En zo bevind ik me in Moerbeke, voor het huis van wijlen pastoor Cyriel Paul Coupé (1918-1998), u bekend als dichter Anton Van Wilderode. Ik voel me er ietwat onzeker. Van Wilderode was immers niet alleen dichter, hij was ook een militante flamingant. Als ze in die kringen vinden dat Wies Moens herdacht moet worden, is Van Wilderode prominent van de partij, wanneer de VMO stoffelijke resten van Cyriel Verschaeve in Vlaamse bodem smokkelt, staat Van Wilderode vooraan in de huldiging. Ik ga hem geen nazi noemen, maar hij heeft vrienden die het wél zijn. Ja, ik voel enig onbehagen.

Dat onbehagen steunt op ervaring. Mijn eerste betoging maak ik als scholier mee in Oostende: Leuven Vlaams! Tijdens die betoging keert een groep zich tegen twee lieden die daar een pamflet uitdelen. Ik ben een onwetende neofiet, maar mijn maat Koen Levecke, die uit een wel zeer rechts nest komt, is alreeds een doorgewinterde manifestant. Ik vraag hem waarom die mensen geweerd worden en hij antwoordt: ’t zijn communisten.

Veel betogingen later verneem ik van de Werkgroep Arbeid – nochtans ook flaminganten – dat zij op de IJzerbedevaart met geweld te maken krijgen en mijn ouwe maat Dirk Cosyns herinnert zich dat de RAL tijdens een betoging tegen het Egmontpact door Voorpost aangevallen wordt. Waardoor ik weet: mijn soort is in die middens niet welkom.

Langer dan nodig blijf ik hier dan ook niet hangen. Dat laatste zeg ik maar om te lachen hoor, in mijn tas zit een boek dat genoeg weegt om nationalisten van me af te slaan (1)Ernest Mandel, Nationaliteit en Klassenstrijd in België. Ed. Gertjan Desmet & Hendrik Patroons. 290 pp. Uitg. IIRE, Amsterdam. 15 €., ik neem op mijn gemak de tijd om door het huis te dwalen.

Wat voorafgaat wil niet zeggen dat Anton Van Wilderode geen goede dichter zou zijn. Laat het me zo zeggen: Céline is lang mijn lievelingsschrijver geweest, maar Célines antisemitische geschriften hou ik ver van me af, Pounds racistische radiostukjes eveneens en dat geldt ook voor Van Wilderodes nationalistische troep (‘Volk word staat’). Maar wanneer Anton in zijn regressieve gemijmer het verloren paradijs oproept, doet hij dat wel heel goed, vind ik. Zoals bijvoorbeeld hier: In memoriam matris.

“Als ik vanavond thuiskom ben je weg.

Ik zal de tuin inlopen rokend en verdrietig

om al het liefs dat ik je wilde zeggen.

Je zwarte stoel staat in het erwtenbed.

Je zat er vaak tussen twee beurten in

nog met je handen aan de groene lussen

een uur vol gras en vogels uit te rusten,

de druppels zweet al haastig weggewist.

Een fijne sluier zand ligt op je stoel.

Ik zal hem in spiraaltjes openblazen

want je bent weg, ik moet mij nooit meer haasten.

Voor hoeveel jaren is dat nu voorgoed.”

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op De Laatste Vuurtorenwachter.

Voetnoten

1 Ernest Mandel, Nationaliteit en Klassenstrijd in België. Ed. Gertjan Desmet & Hendrik Patroons. 290 pp. Uitg. IIRE, Amsterdam. 15 €.