We zijn vijftig jaar na de dood van Franco, achtenveertig jaar na het herstel van de parlementaire democratie en vierenveertig jaar na de mislukte staatsgreep van kolonel Tejero. Dat lijken drie doorslaggevende argumenten om te stellen dat Spanje het fascisme definitief achter zich heeft gelaten, maar niets is minder waar. Weinig landen in Europa zijn juist zo vatbaar voor een heropflakkeren daarvan als de Iberische monarchie, meent historicus Vincent Scheltiens-Ortigosa. In tegenstelling tot Italië, Portugal en Duitsland is in Spanje het fascisme nooit overwonnen. Er heeft geen breuk plaatsgevonden, wel een grotendeels geruisloze overgang. Daarbij gingen de functionarissen van intact gebleven onderdrukkingsapparaten, zoals de magistratuur en het leger, slapen tijdens de dictatuur om wakker te worden in de democratie. Decennialang werden de potentiële breuklijnen met succes gecamoufleerd, inmiddels zijn de barsten overduidelijk.
‘Onvoltooid Verleden’ is de titel van Scheltiens boek. Zoals elke goede titel is ze de kortste samenvatting van het boek. De auteur beschrijft eerst de geschiedenis van de Spaanse Burgeroorlog en die van de dictatuur erna om dan te focussen op de transitie van de jaren zeventig. Het is zijn doel om de mythes rond die vreedzame overgang te ontkrachten maar eigenlijk begint hij zijn ontmaskering al ver daarvóór. De illusies over de democratische transitie hangen namelijk onverbrekelijk samen met die over de burgeroorlog en de dictatuur. Omdat de geallieerden na 1945 Franco’s bewind intact lieten, was er behoefte aan een vorm van vergoelijking. Franco zou geen echte fascist zijn geweest maar meer een autoritaire conservatief. Hij had Spanje toch maar mooi uit de Tweede Wereldoorlog gehouden en vanaf 1958 moderniseerde hij de economie van zijn land. Zo ontstond er welvaart, zo kwam er een zekere liberalisering en zo gleed Spanje als het ware vanzelf uit de dictatuur en in de democratie. Houwdegens maakten plaats voor technocraten en die laatsten zochten aansluiting bij het democratische Europa. Het is of in Spanje de Middeleeuwse kaarsen één na één werden gedoofd en moderne verlichting vanuit dim naar volle gloed werd gedraaid. Scheltiens laat geen spaander heel van die ideologische constructie.
De Grote Sprong Achterwaarts
In wreedheid deed Franco niet onder voor zijn collega-dictators. Niet alleen werden honderdduizenden tegenstanders geëxecuteerd of veroordeeld tot jarenlange dwangarbeid, zijn rampzalige streven naar autarkie leidde ook nog tot economische rampspoed. De vergelijking met die andere betweter, Mao Zedong, en zijn ‘Grote Sprong Voorwaarts’ dringt zich op als Scheltiens Franco’s ‘Grote Sprong Achterwaarts’ beschrijft. De hongerjaren na de Burgeroorlog waren zo ellendig dat de lengte van de gemiddelde Spanjaard kromp. Een deken van onwetendheid en bijgeloof drapeerde zich over het land toen Franco’s mannen het onderwijs en de cultuur onder handen namen. Daarnaast kende de dictator geen enkele toegeeflijkheid, wees hij elke poging tot verzoening met zelfs het meest gematigde deel van zijn tegenstanders categorisch af. Algemeen bekend is dat Franco nog op zijn doodsbed opponenten tot de wurgpaal liet veroordelen maar ook lang daarvoor toonde hij zich onverzettelijk, bijvoorbeeld toen de communistische leider Juan Grimau in 1962 werd gearresteerd. Ondanks luide protesten uit het buitenland kreeg Grimau de kogel. Wreedheid en domheid gingen hier hand in hand, want met dit soort acties maakte de dictator de kans op een EEG lidmaatschap telkens weer kleiner. Als er al een zekere liberalisering ontstond, dan was die afgedwongen door protest van onderaf. Harde repressie kon niet voorkomen dat vanaf de vroege jaren zestig steeds vaker en langer gestaakt werd in Spanje en dat patronaat en overheid geen andere keuze hadden dan toegevingen te doen.
Francisme zonder Franco
Scheltiens maakt duidelijk dat Franco’s opvolgers geen enkele intentie hadden de dictatuur te ontmantelen. Integendeel, ze streefden naar een Francisme zonder Franco, maar botsten al snel op de harde realiteit van de internationale context en het binnenlandse verzet. Noch de Amerikanen, noch de Europese regeringsleiders zagen iets in hun project. De SPD en de CDU steunden bijvoorbeeld met (omgerekend) miljoenen euro’s de projecten van een nieuw opgetuigde Spaanse socialistische en christendemocratische partij. Studenten, arbeiders, vrouwen, maar ook anderstalige minderheden, zoals Basken en Catalanen, eisten met steeds luider stem hun rechten op. Toch had de katholiek-nationalistische elite veel te verliezen bij een werkelijke breuk met de dictatuur. Elke onderwijzer die zijn baan had verloren, elk huis dat was leeggehaald had een vervanger of nieuwe bewoner gekregen. Er had een zelfverrijking op ongekende schaal plaatsgevonden en daar mocht geen verantwoording voor worden afgelegd. Bovendien was er de kwestie van de schuld: schuld aan marteling, executie, kinderroof, onterechte opsluiting of verbanning, ook al op een enorme schaal. Vandaar dat Franco’s opvolgers tot een uitruil kwamen: jullie krijgen je democratie, wij behouden ons bezit en verkrijgen amnestie. De straffeloosheid kon enkel succesvol zijn als ze gepaard ging met vergetelheid. Spanje ging vergeven en vergeten. Zoals Vincent Scheltiens bitter opmerkt: amnestie en amnesie, het scheelt maar enkele letters.
Een papieren passage
Een transitie zonder waarheidscommissie (zoals Zuid-Afrika), zonder introspectie (zoals Duitsland), zonder zelfbevrijding (zoals Italië en Portugal), is dat wel een echte overgang? Scheltiens noemt het een transitie via de wet, een papieren passage van dictatuur naar democratie. Zo’n passage kan natuurlijk ook makkelijk in de omgekeerde richting worden gemaakt, want niet alleen het apparaat en de structuren waarvan de dictatuur zich bediende zijn intact gebleven, ook de bijbehorende geesteshouding bleef bestaan. Scheltiens noemt het voorbeeld van een politieman met schietgrage vingers, die tijdens zijn carrière veel martelingen doden op zijn geweten had maar na de transitie van een rustig en hoog pensioen kon genieten en wiens medailles pas postuum werden afgenomen. Het vergeven en vergeten was bovendien niet alleen aan de orde van de dag onder regeringen van rechtse signatuur, ook tijdens de vele jaren dat de socialistische partij met absolute meerderheden aan het bewind was. De politieke houding ten opzichte van de Franco Stichting is exemplarisch: geen enkele minister die ze buiten de wet stelde, slechts een die haar subsidies afpakte, en dan nog gedeeltelijk, in de hoop dat een financieel uitdovingsscenario automatisch leidt tot een uitdoven van de gedachten en gedragingen die deze Fundacion mede in stand houdt.
Tortilla’s zonder aardappelen en zonder ei.
De kans op een omgekeerde transitie, van democratie naar autocratie, is het eigenlijke thema van ‘Onvoltooid Verleden’ en Scheltiens brengt het overtuigend onder woorden. Een goed historicus is bovendien een goed verteller en ook op dat vlak staat Scheltiens zijn mannetje. Als cultuurtrotskist met Spaanse roots is zijn betrokkenheid bij zijn onderwerp geregeld zeer voelbaar, en toch is hij ook in staat voldoende afstand te houden en soms zelfs het tragikomische van situaties te benoemen, zoals wanneer hij schrijft dat tijdens de hongerjaren de Spanjaarden het recept ontdekten voor een tortilla zonder aardappelen en zonder ei. Hij beschrijft een geheime ontmoeting tussen communisten en vertegenwoordigers van het Franco bewind als een bijeenkomst van kettingrokers en hij omschrijft de rechtse premier Aznar als ‘een gewezen belastinginspecteur met het charisma van een aanslagbiljet.’ Ook dáárom verdient dit boek een breed en ook internationaal publiek. Maar er is ook één deelthema waarop hij niet dieper in kon gaan en dat wellicht nadere uitdieping behoeft: de desastreuze rol van de PCE vóór en tijdens de transitie.
Een politieke driehoek
De Spaanse linkerzijde wordt door Scheltiens als relatief zwak gekarakteriseerd. Inderdaad zijn de anarchisten en de trotskisten – de revolutionaire krachten tijdens de Burgeroorlog – opvallend afwezig. Maar ook de socialisten zijn zeer klein en beginnen het proces met nog geen drieduizend leden. De progressieve liberalen lijken als separate kracht zelfs helemaal afwezig. In dat opzicht heeft de dictatuur zijn uitroeiingswerk grondig verricht. De Spaanse communistische partij heeft tijdens de dictatuur echter een wijdvertakt illegaal apparaat opgebouwd en zelfs een complete vakbeweging uit de grond gestampt, de Comisiones Obreras . Zowel het buitenland als de Spaanse elite is beducht voor de PCE, maar de partij zelf doet vanaf de jaren zestig weinig anders dan toenadering zoeken tot de dictatuur. Er is in Spanje een donkere directe lijn tussen de stalinistische praktijk van de jaren dertig en de neostalinistische van de jaren zeventig: in beide gevallen verraadt de partij het streven naar socialisme. Tijdens de Burgeroorlog steekt ze de trotskistische POUM en de anarchistische CNT een dolk in de rug en helpt ze indirect Franco, tijdens de transitie gaat ze akkoord met het voorstel tot vergeven en vergeten. Er komt geen Spaanse Anjerrevolutie. Maar een stalinistische ezel stoot zich wel degelijk twee keer aan dezelfde steen. De PCE – of wat daarvan overbleef – vertrok in 1939 met lege handen naar Moskou, de PCE die eind jaren zeventig opnieuw wordt gelegaliseerd belandt met diezelfde lege handen in het parlement. Ze kan haar toegeeflijkheid niet verzilveren in Kamerzetels en leidt vanaf haar terugkeer een marginaal bestaan. Daarom is het beeld dat Scheltiens schetst van Tejero tijdens zijn putsch in februari 1981 zo symbolisch voor de transitie. De kolonel schiet in de lucht en beveelt iedereen te gaan liggen. Alle parlementsleden gehoorzamen, op drie na. Adolfo Suarez, die de architect is van de hele transitie, Manuel Fraga, die de leider is van de neo-Francistische AP en Santiago Carrilo, de fractieleider van de PCE die niet als lafaard zijn laatste uur in wil gaan. Misschien niet als bangerik maar wel als verrader, als het derde been van een politieke driehoek die Spanje met deze transitie ertoe heeft veroordeeld het bruine en bloedige verleden eindeloos met zich mee te blijven slepen.
Vincent Scheltiens-Ortigosa: ‘Onvoltooid Verleden’, verschenen bij uitgeverij Ertsberg.