Het marxisme heeft een moeilijke relatie met niet op klasse gebaseerde onderdrukking zoals op basis van gender en racisme. Voor de meesten is het historisch materialisme ‘racisme- en gender blind’, zodat het alleen maar een verklaring biedt voor klasse-uitbuiting. Degenen die in onze traditie werken hebben ofwel racisme en gender gereduceerd tot kapitalistische manipulatie, ofwel een aanpak vanuit kruispuntdenken* gehanteerd waarbij klasse, racisme en gender gescheiden, maar elkaar kruisende systemen van onderdrukking zijn.

Klassieke reductionisten verwarren vaak de historische voorwaarden voor het ontstaan van het kapitalisme met de noodzakelijke gevolgen van de reproductie ervan, waardoor ze niet in staat zijn het voortbestaan van racistische- en genderongelijkheid onder de werkende bevolking te verklaren. Benaderingen in het kader van het kruispuntdenken (1)Wij gebruiken hier de term kruispuntdenken als vertaling van intersectional. zijn niet in staat om de oorsprong van verschillende systemen van onderdrukking te verklaren, die lijkt voort te komen uit ofwel een niet nader gespecificeerde reeks ‘voorrechten’, ofwel uit kwade wil en slechte ideeën, ofwel uit een ‘functionele’ relatie van het kapitaal tot racistische en genderonderdrukking.

Beide benaderingen zijn gebaseerd op een simplistisch begrip van het marxisme. Zoals Lise Vogel betoogde in haar baanbrekende, maar lang genegeerde boek, Marxism and Women’s Oppression: Toward a Unified Theory, veronderstelt kapitalistische accumulatie de productie en reproductie van de speciale waar ‘arbeidskracht’. Ze vond de wortels van de genderonderdrukking in de organisatie van de reproductie van de arbeiderskracht in particuliere huishoudens/families in het kapitalisme.

Op dezelfde manier kan het opdelen van mensen nar ”ras” worden verklaard als een onbedoeld gevolg van de reproductie van kapitalistische sociale verhoudingen. Howard Botwinick heeft aangetoond dat door kapitalistische accumulatie en concurrentie de arbeidsomstandigheden, de lonen en de winstpercentages voortdurend van elkaar verschillen, waardoor de matrix voor de productie en reproductie van racistische onderdrukking ontstaat.

Accumulatie, gedreven door de mechanisatie van de productie, reproduceert voortdurend een reserveleger van arbeid en de mogelijkheid van arbeidsintensieve, laagbetaalde industrieën. De concurrentie, die opnieuw werd uitgevochten met wat Marx de ‘zware artillerie’ van het vaste kapitaal noemde, leidt ook tot heterogene productieprocessen binnen de industrieën, aangezien het kapitaal met oudere technieken die niet onmiddellijk kunnen worden opgegeven, probeert om concurrerend te blijven door lagere lonen te betalen en het arbeidsproces te intensiveren.

De voortdurende differentiatie van de arbeidsvoorwaarden, lonen en winsten binnen en tussen de productiesectoren vormt een uitdaging voor zowel het kapitaal als de arbeid. Aan de ene kant worden kapitalisten geconfronteerd met een massa arbeiders, die bijna allemaal (met een basisschoolniveau van lezen, schrijven en rekenen) de meeste taken kunnen uitvoeren. Kapitalisten wijzen spontaan ‘kenmerken’ toe om werknemers te differentiëren en hen te helpen de wachtrij voor werk te structureren.

Aan de andere kant staan werknemers, vooral wanneer vakbonden en andere ‘klasse’-organisaties zwak zijn, tegenover elkaar als concurrerende verkopers van hun arbeidskracht. Werknemers strijden voor banen met verschillende niveaus van stabiliteit, lonen en arbeidsomstandigheden; die verschillende mogelijkheden voor huisvesting, onderwijs en gezondheidszorg geven. Werknemers vinden ook spontaan ‘kenmerken’ uit die hen in staat stellen zich aan de kapitalisten te presenteren als ‘betrouwbaardere’ werknemers dan anderen.

De tegenstrijdige ervaring van kapitalistische sociale relaties maakt ”ras” – de ideologische notie dat de mensheid is verdeeld in verschillende groepen met onveranderlijke kenmerken – de logische manier voor kapitaal en arbeid om spontaan de concurrentie op de arbeidsmarkt te organiseren. Enerzijds vindt de uitbuiting onder het kapitalisme plaats door middel van de ‘gelijke uitwisseling’ van grondstoffen – de verkoop van arbeidskracht aan de kapitalisten als ‘waarde’. Terwijl de realiteit van uitbuiting wordt verhuld, bevordert het kopen en verkopen van arbeidskracht het idee van de gelijkheid van alle mensen.

Aan de andere kant leidt de realiteit van de accumulatie en de concurrentie voortdurend tot ongelijkheden tussen kapitaal en arbeid, en binnen de arbeidersklasse. Als alle mensen gelijk zijn, kan ongelijkheid alleen worden verklaard door te verwijzen naar onveranderlijke kenmerken die sommige groepen inherent superieur maken, andere inherent inferieur – naar ”ras” dus.

In tegenstelling tot de verklaringen van Cedric Robinson en anderen is racisme geen transhistorisch fenomeen. In pre-kapitalistische samenlevingen verschilden mensen van elkaar door categorieën als religie (‘heidenen en gelovigen’) en verwantschapsgemeenschap (‘vreemden en buren of verwanten’). Beide hebben de neiging om zeer flexibel en veranderlijk te zijn door middel van conversie, adoptie en dergelijke.

In pre-kapitalistische samenlevingen was er geen behoefte aan het begrip ”ras”, omdat ongelijkheid wettelijk en juridisch was vastgelegd in de klassenverhoudingen en werd verondersteld de natuurlijke toestand van de mensheid te zijn. Alleen in het kapitalisme, en zijn veronderstelling van humane kwaliteit, moet de werkelijke ongelijkheid worden verklaard door de notie van ”rassen”.

Op het Iberisch schiereiland ontstond een vorm van proto-racisme al vóór de opkomst van het kapitalisme. In de late veertiende en vroege vijftiende eeuw definieerden absolutistische monarchieën in Castilië en Aragon, uit angst dat bekeerde joden en moslims in het geheim hun religieuze rituelen in stand hielden, alleen christenen van ‘zuiver bloed’ die in aanmerking kwamen voor het beroep van belastingambtenaar.

Pas bij de groei van het aantal tot slaafgemaakten Afrikanen in Virginia, aan het einde van de zeventiende eeuw, kristalliseert het begrip ras zich uit. Hoewel slavernij al duizenden jaren bestond, was het voorheen een van de vele verschillende vormen van onvrije arbeid (lijfeigenschap, slavernij, enzovoort), en had het ook geen speciale uitleg nodig. In het kielzog van de Rebellie van Bacon in 1676 verdwijnen in Virginia de gedwongen tewerkstelling en andere vormen van onvrije arbeid, waardoor in het begin van de achttiende eeuw alleen nog mensen van Afrikaanse afkomst onvrij zijn. Hier leken vrijheid en gelijkheid voor het eerst de ‘natuurlijke’ toestand van de mens te zijn, waardoor een begrip van intrinsieke en permanente verschillen vereist werd als verklaring waarom veel  Afrikaanse mensen toch onvrij bleven.

Noties van ras en racisme verdwenen niet door de afschaffing van de slavernij in de negentiende eeuw in de Nieuwe Wereld, maar werden in plaats daarvan veralgemeend over de kapitalistische wereld. De specifieke termen van de racistische ideologie, welke specifieke kenmerken sommige groepen superieur en andere inferieur maakten, evolueerden met veranderende klassenrelaties en differentiatie. Terwijl geracialiseerde slaven werden gezien als ondankbaar, onbetrouwbaar en dom, werden geracialiseerde loonarbeiders als ongedisciplineerd, onregelmatig en opvliegende werknemers gezien. In de koloniale wereld rechtvaardigde het vermeende ‘onvermogen’ van de inheemse bevolking om de landbouw ‘te verbeteren’ de toe-eigening van land en middelen door de kolonisten.

In de VS leidt de concurrentie tussen werknemers vandaag de dag tot systematische racistische ongelijkheid tussen werknemers. Mensen van kleur zijn voortdurend oververtegenwoordigd in het reserveleger van arbeidskrachten, die voortdurend te maken hebben met hogere werkloosheidscijfers, met meer onderbezetting en armoede dan witte arbeiders. Afro-Amerikanen en Latino’s zijn ook oververtegenwoordigd in arbeidsintensieve sectoren van de economie met lage lonen, zoals de thuiszorg, de verpleging, de vleesverwerking, de opslag, de textielindustrie en de detailhandel.

Als we ”ras” als fundament in de reproductie van het kapitalisme erkennen, stelt ons dat in staat om te begrijpen dat een arbeidersbeweging die racistische verschillen overstijgt niet spontaan tot stand kan komen. Het vereist niet alleen een strijd voor universele, klasse-brede eisen voor hogere lonen, meer werkzekerheid, universele gezondheidszorg, et cetera, maar het vereist ook specifiek anti-racistische strijd voor status in fabriek en bedrijfstak, positieve actie bij aanwerving en promotie, legalisering en een pad naar burgerschap voor werknemers zonder papieren en een einde aan racisme, pesterijen en dergelijke.

Sterke vakbonden en andere klasse-organisaties zijn noodzakelijk, maar niet voldoende om de racistische verdeeldheid te overwinnen. De zelforganisatie van arbeiders van kleur, van de Brotherhood of Sleeping Car Porters tot de Negro American Labor Council en zwarte en Latino groepen in vakbonden, is een sleutelelement in de opbouw van een arbeidersbeweging die racisme overstijgt.

Ten slotte zijn ook niet-werkplaats gebonden bewegingen tegen racistische politiemoorden, voor woon- en onderwijsintegratie en dergelijke noodzakelijk. Eenvoudig gezegd, effectieve klasse-organisatie en -politiek – het smeden van de eenheid van de arbeidersklasse tegen de achtergrond van de voortdurende reproductie van de rassenscheiding door het kapitalisme – moet ook antiracisme omvatten.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op Marxist sociology blog. Nederlandse vertaling: redactie Grenzeloos.

Voetnoten   [ + ]

1. Wij gebruiken hier de term kruispuntdenken als vertaling van intersectional.