In onderstaand artikel maakt de Canadese historicus David Mandel komaf met zowel enkele rechtse als linkse mythes over de Russische revolutie van 1917. Lenin en de bolsjewieken hadden geen vooropgesteld plan dat de vestiging van een socialistische maatschappij beoogde, zoals conservatieve historici vandaag beweren. De bolsjewieken reageerden daarentegen telkens heel concreet op de politieke en economische problemen die zich stelden tussen februari en oktober. Hierbij hielden ze en moesten ze rekening houden met de wisselende gezindheid van de arbeiders- en boerenmassa’s. Ze werden gedwongen te handelen.

In oktober, onder druk van de arbeiders in de hoofdstad, grepen ze de macht in het volle besef dat het kon leiden tot een burgeroorlog. Die burgeroorlog had grotendeels vermeden kunnen worden als de gematigde socialisten mee hadden durven toeslaan. Een “durf” die geen enkele socialistische partij later zou waarmaken, maar vandaag meer dan ooit noodzakelijk is.

Het artikel is overgenomen uit het Amerikaanse maandblad Against the Current, het tijdschrift van Solidarity, een revolutionair-socialistische organisatie in de VS. Hendrik Patroons zorgde voor de Nederlandse vertaling.

Dubbele macht

De kwestie van de historische legitimering van de Russische Oktoberrevolutie in 1917 is voor socialisten een heikele kwestie, ook al zijn er honderd jaar voorbijgegaan. Het stalinisme kreeg in minder dan tien jaar voet aan de grond en 70 jaar later werd het kapitalisme in Rusland gerestaureerd zonder merkelijk verzet van het volk.

Je kan natuurlijk wijzen op de centrale rol van het Rode Leger in de overwinning op het fascisme, of op de rivaliteit tussen de Sovjet Unie en de kapitalistische wereld die meer ruimte gaf aan de anti-imperialistische strijd, of op de genaaste planeconomie een domper zette op de kapitalistische vraatzucht. Maar zelfs op die terreinen is de nalatenschap niet ondubbelzinnig.

De belangrijkste erfenis van de Oktoberrevolutie is voor de linkerzijde vandaag in feite de minst ondubbelzinnige. Je kan het samenvatten in twee woorden: “Ze durfden”. Ik bedoel hiermee dat de bolsjewieken, in de manier waarop ze de revolutionaire politieke en economische machtsgreep organiseerden en die verdedigden tegen de bezittende klassen, hun missie als arbeiderspartij getrouw vervulden: zij bezorgden de arbeiders – en ook de boeren – het noodzakelijke en door hen gewilde leiderschap.

Het is daarom meer dan ironisch, dat vele historici en de hen napratende publieke opinie, in de Oktoberrevolutie een verschrikkelijke misdaad zien, een ideologisch geïnspireerd project voor de opbouw van een socialistische utopie. Volgens deze opvatting was Oktober een daad van willekeur die Rusland verhinderde om de normale weg naar een kapitalistische democratie in te slaan. Bovendien zou Oktober de oorzaak zijn van de burgeroorlog die Rusland bijna drie jaar lang verwoestte.

Een gewijzigde versie van deze visie leeft zelfs in de linkse kringen die het “leninisme” (of wat volgens hen Lenins strategie zou zijn) verwerpen, wanneer ze wijzen op de autoritaire dynamiek vervat in het grijpen van de macht met de burgeroorlog als gevolg.

Maar wie de revolutie “van onderuit” bestudeert merkt hoe weinig de bolsjewieken en de arbeiders die hen steunden, “ideologisch” gemotiveerd werden. De bolsjewieken waren geen chiliastische beweging met het socialisme als doelstelling.

In werkelijkheid en voor alles, was Oktober het praktische antwoord op zeer ernstige sociale en politieke problemen waarmee de volksklassen geconfronteerd werden. Hierin volgden ze de manier waarop Marx en Engels de kwestie van het socialisme benaderden: niet als een utopie die verwezenlijkt moest worden in overeenstemming met een vooraf vastgelegd ontwerp, maar als een stel concrete oplossingen voor de reële problemen waarmee de arbeiders in het kapitalisme te maken krijgen. Daarom wees Marx alle recepten uit het utopische kookboek van de hand. (1)K. Marx, Nawoord bij de tweede editie van het eerste deel van Das Kapital.

Het onmiddellijke hoofddoel van de Oktoberopstand was het verijdelen van een contrarevolutie die gesterkt werd door de economische sabotagepolitiek van de bourgeoisie. De contrarevolutie zou de democratische verworvenheden en de beloften van de Februarirevolutie vernietigd hebben en Rusland verder ondergedompeld hebben in het bloed van de imperialistische wereldoorlog.

Een zegevierende contrarevolutie – en dat was het enige andere alternatief in oktober 1917 – zou waarschijnlijk als eerste een vorm van fascisme hebben teweeggebracht. Enkele jaren later was deze staatsvorm inderdaad het laattijdige antwoord van de Italiaanse en Duitse bourgeoisie op gelijkaardige mislukte opstanden als die van oktober.

De bolsjewieken en de meeste stedelijke industriearbeiders in Rusland waren socialisten. Maar alle marxistische stromingen in Rusland vonden dat het land niet beschikte over de politieke en economische voorwaarden om het socialisme in te voeren. Uiteraard hoopte men dat een revolutionaire machtsgreep de arbeiders in de meer ontwikkelde westerse landen zou aansporen in opstand te komen tegen de oorlog en het kapitalisme waardoor de vooruitzichten van de Russische revolutie er beter zouden voorstaan. Die hoop was er wel, maar zekerheid was er niet. Maar ook zonder die hoop zou Oktober gebeurd zijn.

In mijn historisch onderzoek heb ik op gedocumenteerde wijze deze visie op de Oktoberrevolutie naar voor gebracht en ik zal het bewijsmateriaal hier niet samenvatten. (2)Dit artikel is grotendeels gebaseerd op mijn The Petrograd Workers in the Russian Revolution, Brill-Haymarket, Leiden and Boston, 2017.

Het gaat er hier om uit te leggen hoe pijnlijk de proletarische bolsjewistische partij en de arbeiders die achter haar stonden, zich bewust waren van een dreigende burgeroorlog, en hoe ze geprobeerd hebben om die te verhinderen en, toen dit mislukte, zijn heftigheid te verzachten. Hiermee wil in de betekenis van “zij durfden het aan”, als erfenis van Oktober, in een scherp daglicht stellen.

De wil om een burgeroorlog te vermijden was de reden waarom de bolsjewieken en de arbeiders in hun meerderheid de “dubbele macht” steunden in de periode die volgde op de Februarirevolutie. De uitvoerende macht lag in handen van de voorlopige regering die oorspronkelijk uitsluitend bestond uit liberale politici, vertegenwoordigers van de bezittende klassen. Tegelijkertijd hielden de sovjets, de door de arbeiders en soldaten verkozen politieke organisaties, toezicht op de regering, om er voor te zogen dat zij trouw bleef aan het programma van de Februarirevolutie. Dat programma stoelde op vier centrale stellingen: een democratische republiek, landhervorming, de achturige werkdag en een krachtdadige diplomatie om snel een democratische einde te maken aan de oorlog. Dit programma had als zodanig met socialisme niets te maken.

De steun aan de dubbele macht betekende een radicale breuk met de al lang bestaande afwijzing door de bolsjewieken van de bourgeoisie als een mogelijke partner in de strijd tegen de autocratie. Die afwijzing was het fundament van de bolsjewieken als arbeiderspartij. Hierdoor kon die partij, in de periode die aan de oorlog voorafging, de hegemonie veroveren worden in de arbeidersbeweging. Die afwijzing van de bourgeoisie (wat tegelijk neerkwam op een afwijzing van het mensjewisme) wortelde in de lange en pijnlijke ervaringen van de naar democratie en sociale rechtvaardigheid strevende arbeiders m.b.t. de intieme collaboratie tussen de bourgeoisie met de autocratische staat.

De aanvankelijke steun aan de dubbele macht weerspiegelde de bereidheid om de liberalen een kans te geven, nu de bezittende klassen (met de liberale Constitutioneel-Democratische (“Kadet”) Partij als hun voornaamste politieke vertegenwoordigster) in februari 1917 de kant van de revolutie hadden, of leken te hebben gekozen. Hun keuze maakte het slagen van een revolutie zonder bloedvergieten over het uitgestrekte Rusland en aan het front mogelijk. Met de sovjets aan de macht in februari zouden de bezittende klassen de revolutie de rug hebben toegekeerd met een burgeroorlog in het verschiet. Bovendien waren de arbeiders niet voorbereid om de directe staatsverantwoordelijkheid op te nemen en de economie te beheren.

De latere afwijzing van de dubbele macht en hun eis om de macht over te dragen aan de sovjets was hoegenaamd geen automatische reactie op de terugkeer van Lenin naar Rusland en de publicatie van zijn April-stellingen. In wezen waren deze stellingen een herinnering aan de traditionele houding van de partij, maar in een context van oorlog op wereldschaal en een zegevierende democratische revolutie. Lenins positie kreeg de overhand omdat het alsmaar duidelijker werd dat de bezittende klassen en hun liberale vertegenwoordigers in de regering vijandig stonden tegenover de doelstellingen van de februari-revolutie en haar in feite wilden terugdringen.

Revolutionaire democratie

Reeds midden april maakte de liberale regering duidelijk dat ze achter de oorlog en zijn imperialistische doelstellingen stond. En zelfs daarvoor had de burgerlijke pers een einde gemaakt aan de wittebroodsweken van de nationale eenheid, toen ze een campagne opzetten tegen het zogezegde “egoïsme” van de arbeiders die hun enge economische belangen lieten voorgaan op de oorlogsproductie. Het was duidelijk dat de regering het bondgenootschap tussen de arbeiders en de soldaten die de revolutie mogelijk had gemaakt wilde ondermijnen.

Niet vreemd daaraan was het aanzwellende gevoel van de arbeiders van een sluipende lock-out, dit zich verschuilde achter de moeilijke bevoorrading, een vermoeden dat versterkt werd door de keiharde tegenstand van de industriëlen tegen de regulering van de wankelende economie door de regering. Lock-outs waren sinds lang een favoriete maatregel van de fabriekseigenaars. In de zes maanden die de aan de oorlog voorafgingen organiseerden de industriëlen van de hoofdstad reeds, in overleg met de administratie van de bedrijven in staatsbeheer, niet minder dan drie algemene lock-outs, waarbij in totaal 300.000 arbeiders werden ontslagen. Tien jaar eerder, in november en december 1905 deelden twee algemene lock-outs in de hoofdstad een dodelijke slag toe aan Ruslands eerste revolutie.

In de late lente en de vroege zomer van 1917 deden vooraanstaande lieden van de “cijns-maatschappij” (de bezittende klassen) een oproep om de sovjets te ontbinden en kregen daarvoor staande ovaties op de bijeenkomsten van hun klasse. Midden juni lanceerde de voorlopige regering, onder zware druk van de geallieerden, een militair offensief zodat de wapenstilstand die sinds februari de facto aan het oostelijk front van kracht was, verbroken werd.

En zo gebeurde het dat in juni een meerderheid van de arbeiders in de hoofdstad zich achter de eis van de bolsjewieken schaarden voor een regeringspolitiek los van de invloed die uitging van de bezittende klassen. Dat was in wezen de betekenis van “alle macht aan de sovjets”: een regering die enkel verantwoordelijk was tegenover de arbeiders en de boeren. Dat bekende ook dat de bolsjewieken, samen met de meeste arbeiders van de hoofdstad, een onvermijdelijke burgeroorlog in het vooruitzicht stelden. Maar dat was op zich niet zo angstwekkend omdat de arbeiders en de boeren (de soldaten waren overwegend jonge boeren) de grote meerderheid van de bevolking uitmaakten. Veel zorgwekkender was het vooruitzicht op een burgeroorlog in de schoot van de volksklassen zelf, dus binnenin de “revolutionaire democratie”.

De gematigde socialisten, de mensjewieken en de Socialistische Revolutionairen (SR), domineerden de meeste sovjets buiten de hoofdstad, het Centraal Uitvoerend Comité (TsIK) van de sovjets en het Uitvoerend Comité van de boeren. Door hun vertegenwoordigers af te vaardigen naar de coalitieregering, dit om de zwakke populariteit van die regering op te krikken, gaven ze hun steun aan de liberalen.

Het gevaar van een burgeroorlog binnen de revolutionaire democratie werd begin juni verijdeld toen de arbeiders van de hoofdstad, samen met eenheden van het garnizoen, massaal demonstreerden om het TsIK er toe aan te zetten zelf de macht uit te oefenen. Ze slaagden daar niet in en op hun betogingen vloeide het eerste bloed van de revolutie, gevolgd door repressieve maatregelen van de regering. De gematigde socialisten vergoelijkten deze maatregelen.

Dreigende contrarevolutie

De juli-dagen gaven de bolsjewieken en hun aanhangers in de arbeidersklasse geen antwoord op de vraag welke weg ze moesten volgen. Formeel lanceerde de partij op voorstel van Lenins een nieuwe leuze: “een regering van de arbeiders en de armste boeren” – waarbij de sovjets niet ter sprake kwamen omdat ze buiten de hoofdstad gedomineerd werden door de gematigde socialisten.

Lenin deed hiermee een oproep om zich voor te bereiden op een opstand, een opstand die geen rekening hield met de sovjets en, indien nodig, zelfs tegen hen. Maar in de prakrijk werd die leuze niet overgenomen door de partij noch door de arbeiders van de hoofdstad, omdat de massa’s, die nog steeds achter de gematigde socialisten stonden hem niet begrepen, en een burgeroorlog zou kunnen uitlokken in de revolutionaire democratie zelf. Men maakte zich in het bijzonder bezorgd over de houding van de socialistische, d.w.z. de links gerichte intelligentsia, die zelf een minderheid was in de geschoolde kringen. Die linkse intelligentsia steunde nagenoeg volledig de gematigde socialisten. De bolsjewieken waren in hun overgrote meerderheid een plebejische partij, en dat gold ook voor de Linkse Sociaal-Revolutionairen die zich in september 1917 hadden afgescheurd van de SR, en in november een coalitieregering zouden vormen met de bolsjewieken.

Het vooruitzicht om het bestuur van de staat en waarschijnlijk ook van de economie over te nemen zonder de hulp van geschoolde mensen, verontrustte de arbeiders, in het bijzonder de vele bolsjewistische activisten van de fabriekscomités.

De mislukte contrarevolutionaire opstand eind augustus van generaal Kornilov, die enthousiast gesteund werd door de bezittende klassen, effende een weg uit de impasse. Het leek er op dat de gematigde socialisten nu moesten breken met de liberalen. (De liberale ministers hadden ontslag genomen aan de vooravond van de contrarevolutionaire opstand.)

De arbeiders reageerden op het nieuws van Kornilovs mars naar Petrograd met een curieuze mengeling van opluchting en alarm. Ze waren opgelucht omdat ze eindelijk – en zoals bleek met veel energie – konden reageren tegen de voortschrijdende contrarevolutie samen met, en niet tegen de revolutionaire democratie. Na Kornilovs nederlaag bood Lenin het TsIK de steun van zijn partij aan; de bolsjewieken zouden ageren als een loyale oppositie als het TsIK de macht greep.

Maar na een korte aarzeling weigerden de gematigde socialisten om met de bezittende klassen te breken. Zij lieten Kerensky een nieuwe coalitieregering vormen met daarin een paar verfoeilijke bourgeois personaliteiten, zoals de industrieel S.A. Smirnov die even daarvoor in zijn textielfabrieken een lock-out had afgekondigd.

Tegen het einde van september hadden de bolsjewieken reeds de meerderheid verworven in de meeste sovjets verspreid over het land, en ze konden dus rekenen op een meerderheid in het Congres van de Sovjets die het TsIK met tegenzin had gepland op 25 oktober. Lenin, die nog steeds ondergedoken om aan arrestatie te ontkomen, riep het centraal comité van de partij op om zich voor te bereiden op een opstand. De meerderheid van het centraal comité aarzelde echter en verkoos te wachten op de grondwetgevende vergadering.

Die aarzeling was begrijpelijk. Een opstand zou de reeds sluipende burgeroorlog volop doen uitbreken. Het was een schrikwekkende sprong in het ongewisse die de partij zou verplichten om regeringsverantwoordelijkheid op te nemen in een situatie van diepe economische en politieke crisis. Anderzijds was het zeker illusoir te denken dat een grondwetgevende vergadering de diepe polarisering in de Russische samenleving kon overstijgen, of dat de bezittende klassen haar oordeel zouden aanvaarden als die tegen hun wensen inging. Ondertussen kwamen industriële ineenstorting en hongersnood snel naderbij.

Het bolsjewistisch initiatief

Als de leiding van de bolsjewieken de beslissing nam om een opstand te organiseren had dit niets te maken met Lenins persoonlijk gezag, maar veeleer onder druk van de middengroepen en de lagere rangen van de partij waarop Lenin een beroep had gedaan. De partij telde in oktober 1917 in Petrograd 43.000 leden, waarvan 28.000 arbeiders (in een totaal van 420.000 arbeidskrachten), en 6000 soldaten. Die arbeiders waren bereid om tot de actie over te gaan.

De stemming van de massa niet partijgebonden arbeiders was nochtans complexer. Zij waren weliswaar sterke voorstanders van een machtsoverdracht ten gunste van de sovjets, maar wilden niet zelf het initiatief daartoe nemen. We hebben hier te maken met een opmerkelijke ommekeer van de stemming in de eerste vijf maanden van de revolutie, uitging toen het initiatief van de massa’s die de partij dwongen om hen te volgen. Zij protesteerden in april tegen de oorlogspolitiek van de regering, de beweging voor arbeiderscontrole bestreed de sluipende lock-out, en in juli demonstreerden ze om de TsIK aan te sporen de macht te grijpen.

Maar het bloedvergieten in juli en de daarop volgende repressie hadden hun gevolgen. De politieke toestand was sindsdien niet meer dezelfde en de bolsjewieken stonden nagenoeg overal aan het hoofd van de sovjets. Maar in de dagen die de Oktober-opstand voorafging voorspelde de hele niet-bolsjewistische pers dat men afstevende op nederlaag veel bloediger dan die van juli. Een andere oorzaak van de aarzelende houding van de arbeiders was het opdoemende spook van de massale werkloosheid. De naderende ineenstorting van de industrie was het sterkste argument om onmiddellijk over te gaan tot actie. Maar het was ook een bron van onzekerheid.

Bijgevolg moest de Lenins partij het initiatief nemen, wat niet wegnam dat de bolsjewistische arbeiders zelf twijfel koesterden. Maar zij beschikten over bepaalde kwaliteiten, verworven in de jarenlange intense strijd tegen de autocratie en de industriëlen, waarmee ze hun twijfel overwonnen. Een van die kwaliteiten was hun klassenonafhankelijkheid tegenover de bourgeoisie, een beslissend kenmerk van het bolsjewisme in arbeidersbeweging. In de voorrevolutionaire jaren was dit streven tot uiting gekomen op de inspanning van de arbeiders om hun politieke, economische en culturele organisaties niet te laten besmetten door de invloed van de bezittende klassen.

Sterk daaraan gekoppeld was het sterke verlangen naar waardigheid, zowel als individu en als arbeider. Het begrip “bewuste arbeider” omvatte in Rusland een hele wereldbeschouwing en een morele code die zich onderscheidde, en verzette, tegen de cijns-maatschappij. Dit verlangen naar waardigheid kwam onder andere tot uiting in de eis om “beleefd aangesproken te worden” zoal bleek in de eisenbundels van de stakers. Men eiste aangesproken te worden in de tweede persoon meervoud, in plaats van het informele enkelvoud waarmee men kinderen en ondergeschikten aansprak.

Het tsaristische Ministerie van Binnenlandse Zaken vermelde in haar statistieken over de stakingen het “beleefd aanspreken” als een van de politieke eisen, waarschijnlijk omdat die eis een afwijzing inhield van de ondergeschikte maatschappelijke positie van de arbeiders. De resoluties die de fabrieksarbeiders opstelden verwezen vaak naar de politiek van de voorlopige regering als een “aanfluiting” van werkende klasse.

Toen in oktober de arbeiders van de Rode Gardisten weigerden om in gebukte houding te rennen of vanuit een liggende positie te schieten, omdat ze dit beschouwden als lafheid en gebrek aan eergevoel en een revolutionaire arbeider onwaardig, moesten de soldaten hen uitleggen dat er geen eer in steekt om de vijand het voorhoofd aan te bieden. Maar hoewel deze klasse-eer vanuit militair oogpunt een zwakheid was, was zonder haar de Oktoberrevolutie waarschijnlijk niet mogelijk geweest.

Hoewel het initiatief in oktober hoofdzakelijk uitging van de partijleden verwelkomden zowat alle arbeiders de actie, zelfs de meeste drukkers die traditioneel achter de mensjewieken stonden. Maar onmiddellijk rees de kwestie van de samenstelling van de coalitieregering. Alle arbeidersorganisaties, op dat ogenblik aangevoerd door de bolsjewieken, en de bolsjewistische partijorganisatie zelf, riepen op voor een coalitieregering van alle socialistische partijen.

Ook dit keer was er behoefte aan eenheid binnen de revolutionaire democratie en de wilde men een interne burgeroorlog te vermijden. In het Centraal Comité van de bolsjewieken waren Lenin en Trotski tegen een deelname van de gematigde socialisten (maar niet tegen de Linkse SR en de Internationalistische Mensjewieken) omdat ze dachten dat zo’n coalitie de actie van de regering zou verlammen. Maar zij hielden zich afzijdig terwijl de onderhandelingen aan de gang waren.

Die coalitie kwam er echter niet. De onderhandelingen werden stopgezet als gevolg van de rol van de sovjets. De bolsjewieken en de grote meerderheid van de arbeiders wilden dat de regering verantwoordelijk was tegenover de sovjets – namelijk een regering van het volk los van de invloed van de bezittende klassen. De gematigde socialisten echter beschouwden de sovjets als een te smalle basis voor een leefbare regering. Zij bleven de nadruk leggen, hoewel in een enigszins verkapte vorm, op een vertegenwoordiging van de bezittende klassen, of tenminste van de “intermediaire lagen” die niet vertegenwoordigd waren in de sovjets. Maar de Russische samenleving was te diep verdeeld en de “intermediaire lagen”, waartoe de intelligentsia werd gerekend, volgden de lijn van de bezittende klassen.

De gematigde socialisten weigerden een regering te vormen waarin de bolsjewieken de meerderheid vormden, ook als hadden die de meerderheid in Congres van de Sovjets die gestemd hadden voor de machtsovernamen. Concreet betekende dit dat de gematigden de Oktoberopstand ongedaan wilden maken. Toen dit duidelijk werd verdween de steun van de arbeiders voor een coalitieregering. Even later kwamen de Linkse SR tot dezelfde conclusie en zij vormden een coalitieregering met de bolsjewieken. Tegen het einde van november besliste een nationaal boerencongres, waarin de Linkse SR overheersend waren, om zijn uitvoerend comité te fuseren met het TsIK van de arbeiders- en soldatenafgevaardigden.

Deze beslissing werd met opluchting en vreugde toegejuicht in de bolsjewistische partij en door de arbeiders in het algemeen: eenheid was verwezenlijkt, tenminste onderaan, maar zonder de linkse intelligentsia wier meerderheid zich achter de gematigde socialisten schaarde. (Opgemerkt dient te worden dat de mensjewieken in tegenstelling tot de SR, de wapens niet hebben opgenomen tegen de sovjet regering).

Dit is namelijk de betekenis van “zij durfden het aan” als de nalatenschap van de Oktoberrevolutie. Als volwaardie arbeiderspartij handelden de bolsjewieken naar de spreuk “Fais ce que dois, advienne que pourra” (Doe wat je doen moet, wat er ook van kome). Die spreuk, aldus Trotski, zegt hoe de revolutionairen moeten handelen in alle grote gevechten voor hun principes.

Ik heb getracht aan te tonen dat die uitdaging niet makkelijk aanvaard werd. De bolsjewieken waren geen avonturiers. Zij waren bang voor een burgeroorlog en probeerden die te vermijden en, indien dat niet mogelijk was, om zijn heftigheid te milderen en de kansen op een overwinning zo groot mogelijk te maken.

De breuk met de bourgeoisie

In een essay geschreven in 1923 legde Fjedor Dan, de leider van de mesjewieken, uit waarom zijn partij geweigerd had om te breken met de bezittende klassen, zelfs na de opstand van Kornilov. De reden was het ontbreken in de sovjets van de “intermediaire lagen” als onderdeel van de “democratie”. (Dan vermeldt een leraar, een coöperator, de burgermeester van Moskou…) Zij zouden een breuk met de bezittende klassen niet hebben goedgekeurd – overtuigd als ze waren dat zonder hen het land niet bestuurd kon worden. En zij wilden zelfs niet samenwerken in een regering met de bolsjewieken. Fjedor Dan vervolgde:

“ Er bleef dus – theoretisch! – maar een weg open voor een onmiddellijke breuk [met de vertegenwoordigers van de bezittende klassen]: de vorming van een regering met de bolsjewieken – niet een coalitie waarvan de ‘niet-sovjet’ democratie [de intermediaire lagen] deel uit maakte, maar tegen hen. Wij beschouwden die weg als onbegaanbaar gezien de houding van de bolsjewieken op dat ogenblik. We beseften duidelijk dat die weg leidde naar terreur en burgeroorlog, namelijk naar wat de bolsjewieken later gedwongen waren te doen. Niemand van ons wilde de verantwoordelijkheid opnemen voor zo’n niet-coalitie regering.” (3)F. I., Dan, “K istorii poslednykh dnei Vremennogo pravitel’stvaLetopis’ Russkoi revolyutsii, vol. 1, Berlin, 1923 (https://www.litres.ru/static/trials/00/17/59/00175948.a4.pdf).

Dans positie staat in contrast met die van een andere gematigde socialist, de SR V.B. Stankevitsj, een bijzondere figuur in zijn partij (hij was commissaris aan het front geweest onder de voorlopige regering). In een brief van februari 1918 aan zijn partijgenoten schreef hij:

“We moeten inzien dat op dit ogenblik de krachten van de volksbeweging aan de zijde staan van het nieuwe regime… Er staan twee wegen open [voor de gematigde socialisten]: het voortzetten van hun onverzoenlijke strijd tegen de regering, op vreedzame wijze creatief werk verrichten als loyale oppositie… Kunnen de voormalige heersende partijen zeggen dat ze nu zo ervaren zijn geworden dat zij e taak van het landsbestuur kunnen waarnemen, een taak die niet gemakkelijker maar moeilijker is geworden? Zij hebben in wezen geen programma voor te stellen tegen dat van de bolsjewieken. En een strijd zonder programma is niet veel beter dan de avonturen van Mexicaanse generaals. En zelfs indien het opstellen van een programma mogelijk zou zijn, dan moet je inzien dat je niet beschikt over de krachten om het uit te voeren. Als je het bolsjewisme wil omverwerpen dan heb je, niet alleen formeel, maar tenminste feitelijk de collectieve inspanning nodig van iedereen, van de SR tot uiterst rechts. Maar zelfs dan zijn de bolsjewieken sterker…

Er is maar een enkele weg: de weg van een verenigd volksfront, van verenigd nationaal werk, van gemeenschappelijke creativiteit…

En morgen dan? Voortdoen met doelloze, zinloze en in wezen avontuurlijke pogingen om de macht te grijpen? Of om samen met het volk te werken aan realistische pogingen om de problemen waarmee Rusland geconfronteerd wordt aan te pakken, problemen die gekoppeld zijn aan de vreedzame strijd voor eeuwige politieke principes, voor waarachtige democratische grondslagen om het land te besturen! (4)I.B. Orlov, “Dva puti stoyat pered nimi…Istoricheskii arkhiv, 4, 1997, 79.

Ik laat het aan de lezer over om te beslissen welke positie, die van Dan of die van Stankevitsj, de grootste verdienste heeft. Maar men kan een overtuigend argument aandragen door te stellen dat de weigering van de gematigde socialisten om “te durven” bijgedragen heeft tot de situatie waarvoor ze zo bang waren.

De geschiedenis sinds Oktober 1917 telt talrijke voorbeelden van linkse partijen die niet durfden toen dat nodig was. Zo bijvoorbeeld de Duitse Sociaaldemocraten in 1918, de Italiaanse socialisten in 1920, de Spaanse linkerzijde in 1936, de Franse en Italiaanse communisten in 1945 en 1968-69, de Chileense Unidad Popular in 1970-73 en onlangs Syriza in Griekenland.

Het gaat er hier natuurlijk niet om dat zij er niet in slaagden op een welgekozen ogenblik een opstand te organiseren, maar veeleer om hun weigering principieel te kiezen voor een strategie gericht op het afdwingen van de economische en politieke macht van de bourgeoisie, een strategie die noodzakelijk maakt dat men op een bepaald ogenblik op revolutionaire wijze breekt met de kapitalistische staat.

Vandaag zijn de alternatieven waarmee de mensheid geconfronteerd wordt dermate gepolariseerd dat de keuze tussen socialisme en barbarij de enige optie is, nu de toekomst van de beschaafde wereld zelf op het spel staat. Links moet zijn inspiratie putten uit Oktober. Dit betekent, ondanks de historische nederlagen die de arbeidersklasse en haar sociale bondgenoten de laatste decennia geleden hebben, dat zij de illusoire herinvoering van de Keynesiaanse verzorgingsstaat en een terugkeer naar de “echte sociale democratie” moeten afwijzen.

Een dergelijk programma is in het huidige kapitalisme gedoemd om te mislukken en heeft een demobiliserend effect. Durven betekent vandaag een strategie uitbouwen die het socialisme als einddoel vooropstelt en dat houdt noodzakelijkerwijze in dat op een of ander ogenblik een revolutionaire breuk met de economische en politieke macht van de bourgeoisie en bijgevolg met de kapitalistische staat.

Voetnoten   [ + ]

1. K. Marx, Nawoord bij de tweede editie van het eerste deel van Das Kapital.
2. Dit artikel is grotendeels gebaseerd op mijn The Petrograd Workers in the Russian Revolution, Brill-Haymarket, Leiden and Boston, 2017.
3. F. I., Dan, “K istorii poslednykh dnei Vremennogo pravitel’stvaLetopis’ Russkoi revolyutsii, vol. 1, Berlin, 1923 (https://www.litres.ru/static/trials/00/17/59/00175948.a4.pdf).
4. I.B. Orlov, “Dva puti stoyat pered nimi…” Istoricheskii arkhiv, 4, 1997, 79.