In de huidige, hete Europese sociale herfst met een golf van stakingen is België beslist geen uitzondering. De algemene staking, 9 november 2022, waartoe de drie vakbonden besloten, is het product van opgehoopte woede en volgt op eerdere mobilisaties.

Al op 21 september 2022 veranderde in Brussel een symbolische betoging van de vakbonden in een demonstratie als antwoord op het ongeduld van de actievoerders. De algemene staking van 9 november 2022 legde het land plat en was een groot succes. De deelname was enorm, zowel in de particuliere als de publieke sector. Opvallend en veelzeggend was dat kleine winkeliers en veel zelfstandigen zich aansloten bij de werkne(e)m(st)ers in loondienst.

Loonindexatie en loonnorm

Meerdere landen wisten tot de jaren tachtig hun verworven automatische prijscompensatie te behouden. In België zijn de vakbonden, dankzij hun hardnekkige en vastberaden opstelling, erin geslaagd om als één van de weinige landen (samen met Luxemburg en Malta) deze koppeling tussen lonen, pensioenen, sociale uitkeringen en kosten van levensonderhoud te handhaven. Aan deze indexering zijn werknemers erg gehecht. Hierdoor hebben zij (relatief) hun koopkracht weten te behouden die tevens een sociale buffer was tijdens de economische neergang.(1)In België is de loonindexering diep geworteld in de geschiedenis van de arbeidersklasse. Al in de jaren 1920 voorzag 13 procent van de cao’s in een automatische loonindexering. In ruil voor het behoud van de prijscompensatie moesten de vakbonden echter instemmen met de goedkeuring van ‘de wet van 1996’ die het mogelijk maakt een loonnorm vast te stellen.

Het doel van deze norm is om het Belgische bedrijfsleven concurrerend te laten zijn ten opzichte van Frankrijk, Duitsland en Nederland. Loonstijgingen bovenop de prijscompensatie waren in eerste instantie een indicatie, later bindend en vervolgens in 2017 aangescherpt door de rechtse regering onder leiding van Charles Michel [sinds december 2019, voorzitter van de Europese Raad].

Daling koopkracht

In het sterk geïnstitutionaliseerd systeem van arbeidsverhoudingen in België komen vertegenwoordigers van vakbonden en ondernemers om de twee jaar bijeen om een collectieve overeenkomst te sluiten. Deze geldt voor de gehele privésector en dient als kader voor de onderhandelingen op het niveau van de sector en het afzonderlijke bedrijf. De ABVV heeft herhaaldelijk geweigerd de overeenkomst te ondertekenen vanwege de beperkte onderhandelingsmarge die de loonnorm toelaat en roept op tot afschaffing van de wet van 1996.

Dit jaar kwamen de drie vakbonden in opstand, nadat ze geconfronteerd waren met een onderhandelingsmarge van 0 procent, plus ongeveer de hoogste gas- en elektriciteitsprijzen in Europa.

De woede en het ongeduld, als gevolg van de nood onder grote groepen werknemers, lieten geen andere keuze toe dan een algemene staking uit te roepen. De koopkrachtdaling bracht immers de bonden in een onhoudbare en onaanvaardbare situatie – versterkt door de ontoereikende overheidssteun om de energierekening van huishoudens op te vangen. Daar tegenover stond dat bedrijven gesteund werden met forse maatregelen. Met name de algehele verlaging van de bijdrage van de ondernemers stelden de bonden aan de kaak. Ze zagen het als een geschenk aan de bedrijven met hun enorme winsten, ten koste van de sociale zekerheid.

Terwijl de ondernemers benadrukten dat de bescherming van de Belgische werknemers via de indexatie hun concurrentiekracht aantast, hielden de bonden vast aan de beperkte werking van die bescherming. Weliswaar zijn bepaalde producten als brandstoffen uit de index gehaald, maar er is ook een tijdsverloop (variërend per sectorakkoord) tussen de prijsstijging en de omrekening daarvan in de lonen. Hierdoor compenseert de loonindex de prijsstijging slechts gedeeltelijk. Bovendien heeft de de tijdelijke blokkade van de index door de regering van Michel in 2015 geleid tot een structurele loondaling. De bescherming van de positie van de werknemers via het systeem van indexatie voorkomt echter de daling van hun koopkracht niet.

Regering in problemen

Het succes van de algemene staking zet de regering onder druk. Ze bestaat uit een heterogene alliantie van zeven partijen en wordt verscheurd door de polarisatie tussen de liberalen (rechts) en de socialisten en ecologen (centrumlinks). De socialisten zeggen voorstander te zijn van de eis van de vakbonden om het standaardloon, zoals voorheen, te koppelen aan de kosten van levensonderhoud. De liberalen daarentegen willen elke wijziging van de wet van 1996 afhankelijk maken van de afschaffing van de loonindexering.(2)De vakbonden moesten in ruil voor de handhaving van de indexatie van de lonen aan de prijzen aanvaarden dat er een wet werd aangenomen (‘wet van 1996’). Deze maakte het mogelijk een loonnorm vast te stellen om het concurrentievermogen van de bedrijven te vrijwaren ten opzichte van Frankrijk, Duitsland en Nederland en blokkeert daarmee loonstijgingen die niet gekoppeld zijn aan de index.

De vakbonden erkennen de noodzaak maatregelen te treffen ten gunste van kleine en middelgrote ondernemingen die de stijging van de energieprijzen niet aankunnen. De werkgeversorganisatie, het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO), weigert elke loononderhandeling. Het VBO doet dat door ondernemingen en sectoren, die recorddividenden uitkeren aan aandeelhouders en aanzienlijke winsten binnenhalen, gelijk te stellen aan kleine en middelgrote ondernemingen die in moeilijkheden verkeren.

De stakers voelen dit als een provocatie. De socialisten, gebonden door hun akkoord met de liberalen in de regering, lijken niet in staat om de versoepeling van de wet van 1996 er door te krijgen. Dit zou de weg openen voor loononderhandelingen in sectoren met mogelijkheden. Hooguit lijkt een compromis, bestaande uit een uit te keren bonus aan werknemers in substantieel winstgevende sectoren, het best mogelijke akkoord met de overheid.

Salaris, geen bonus

Het valt te betwijfelen of de werknemers, toch al getekend door de slechte ervaring van de ‘Covid bonussen’, tevreden kunnen zijn met een dergelijk compromis. Bonussen en eenmalige cheques die op grote schaal door regeringen worden toegepast om de volkswoede te sussen, zijn niet bepaald geruststellend. Met lage lonen dragen bonussen niet bij aan de hoogte van de pensioenen of de financiering van de sociale zekerheid. Ze stellen werknemers die zich zorgen maken over hun toekomst niet gerust.

Een compromis over bonussen zou de volkswoede alleen maar vergroten. De automatische indexering van de lonen is een verworvenheid die het mogelijk maakt de koopkracht van de arbeiders te behouden – zij het onvoldoende. Ondanks de voortdurende aanvallen van het bedrijfsleven en de politieke rechterzijde die een einde willen maken aan het systeem van indexatie, weet het niet aflatende verzet van de werknemers dat tegen te houden. Dat is een onbetwistbare kracht in België. Daar tegenover staat dat de wetgeving van 1996 die de onderhandeling ondergeschikt maakt aan de loonnorm, tot een verlamming leidt van de loononderhandelingen.

De algemene staking van 9 november toont de omvang van de sociale crisis die het land verdeelt. In een land in crisis, diep verdeeld en met politieke formaties die van binnenuit verzwakt en ondermijnd zijn, heeft de sociale dimensie alle voorrang. De algemene staking in België maakt deel uit van de terugkeer van grootschalige, sociale mobilisaties die door heel Europa trekt (onder meer in het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland en Griekenland).

De eerder weggevaagde en door de politiek gedomineerde vakbeweging staat nu op de voorgrond. Daarmee is de horizon niet alleen verzadigd door de opkomst van extreemrechtse populistische/nationalistische krachten in Europa. De huidige sociale botsing kan tot nieuwe perspectieven leiden.

Dit artikel verscbeen oorspronkelijk op International Vvewpoint. Nederlandse vertaling/bewerking: Roland Siebe voor Solidariteit.

 

Voetnoten

Voetnoten
1 In België is de loonindexering diep geworteld in de geschiedenis van de arbeidersklasse. Al in de jaren 1920 voorzag 13 procent van de cao’s in een automatische loonindexering.
2 De vakbonden moesten in ruil voor de handhaving van de indexatie van de lonen aan de prijzen aanvaarden dat er een wet werd aangenomen (‘wet van 1996’). Deze maakte het mogelijk een loonnorm vast te stellen om het concurrentievermogen van de bedrijven te vrijwaren ten opzichte van Frankrijk, Duitsland en Nederland en blokkeert daarmee loonstijgingen die niet gekoppeld zijn aan de index.