Afscheid van beroepsmilitant Fons Van Cleempoel (3 juli 1947 – 2 oktober 2022)

Op zondag 2 oktober 2022 overleed Fons Van Cleempoel op 75-jarige leeftijd. Fons was een uitzonderlijk activist van de linkse beweging, een ware beroepsmilitant. Gedurende lange tijd maakte hij ook deel uit van de verschillende incarnaties, die de Belgische afdeling van de Vierde Internationale doormaakte in de naoorlogse periode. Fons was jarenlang actief, vooral in vakbond en rond antifascisme, maar ook op allerlei andere manieren en terreinen. Hij was daardoor een inspiratie voor velen. Voor mij persoonlijk was hij een echte leermeester.

Entrisme

Reeds op zeer jonge leeftijd raakte Fons in 1962 betrokken bij de solidariteit met de strijd van het Algerijnse volk tegen de Franse, kolonialistische onderdrukking. Die betrokkenheid kwam er doorheen zijn lidmaatschap van de Federatie van Socialistische Studenten van België (FSSB),  de toenmalige tweetalige en  unitaire jeugdorganisatie van de Belgische Socialistische Partij (BSP – later SP, sp.a en vandaag Vooruit). In die tijd woedde de ‘Koude Oorlog’ voluit. Het was over het algemeen een zeer ongunstige periode om je radicaal links op te stellen. Om die reden gingen de Europese afdelingen van de Vierde Internationale over tot een politiek van ‘entrisme’ – intrede – in de bestaande grote arbeiderspartijen. Doel was contact te houden met de reële, materiële krachten binnen de arbeidersbeweging en deze, zo mogelijk, inhoudelijk te beïnvloeden. In België betekende dit intrede in de BSP en in haar jeugdorganisaties: in Franstalig België de Jeunes Gardes Socialiste (JGS), in Vlaanderen de Jongsocialisten en daarnaast dus ook de FSSB. Het is via die laatste FSSB dat Fons kennis maakte met en sterk beïnvloed werd door kameraden zoals Guy Desolre, Emile Van Keulen en vooral Ernest Mandel. Hun revolutionair antikapitalistisch en internationalistisch gedachtegoed – dat zich onder andere uitdrukte in hun steun aan het Algerijnse verzet – maakte op Fons grote indruk.

Uitsluitingsperikelen

Amper enkele jaren later (in 1964) besliste het congres van de BSP om komaf te maken met de invloedrijke linkse opposanten in eigen rangen. Op het zogenaamde ‘Onverenigbaarheidscongres’ werd het lidmaatschap van de BSP ontnomen aan medewerkers van de linkse weekbladen ‘La Gauche’ en ‘Links’, net als aan leden van de JGS. La Gauche verliet daarop met slaande trom de partij. De redactie van Links verkoos in meerderheid binnen de partij te blijven en slechts een minderheid nam ontslag. De militante (en Franstalige) JGS verliet samen met La Gauche de partij, terwijl de (Vlaamse) Jongsocialisten heel braaf binnen de partij bleven. Bij de studenten van de unitair-Belgische FSSB bleek er een militante linkse meerderheid te zijn – waaronder ook de ‘entristen’ van de Vierde Internationale. Ook zij vlogen uit de BSP. Door dit alles was er aan Franstalige kant voor de uitgesloten linkerzijde een meerderheid bij de studenten van de FSSB, net als bij de jongerenorganisatie JGS. Aan Vlaamse kant was er alleen bij de studenten van de FSSB zo’n meerderheid. Daarom werd in 1965 door de uitgesloten linkerzijde beslist de SJW terug op te richten. Daarmee werd terug aangesloten bij een sterke historische traditie.

Herstichting van de SJW

Voor de Tweede Wereldoorlog had de unitaire Belgische Werkliedenpartij een unitair-Belgische jongerenorganisatie: Jeunes Gardes Socialistes – Socialistische Jonge Wacht, opgericht aan het einde van de 19° eeuw. Deze waren zeer militant, niet erg partijgetrouw, hevig antimilitaristisch – in de traditie van het ‘gebroken geweer’ – hevig antifascistisch en zeer kritisch naar sociaaldemocratische regeringsdeelnames. Uiteraard heeft de Duitse bezetter tijdens Wereldoorlog II deze organisatie ontbonden en verboden. Na de oorlog werd enkel langs Franstalige kant de JGS opnieuw opgericht, zeer militant en zeer kritisch tegenover de moederpartij PSB. Aan Nederlandstalige kant richtte de BSP een nieuwe partij- en gezagsgetrouwe jongerenorganisatie op: de Jongsocialisten. Daardoor bestond de SJW na de oorlog dus niet meer langs Nederlandstalige kant. Zoals gezegd beslisten de uitgesloten linkse jongeren dus in 1965 om de Nederlandstalige SJW opnieuw op te richten. In het begin waren er enkel kernen in Gent (met Eddy Labeau, André Carlier, Josiane en anderen) en in Antwerpen (met Fons Van Cleempoel, Michel Morantin, Frank De Smet, Dora Mols, Inez en Kris Van Gijsel en anderen). Met de JGS vormde de SJW toen terug een nationale organisatie, die zeer actief was (anti-atoommarscomité, Vietnamcomité, enz.), maar die ook internationaal van zich deed spreken – onder meer door het organiseren in 1967 van ‘de conferentie van Brussel’, samen met de Franse Jeunesses Communiste Révolutionnaire (JCR), Nederlanders, Italianen, en de Duitse Sozialistische Deutsche Studenten (SDS), met onder andere Rudi Dutschke – waarmee in februari 1968 in Berlijn een solidariteitsweekend met Vietnam georganiseerd werd, met 30.000 deelnemers! De uitgesloten linkerzijde – met Fons in haar rangen – bleef dus bepaald niet bij de pakken zitten en ging haar eigen weg.

‘Nieuwe brede voorhoede’

Dit alles was niet toevallig. In het midden van de jaren 1960 integreerde de traditionele sociaaldemocratie zich meer en meer in de bestaande structuren van de West-Europese kapitalistische staten. Tegelijk ontplooide de jonge babyboom-generatie zich steeds nadrukkelijker in linkse richting. Voor die generatie vormden de communistische partijen geen aantrekkelijk alternatief; gebonden als deze waren aan het repressieve en ook bureaucratische karakter van het door het stalinisme getekende Sovjetregime. Als gevolg daarvan ontstond wat de Vierde Internationale omschreef als een ‘nieuwe brede voorhoede’, die nadrukkelijk naar voor kwam bij jonge studenten en arbeiders. In de jaren die volgden zal deze ‘nieuwe brede voorhoede’ zich manifesteren via steeds grootschaliger acties, op een groeiend aantal terreinen – van arbeiders- en studentenstrijd, over verzet tegen oorlog en fascisme, in solidariteit met de antikoloniale revoluties in Cuba, Vietnam, Angola, enz., tot feminisme en homobevrijding. Telkens naast en in oppositie tot wat omschreven werd als ‘de gevestigde apparaten’ van vakbonden en partijen. Mei 1968 geldt als de beste (hoewel lang niet de enige) uiting van deze ‘nieuwe brede voorhoede’ tegenover de veelal  patriarchale en bureaucratische aanpak van die ‘gevestigde apparaten’.

Van SJW tot RAL

Het was onvermijdelijk dat een radicaal linkse organisatie als de SJW hierin niet alleen een vooraanstaande rol moest spelen, maar dat ze zich ook verder moest ontwikkelen. Als gevolg daarvan integreerde de SJW zich in meerdere initiatieven, die alle tot doel hadden de revolutionair-socialistische krachten in België te verenigen. Na allerlei (soms ingewikkelde) perikelen werd in 1971 overgegaan tot de stichting van de Revolutionaire Arbeidersliga (RAL, later SAP en vandaag SAP – Antikapitalisten), met de SJW als haar jeugdorganisatie. In de archieven van Fons – die geraadpleegd kunnen worden bij het AMSAB – Instituut voor Sociale Geschiedenis – kan heel deze evolutie haarfijn opgevolgd worden.

Beroepsmilitant

Fons groeide uit tot een overtuigd marxist, die moeiteloos zelfstandig de dikwijls ingewikkelde internationale en nationale politiek kon begrijpen, duiden en zijn inzichten ook kon overbrengen naar anderen. Niemand blijft natuurlijk eeuwig student en Fons dus ook niet. Na enkele jaren les te hebben gegeven in het onderwijs ging Fons werken voor de stad Antwerpen, meer bepaald als assistent in het Volkskundemuseum (sinds 2007 opgegaan in het Museum aan de Stroom of MAS). Als volleerd beroepsmilitant deed Fons natuurlijk meer dan enkel het vervullen van museale taken. Hij schakelde zich in bij de vakbondswerking van de ACOD-LRB-Antwerpen (de socialistische vakbond van het gemeentepersoneel van Antwerpen). Daar begon hij al snel op te vallen. Daar waren verschillende redenen voor. Om te beginnen was Fons een beetje een kleurrijk figuur. Hij liep in winter en zomer steevast rond met een opengeknoopt hemd, waardoor de mannen van de vuilkar (de Stadsreinigingsdienst, dus) hem algauw de bijnaam ‘Blote Fons’ toekenden – iets waar hij wel wat trots op leek. Daarnaast was er zijn redenaarstalent, gekoppeld aan de ijzersterke logica die hij al sprekend wist te ontplooien. Vakbondsvergaderingen, die verliepen onder zijn inspirerend voorzitterschap, ontpopten zich gaandeweg tot kleine bolwerken van uiterst gemotiveerde, linkse syndicalisten. Gaandeweg stroomden dezen ook door naar de meer overkoepelende vakbondsstructuren, om ook daar hun stem te laten horen.

Stakingsleider

Fons’ syndicalisme beperkte zich wel niet tot dergelijke eerder interne activiteiten. Als hoofdafgevaardigde van het museumpersoneel stond hij mee aan de wieg van regelmatig herhaalde  stakingen tegen het aanhoudende personeelsgebrek in de stedelijke musea. Daarbij wachtten Fons en de hem omringende militanten dikwijls niet op een formele goedkeuring vanwege de vakbondsleiding. Op een keer vroeg ik hem wat toenmalig secretaris Guy Lauwers eigenlijk vond van een van die (schijnbaar spontane, maar eigenlijk zeer goed voorbereide) stakingen. Fons’ antwoord was kenschetsend: “Dat zal Guy in de gazet lezen, he.” Het spreekt voor zich dat Fons bij sommige schepenen van het stadsbestuur door deze acties niet echt populair werd. Sommigen zegden weleens dat deze acties van het museumpersoneel corporatistisch (1)Corporatisme is een vorm van groepsegoïsme, waarbij men enkel opkomt voor de belangen van een enge groep of categorie binnen het grotere personeelsgeheel. van aard waren. Dat is echter een vergissing. De volgehouden acties in de musea creëerden vooral een krachtsverhouding, die ook andere groepen van het stadspersoneel ten goede kwam.

Keerpunt

Vanaf het begin van de jaren 1970 begon de maatschappelijke wind te keren. De onderliggende redenen daarvoor had de marxistische econoom Ernest Mandel grondig uiteengezet in zijn boek ‘Het Laatkapitalisme’. Mandel betoogde dat de naoorlogse lange opgaande golf van de kapitalistische ontwikkeling op haar einde liep. Hij voorspelde een relatief snelle omslag naar een lange golf met stagnerende tendens. Veel gevestigde economen lachten de marxist Mandel vierkant uit, tot… de omslag zich nadrukkelijk manifesteerde in de nasleep van de zogenaamde ‘oliecrisis’ van 1973. De gevolgen van deze wereldwijde omslag bleven niet uit. In Chili greep generaal Pinochet op 11 september 1973 de macht en begon onmiddellijk met een radicale, neoliberale politiek ten koste van de werkende mensen, gekoppeld aan grootschalige en moorddadige repressie.  Het spook van het fascisme deed daarmee opnieuw zijn intrede. Tegelijk werd er wereldwijd strijd gevoerd, zoals bijvoorbeeld bij de bezetting (in november 1973) door studenten van de Technische Hogescholen van Athene en Thessaloniki, tegen het Griekse kolonelsregime. Eerder was er al de heropleving van de Palestijnse bevrijdingsstrijd. Overal ter wereld ontstonden solidariteitsinitiatieven, met Chili, Griekenland en Palestina, naast vele anderen. Dat was ook in Antwerpen het geval en Fons was daar telkens bij betrokken – in de stad Antwerpen zelf, maar ook in de (toen nog niet gefuseerde) randgemeente Ekeren, waar hij woonde.

Antifascisme

Het werd al gauw duidelijk dat niet volstaan kon worden met het bieden van hulp aan Chileense ballingen (hoe noodzakelijk dat uiteraard wel was!) of met uiteenlopende betogingen. Er was meer nodig om de dreigende opgang van fascistische tendensen het hoofd te bieden. Fons was zeer goed op de hoogte van Trotsky’s analyses van het fascisme en van diens strategie om het te bestrijden. Hij was er dan ook van overtuigd dat het bezweren van het fascistische monster enkel kon lukken door het zoveel mogelijk verenigen van arbeidersbeweging en linkerzijde. Wars van elk sektarisme, nam Fons samen met Rudolf Rysbrack (destijds actief bij de Jongsocialisten), Ed Steffens (toen actief in meerdere solidariteitsbewegingen) en anderen het initiatief tot oprichting van het Anti-Fascistisch Front (AFF). Voor Fons waren er twee zaken van levensbelang voor de actie van dat AFF: de zichtbaarheid op straat van een massaal antifascisme (door het organiseren van jaarlijkse massabetogingen) en de actieve betrokkenheid van de arbeidersbeweging daarbij. Dat laatste werd als volgt verwoord in de beginselverklaring van het AFF: [de antifascistische strijd is] “onlosmakelijk verbonden met de strijd tegen (uitwassen van) het kapitalisme overal ter wereld.” Het betrekken van de arbeidersbeweging  lukte Fons dankzij zijn uitstekende contacten met vooraanstaande verantwoordelijken binnen ACOD en ABVV. Beide aspecten versterkten uiteraard elkaar. In het begin van de jaren 1990 vormde het AFF zich om tot een ledenbeweging (waar Fons niet blij mee was), maar begon daarna stilaan weg te deemsteren. Naast het AFF werd in 1983 dan weer de Stichting Anti-Fascisme (SAF) opgericht, later omgedoopt tot Steunpunt Anti-Fascisme, met als bedoeling “nieuwe en bestaande antifascistische initiatieven te ondersteunen.” Fons schakelde zich mee in. Onder meer door in 2019 de inleiding te verzorgen bij een in infodag over verzet en collaboratie tijdens Wereldoorlog II en in 2020 nogmaals te verduidelijken waarom antifascisme vandaag nodig is en blijft.

Verzet tegen soberheidspolitiek

De neoliberale omslag bracht niet alleen antidemocratische gevaren en sociale achteruitgang met zich mee. Er was in België ook verzet. Zo organiseerden de twee grote vakbonden ABVV en ACV in 1977 een campagne tegen de bezuinigingsplannen van de regering Tindemans. Met opeenvolgende provinciale vrijdagstakingen werd de regering tot ontslag gedwongen. Men kan zich vandaag moeilijk de impact voorstellen van die vrijdagstakingen. De campagne begon in de provincies Antwerpen en Luik, waar het openbare leven volstrekt tot stilstand kwam. In Antwerpen legden zelfs de stedelijke politieagenten (georganiseerd door de ACOD-LRB) het werk massaal neer. Met als gevolg dat het verkeer op de kruispunten geregeld werd door vakbondsmilitanten met rood-groene armbanden. Zoals Fons na het ontslag van de regering opmerkte “is het onmogelijk te regeren tegen de wil van de vakbonden.” Helaas zou de eensgezinde strijdvaardigheid van het gemeenschappelijk vakbondsfront in de daarop volgende jaren afbrokkelen.

Volmachten

In 1976 werd er op nationale (Belgische) schaal een grote fusieoperatie van de gemeenten doorgevoerd. Als gevolg daarvan werden de schulden van de gefuseerde gemeenten overgenomen door de Belgische staat. Om politieke redenen werd de fusie van de stad Antwerpen met zeven randgemeenten echter uitgesteld tot 1983. Tegen die tijd was de regering Martens-Gol-Verhofstadt aan de macht; een regering die middels volmachten een hard besparingsbeleid voerde. Bij volmachtsbesluit nr. 110 – ofwel het ‘KB Nothomb’ – werd aan alle gemeenten het bereiken van een begrotingsevenwicht opgelegd. Die politiek betekende aan de ene kant een frontale botsing met het concept van de ‘gemeentelijke autonomie’ en aan de andere kant een onverholen aanval op het syndicale bolwerk van de ACOD bij de stad Antwerpen. Fons verdiepte zich, samen met andere  syndicalisten, in beide kwesties.

Saneringsplan

Al gauw werd hen duidelijk dat het nodig was op brede schaal te sensibiliseren. Daar werd op meerdere niveaus aan gewerkt. Aan de ene kant werd een doorwrocht alternatief voor de sanering van de Antwerpse stadsfinanciën uitgewerkt – het ACOD-alternatief – waar Fons een grote inbreng in had. Blikvangers in dat alternatief waren enerzijds het instellen van een moratorium op de betaling van intrestlasten op de stadsschuld en anderzijds het opleggen van een gedwongen crisislening aan bedrijven, banken en holdings. Aan dit alternatief plan werd met een ACOD-actiekrant een campagne gekoppeld ter sensibilisering van stads- en onderwijzend personeel en van de bevolking. Daarnaast lanceerde de ACOD-LRB-Antwerpen in 1982 met ‘De Basis’ ook een eigen blad. In dat tijdschrift werd niet louter ingegaan op de gebruikelijke vakbondsthema’s. Er werd ook ruim aandacht besteed aan bredere maatschappelijke problemen, zoals het belang van de gemeentelijke autonomie, antifascisme en antiracisme, internationale solidariteit, enz. Voor ‘De Basis’ verzorgde Fons ook meerdere artikels over culturele thema’s. Al deze initiatieven samen legden een stevige basis voor de onvermijdelijke confrontatie met de volmachtenregering. Die confrontatie kwam er ook.

Septemberstaking en stakerscomité

In september 1983 presenteerde de Antwerpse ACOD haar alternatief voor het lokale saneringsplan.

In diezelfde maand brak bij de spoormannen in Charleroi een spontane staking uit tegen de inleveringspolitiek van de volmachtenregering. Die staking sloeg al snel over naar alle openbare diensten in België. De spontane actie verkreeg in Antwerpen met het ACOD-alternatief ook een concreet en verregaand programma. Dat leidde tot groot enthousiasme – enthousiasme dat zich ook organisatorisch vertaalde. Onder impuls van wat de SAP omschreef als de ‘syndicale linkerzijde’ bij het stadspersoneel en het stedelijk onderwijs werd de staking georganiseerd via een stakerscomité, bestaande uit militanten en secretarissen (en dus niet via de bestaande vakbondsstructuren). In dit stakerscomité vervulde Fons, zoals gebruikelijk, zijn rol als animator en aanvuurder. De impact van het stakingscomité was zo groot, dat de staking in de stad Antwerpen langer duurde dan elders. Mee dankzij dit dynamisme werd de beslissing om de lonen van de ambtenaren uit te betalen na gedane arbeid (en niet vooraf) niet doorgevoerd bij het Antwerpse stadsbestuur. Deze plaatselijke en gedeeltelijke overwinning kon helaas niet verhelpen dat de staking toch uitliep op een globale nederlaag, voornamelijk omdat de actie niet veralgemeend werd naar de privésector toe, terwijl de toen oppositionele SP stilzwijgend op het balkon bleef toekijken.

Eenheidsstreven

Het reeds vermelde keerpunt in het midden van de jaren 1970, gekoppeld aan de elkaar opvolgende sociale en politieke nederlagen (nog versterkt door de implosie van de Sovjet-Unie in 1992), veroorzaakten bij steeds meer militanten van de radicale linkerzijde een zogenaamde ‘crisis van het militantisme’. Radicaal-linkse organisaties, zoals SAP en PVDA, verloren stevig aan slagkracht, wat zich onder meer ook uitdrukte in de achteruitgang in de kwaliteit van hun publicaties, die volgens Fons “bijna fysiek onleesbaar zijn: recht op SAP of PVDA-lectuur heb je slechts als gevorderd masochist.” Voor diegenen die – zoals Fons – ondertussen in brede kring respect en waardering hadden verkregen, werd de neiging om zelfstandig op te treden, zonder de ‘klein-linkse ballast’, steeds groter. Onwillekeurig denken sommigen daarbij wellicht aan Isaac Deutschers pleidooi om de militante activiteit “terug te brengen tot de functie van een vuurtoren.” Daar was Fons echter teveel beroepsmilitant voor. Hij bleef trouw aan zijn inzichten inzake de noodzaak van eenheid (of toch minstens samenwerking) ter linkerzijde. Dit eenheidsstreven nam bij Fons verschillende vormen aan. Zo nam hij in 1982 deel aan een (weliswaar mislukt) streven om met FM2000 te komen tot een progressieve radiozender, die de standpunten van vakbonden en linkse politieke partijen of groepen kon vertolken naar een breed publiek toe. In Ekeren, waar Fons woonde, ondersteunde hij de werking van de Ekerse Vooruitstrevende Aktiegroep EVA, een lokale poging tot linkse frontvorming. Op de achtergrond was Fons ook betrokken bij de Ecologisch Linkse Alliantie (ELA) – ook wel gekend als de ‘Eenheidslijst Antwerpen’ – waar naast leden van RAL en KPB ook ecologisten als Mieke Vogels en Eddy Boutmans in aanwezig waren. Daarnaast bleef Fons ook goede contacten onderhouden met mensen in SP en KPB. Tenslotte begon Fons zich vanaf 1981 te verdiepen in de georganiseerde vrijzinnigheid. Hij bestudeerde niet alleen werking en wortels van het Humanistisch Verbond, maar ook die van de vrijmetselaars. Tegelijk bleef hij  weinig vertrouwen hebben in de geheimdoenerij van die laatsten, waarbij hij opmerkte “dat het waarschijnlijk geen toeval is dat Trotsky’s in de gevangenis geschreven studie van de vrijmetselaars tot op heden onvindbaar is gebleven.”

De impact van ‘Zwarte Zondag’ en ‘Globaal Plan’

Op 24 november 1991 – ‘Zwarte Zondag’ – beleefde het fascistische en racistische Vlaams Blok een electorale doorbraak. Ter linkerzijde zorgde dit voor een stortvloed aan initiatieven, zoals de door de PVDA gelanceerde petitie Objectief 497.917, de burgergroepering Charta ‘91 en de politieke beweging Regenboog (gesteund door SAP en KPB). In Antwerpen organiseerde AJOKAR – het Antwerps Jongerencomité Antiracisme – een scholierenstaking en protestbetoging waaraan 10.000 jongeren deelnamen. Voorafgaand aan de verkiezingen werd het stadsbestuur van Antwerpen door de rooms-rode Vlaamse regering een tweede saneringsplan opgelegd, waardoor 4.000 stadsambtenaren dienden af te vloeien. Amper twee jaar later lanceerde de federale rooms-rode regering Dehaene haar ‘Globaal Plan’, een ingrijpend besparingsplan, met invoering van de gezondheidsindex en een loonstop. De ontevredenheid in de vakbeweging daarover was enorm. De toenmalige vakbondstop van ABVV en ACV nam op dat ogenblik deel aan een internationaal congres op Madagaskar. Als gevolg daarvan lag de weg open voor de ‘nieuwe brede voorhoede’ binnen de syndicale beweging. Overal braken stakingen uit, die snel – naar Rosa Luxemburgs woord – een dynamiek naar algemene staking begonnen te vertonen. De Antwerpse politiek, die decennia lang gedomineerd werd door een rooms-rode coalitie, begon te schuiven: een christendemocratisch gemeenteraadslid liep over naar de liberale oppositie en vanuit de SP liep er zelfs een over naar het Vlaams Blok. De rooms-rode meerderheid had nog maar een zetel op overschot. Ook binnenin de SP begon het meer en meer te gisten. De dissidente Multatuli-groep begon te zoeken naar een sociaaldemocratische stijlvernieuwing. De kleine entristische groep Vonk (met onder meer Erik De Bruyn) probeerde via ‘De Rode Wig’ haar impact te vergroten. SP-gemeenteraadslid Patsy Sörensen – medeoprichtster van de actiegroep Payoke – botste meer en meer met de ‘baronnen’ van de SP-leiding en zal de partij uiteindelijk verlaten. Vanuit de SAP werden initiatieven ontwikkeld om te trachten de snel toenemende dissidentie te verenigen in een “nieuwe politieke beweging ter linkerzijde”.

BSV

Na vele gesprekken en debatten werd uiteindelijk de ‘Beweging voor Sociale Vernieuwing’ (BSV) opgericht, met Sörensen, leden van SAP en KPB, de aanvoerders van AJOKAR (Nadine Peeters en Remko Devroede), journalist Paul Goossens en van talloze vakbondsmilitanten, waaronder ook Fons. De BSV had natuurlijk ook een programma nodig. Bij het opmaken daarvan was de inbreng van Fons uiterst belangrijk. Zijn inzichten in het belang van de verdediging van de gemeentelijke autonomie en in het naar voor schuiven van linkse alternatieven voor de stedelijke saneringsplannen vonden moeiteloos hun plaats. Ook wist hij – samen met onder andere Koen Calliauw – een stevige stempel te drukken op het culturele luik van het BSV-programma. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1994 behaalde de BSV – via een kartel met de ecologisten van Agalev – drie verkozenen (Patsy Sörensen, Nadine Peeters en syndicalist Louis ‘Lou’ Wyns). Na de verkiezingen werd na zes weken moeizame onderhandelingen overgegaan tot de vorming van een ‘monstercoalitie’ van alle partijen, behalve het Vlaams Blok. Het moet gezegd dat Fons niet overliep van enthousiasme voor het kartel met de Groenen. Op de achtergrond bleef hij echter toch betrokken. Ik herinner mij de talloze levendige gesprekken met Fons tijdens de moeizame onderhandelingen.

MAS

Fons bepleitte meer specifiek ook de creatie van een museum over de geschiedenis van de sociale strijd in Antwerpen – een kwestie die ook opgenomen werd in het BSV-programma. Dat museum is er nooit gekomen, maar het streven ernaartoe lag wel mee aan de basis van de beslissing tot oprichting van het Museum aan de Stroom oftewel MAS. Fons had weinig vertrouwen in de totstandkoming van dat MAS en zag er een poging in om de bestaande stedelijke musea te ‘rationaliseren’. Het moet Fons later niettemin toch enigszins deugd gedaan hebben dat in dit museum aandacht werd besteed aan de Belgische kolonisering van Congo en aan de noodzaak te komen tot echte dekolonisering van musea in het algemeen.

Blijvend engagement

Beroepsmilitant zoals Fons was, kon je hem – ondanks ernstige gezondheidsproblemen – voortdurend tegen het lijf lopen op allerlei syndicale en uiteraard ook antifascistische manifestaties. Ook politiek bleef hij zijn inzichten delen. Zo kwam hij tussen in een groot debat dat de ACOD organiseerde naar aanleiding van de gemeenteraadsverkiezingen van 2018. In reactie op de pleidooien van N-VA, OpenVLD en (verbijsterend genoeg) sp.a om komaf te maken met de statutaire of ‘vastbenoemde’ tewerkstelling bij de stadsdiensten, zogenaamd “om de pensioenen betaalbaar te houden”, verklaarde Fons dat precies het omgekeerde het geval is: “De pensioenen van statutaire ambtenaren worden juist betaald door de actieve statutaire medewerkers. Als er minder of zelfs geen actieve statutairen meer overblijven, dan zijn deze pensioenen pas echt onbetaalbaar. Beter is het dan ook om te blijven inzetten op statutaire aanwervingen.” Niet verwonderlijk liep Fons op 1 Mei steevast mee in de syndicale rangen in de Antwerpse ‘stoet’ van de arbeidersbeweging. Een zaak waar alle uit het ‘trotskisme’ voortgekomen militanten groot belang aan hechten, is ook ‘het doorgeven van het geheugen van de klassenstrijd’. Fons maakte dat concreet door zijn museale kennis in te zetten bij de organisatie van een grote tentoonstelling in het Antwerpse Bondsgebouw over de ‘Staking van de Eeuw’ in de winter van 1960-61, waarover hij eerder al schreef in een brochure. Uiteraard sloeg Fons ook geen enkele vakbondsbetoging over. In mei van dit jaar was hij er ook weer bij toen het ABVV een herdenking organiseerde van Albert Pot en Theophiel Grijp – twee in 1936 door fascisten vermoorde syndicalisten. Tussen al die drukke activiteiten door bleef Fons intellectueel nadenken en lezen, waarbij hij meer dan eens terug greep naar de boeken van de betreurde Ernest Mandel.

Droge humor

De laatste keer dat ikzelf Fons zag was op maandag 8 augustus van dit jaar. Hij stond net voor mij in de dagbladhandel in het Centraal Station van Antwerpen. In zijn handen drie kranten: De Morgen, De Standaard en Le Monde Diplomatique. ‘Nog altijd de arbeider-intellectueel’, dacht ik bij mezelf. Toen hij me opmerkte, vroeg hij, wijzend naar mijn bagage, ‘Naar waar hebt ge ‘t?’ ‘Naar het kunst- en poëziefestival in Watou’, zei ik. Met typisch Antwerpse, droge humor repliceerde hij ‘Ah, dan gade gij op de volgende vergadering gedichtjes voorlezen…’ En waarom ook niet, bedenk ik nu. Daarom hier, met Fons volgehouden strijdvaardigheid in gedachten, Moderne Prometheus, een 1 Mei-gedicht van Henriëtte Roland-Holst uit 1936:

“Machtigen!

Hier, nog half duiz’lend

van uw slagen

hier staan wij weder

en verheffen ons

tegen u.

 

Met al uw macht

hebt ge niet gewonnen:

hier staan wij weder

ongebroke’, onberouwvol,

als eenmaal, als immer,

en trotseren u.”

Bij deze trotserende verheffing zal Fons ons altijd blijven vergezellen!

 

Herdenking van de door fascisten vermoorde syndicalisten Pot en Grijp.


Voorpagina van De BASIS, infoblad van ACOD-LRB-Antwerpen, jaargang 6, nr. 35, december 1988.


Artikel van Fons Van Cleempoel over kultuurbeleid in De BASIS nr. 35, december 1988.


Aandachtig publiek tijdens de infodag over verzet en collaboratie, georganiseerd door het Steunpunt Antifascisme (foto ©rodedriehoek.be).


Fons Van Cleempoel leidt de infodag in over verzet en collaboratie, georganiseerd door het Steunpunt Antifascisme (foto ©rodedriehoek.be).

 

Voetnoten

Voetnoten
1 Corporatisme is een vorm van groepsegoïsme, waarbij men enkel opkomt voor de belangen van een enge groep of categorie binnen het grotere personeelsgeheel.