel van de studerende jeugd en een deel van de voorhoede van de arbeidersklasse die de staking tot de finish wou voeren, van zich vervreemd had.

In juli stemmen de machthebbers de amnestie voor de leiders van de OAS (Organisation Armée Secrète), een extreemrechtse militie die begin jaren ’60 tegen de onafhankelijkheid van Algerije vochten en heel wat dodelijke aanslagen op hun geweten hadden.

Epiloog

De studentenrevolte en de spontane algemene staking zullen Frankrijk op termijn diepgaand beïnvloeden op sociaal en politiek vlak. De ontbonden revolutionaire organisaties komen spoedig opnieuw boven water en zien hun krachten vertienvoudigen. Tot midden jaren ’70 blijft een geest van strijdbaarheid, spontaneïteit en afkeer van autoriteit van bovenaf sterk aanwezig in de samenleving. De feministische beweging en de homo- en lesbienne-bewegingen ontstaan, de arbeiders van Lip bezetten hun fabriek en organiseren de productie in zelfbeheer, er is een opgang van mobilisaties rond het milieu. Een mooie overwinning, ook al lukte het niet om de gaullistische macht omver te gooien in juni 1968…

 

 

 

 

Voetnoten   [ + ]

1. L’économie française pendant la présidence du général de Gaule, Jean-Marcel Jeanneney, in Observations et diagnostics économiques, Paris, 1992.