Het is de ambitie van Aurore Koechlin in haar boek La révolution féministe om een cruciale maar vaak over het hoofd geziene kwestie op tafel leggen: strategie. Het tijdschrift Ballast interviewde haar daarover.

Hoewel het voor haar duidelijk is dat het reformistische feminisme (dialoog met staatsinstellingen, deelname aan regeringen en profiteren van overheidsfinanciering) geen volledige emancipatie van de vrouw en de opbouw van een rechtvaardiger maatschappij mogelijk maakt, wijst Koechlin toch op de impasses van een andere tendens, die onontkoombaar is in het emancipatiekamp: de ‘strategie van het kruispunt denken’.

Hoewel ze de nadruk legt op de noodzaak om de verstrengeling van verschillende vormen van onderdrukking te onderkennen, betwist ze de concrete politieke effecten van wat zij beschouwt als een vervorming van wat kruispunt denken als sociologisch instrument aanvankelijk en terecht voorstelt.

Effecten die ze als volgt samenvat: het aan de kaak stellen van de ‘privileges’ van individuen in plaats van machtsstructuren; desinteresse in de opbouw van een grote collectieve beweging; elitaire gerichtheid op radicale zuiverheid, geaccepteerde codes, vereist taalgebruik. Het boek wil dus een strategie voorstellen die ‘revolutionair’ van aard is en die voortkomt uit een kritisch marxisme: de vorming van een massale feministische beweging in verbinding met de arbeidersbeweging en de antiracistische beweging, waardoor vervolgens een volksmacht kan worden gevormd die in staat is de bladzijde van het kapitalisme om te slaan, dat wil zeggen de macht te grijpen. We gaan dit bespreken.

Ballast: In 2019 werd in een manifest opgeroepen tot Feminisme voor de 99%. Klinkt dat bekend?

Aurore Koechlin: Ja, heel erg. Ik deel met de auteurs ervan de meeste analyses, zowel theoretische als strategische, over het feminisme. Ze zeggen zich te baseren op de theorie van de sociale reproductie, ze analyseren dat er een nieuwe feministische golf op komst is en ze verdedigen strategisch dat het feminisme zowel afstand moet nemen van het liberale feminisme als moet worden gezien in relatie tot de klassenstrijd en de antiracistische strijd.

Het grootste verschil tussen ons ligt in het feit dat zij ervoor hebben gekozen meer nadruk te leggen op het antikapitalistische dan op het revolutionaire feminisme – dat wil zeggen op datgene waartegen ze strijden. Omgekeerd vond ik het belangrijk te benadrukken dat er een revolutie nodig is om een einde te maken aan de overheersing van vrouwen en genderminderheden.

Wat bedoel je precies met ‘revolutie’?

De term heeft de laatste jaren een dubbele ontwikkeling doorgemaakt, waardoor hij veel te veel is gebruikt. Aan de ene kant is het woord gedemoniseerd als een bron van angst en voorgesteld als een eenzijdig gewelddadig moment, het tegendeel van democratie. Anderzijds is het woord van zijn inhoud ontdaan, met name onder invloed van de neoliberale marketing (om een product te verkopen, wordt het als ‘revolutionair’ voorgesteld). Alles is revolutie. Niets is revolutie. Het woord heeft geen betekenis meer.

Deze twee bewegingen hebben hetzelfde doel, namelijk het idee van een alternatief voor de huidige maatschappij collectief ten grave dragen. Daarom vind ik het belangrijk om de term opnieuw toe te eigenen en er een andere connotatie aan te geven – door bijvoorbeeld te benadrukken dat je alleen revolutionair kan zijn als je een consequente structurele analyse hebt van de maatschappelijke verhoudingen van overheersing. Als er werkelijk sprake is van overheersing omdat er structuren zijn die haar ondersteunen (de staat, justitie, de politie, het gezin, de school, het werk…), dan is het noodzakelijk deze omver te werpen en nieuwe te bedenken om een eind te maken aan de overheersing.

De geschiedenis van het feminisme wordt vaak in verschillende ‘golven’ voorgesteld. Maar die geschiedschrijving wordt betwist. Hoe lijkt jou deze metafoor relevant?

Ik begrijp heel goed dat deze simplistische geschiedschrijving wordt betwist door historici die aantonen dat de geschiedenis van het feminisme complexer is dan een opeenvolging van golven. Of door activisten, die erop wijzen dat deze geschiedenis zich concentreert op westerse landen en voorbijgaat aan de geschiedenis van de feministische strijd elders. Ik deel die kritiek. Niettemin lijkt het begrip ‘golven’ mij twee dingen te brengen.

Aan de ene kant maakt de vereenvoudiging ervan het gemakkelijk om het je toe te eigenen. De geschiedenis van het feminisme is weinig bekend, grotendeels omdat ze opzettelijk onzichtbaar wordt gemaakt en vergeten. Ik behoor tot een generatie die heeft moeten opgroeien om te herontdekken wat vorige generaties feministen hadden bereikt, ten koste van een lange en soms moeilijke leertijd. De geschiedenis van het feminisme evolueert met een zekere dynamiek, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de publicatie van het recente boek Ne nous libérez pas, on s’en charge – Une histoire des féminismes de 1789 à nos jours, door Bibia Pavard, Florence Rochefort en Michelle Zancarini-Fournel.

Het leek me nuttig om een eerste historisch overzicht in drie golven te geven, waardoor we eenvoudig grote perioden kunnen vaststellen.

De andere bijdrage van dit begrip is dat het een strijdbare karakterisering is. Bibia Pavard heeft in haar artikel Faire naître et mourir les vagues: comment s’écrit l’histoire des féminismes aangetoond dat het de nieuwe generaties feministen zijn die zich telkens als nieuwe golven hebben gekwalificeerd, wat een performatief effect heeft: verkondigen dat we een nieuwe golf ingaan draagt er dus toe bij dat die ook daadwerkelijk plaatsvindt.

Het leek mij dan ook interessant erop te wijzen dat we nu getuige zijn van een vierde feministische golf, om de balans op te maken en collectief na te denken over de politieke taken die hieruit voortvloeien. Het bijzondere van deze vierde golf is dat die niet in Westerse landen, maar in Latijns-Amerika wordt geboren – waardoor men zich kan onttrekken aan het verwijt dat er is gemaakt. Het zou bovendien interessant zijn om deze opeenvolging te herlezen met de bijdragen van historisch onderzoek naar niet-westerse feminismen.

Franck Gaudichaud vertelde ons onlangs hoe belangrijk feminisme is voor het begrijpen van sociale bewegingen in Latijns-Amerika.(1)‘Wie is er nu in het offensief [in Latijns-Amerika]? Allereerst de feministische beweging, een van de centrale actoren van de klassenstrijd in Chili, Argentinië en Mexico.

Wie heeft in de afgelopen periode in Latijns-Amerika twee miljoen mensen op straat kunnen brengen? De feministische beweging in Chili en Argentinië, niet de revolutionaire linkerzijde! Zij die een strikt arbeidersgerichte visie op sociale verandering hebben, kunnen de ontwikkelingen in Latijns-Amerika niet begrijpen!’ Is het Latijns-Amerikaanse feminisme vandaag de dag het best in staat om de band met de arbeidersbeweging te leggen?

Deze kwestie van verbinding is zeer gecompliceerd. Historisch gezien is de feministische beweging als zodanig ontstaan binnen sociale opstanden. Maar haar bijzonderheid is dat ze altijd klassen overstijgend geweest is. Zo kon ze door fracties van de arbeidersbeweging, soms door haar stalinistische leiders, worden gereduceerd tot een bourgeois of kleinburgerlijke beweging. Dat heeft geleid tot een blijvende crisis tussen de feministische beweging en de arbeidersbeweging sinds de jaren zeventig, met de opkomst van een feministische beweging die – althans gedeeltelijk – autonoom is ten opzichte van de arbeidersbeweging. Ook al moet deze autonomie gerelativeerd worden: de feministen van de ‘klassenstrijd’ stroming vormden vanaf dat moment de schakel tussen de twee bewegingen.

Vandaag de dag blijft een deel van extreem links de politiek centrale rol van het feminisme ontkennen en herinnert zich de kracht ervan alleen wanneer het erin slaagt duizenden, zo niet miljoenen mensen massaal te mobiliseren. Dit deel van extreem-links betwist vooral haar centrale rol op strategisch niveau: het erkent weliswaar dat er specifieke vormen van onderdrukking zijn die op vrouwen en gender-minderheden drukken, maar het gelooft niet dat gender-onderdrukking samenvalt met kapitalisme en ontkent dat het ook een vorm van uitbuiting is, dat wil zeggen de toe-eigening van arbeidskracht. Precies dezelfde opmerkingen kunnen worden gemaakt over de politiek centrale rol van het antiracisme.

Maar de arbeidersbeweging kan natuurlijk niet worden herleid tot deze fractie van extreem links. Ik geloof dat aan de basis van de bewegingen integendeel een sterk besef ligt van de noodzaak van het samengaan van de strijd. En wat het feminisme betreft, is dit gedeeltelijk in de realiteit verwezenlijkt: veel vrouwelijke werknemers in de strijd leggen het verband tussen deze verschillende strijdpunten, omdat seksisme en/of racisme hun uitbuiting op het werk structureren, en het heeft geen zin ze van elkaar te scheiden.

Een goed voorbeeld is de voortdurende strijd van de kamermeisjes in hotel Ibis-Batignolles. Zij leggen een onlosmakelijk verband tussen feminisme, de strijd tegen racisme en de strijd voor verbetering van hun arbeidsomstandigheden.

Maar om terug te komen op Latijns-Amerika, ik geloof dat de bijzonderheid daarvan ligt in het feit dat juist daar de feministische beweging zeer krachtig is. Het is misschien wel de krachtigste beweging van dit moment. Daarom kunnen feministen het samenkomen van strijd tot een realiteit maken. In Frankrijk denk ik dat deze samenloop tot stand zal komen als we erin slagen een sterke en massale feministische beweging op te bouwen, die invloed zal hebben op de arbeidersbeweging en een stem zal geven aan de vrouwen en genderminderheden in de arbeidersbeweging.

Vanuit het perspectief van de articulatie van marxisme en feminisme stel je een theorie van sociale reproductie voor waarin nagedacht wordt over de relaties van productie, reproductie en sociale betrekkingen. Waarom is dat essentieel voor jou?

Deze theorie ontstond al in de debatten in de jaren zestig en zeventig op het kruispunt van marxistische en feministische theorieën rond huishoudelijk werk. Vervolgens kristalliseerde het zich in de jaren tachtig uit rond een belangrijk werk, Marxism and the oppression of women van Lise Vogel, om de laatste jaren een heropleving te beleven in een specifieke politieke en academische context.

Enerzijds heeft het marxisme inderdaad een hernieuwde belangstelling gekend in de context van de economische crisis van 2007-2008. Anderzijds is de feministische theorie, dankzij de nieuwe golf, de laatste jaren bijzonder dynamisch geweest. Zo moeten we het belang van de theorie van de sociale reproductie begrijpen. Het tracht een analyse te geven van de onderdrukking van vrouwen en gender-minderheden binnen het theoretisch kader van het marxisme – wat uiteraard een soepele verhouding tot het marxisme impliceert.

De sociale reproductietheorie toont aan dat als vrouwen en genderminderheden worden gedomineerd, dit niet te wijten is aan een eenvoudige ideologische onderdrukking die zou zijn blijven voortbestaan (als een overblijfsel van een oude tijd). Het toont ook aan dat dit geen bijkomstigheid van het kapitalisme is, en dat het kapitalisme niet sekse-onafhankelijk kan zijn. Als deze overheersing bestaat, is dat omdat ze een materiële basis heeft die noodzakelijk is voor het kapitalisme. Deze materiële basis is de toewijzing van vrouwen en genderminderheden, binnen een genderspecifieke arbeidsdeling, aan een specifiek soort werk: reproductief werk. Reproductieve arbeid is de productie en reproductie van leven, dat wil zeggen werknemers in de kapitalistische economie.

Op een hoger abstractieniveau gezegd en met gebruikmaking van marxistische categorieën, is reproductieve arbeid de arbeid die arbeidskracht voortbrengt en reproduceert. Het moet dus duidelijk zijn dat het niet om biologisch werk gaat. Integendeel: de meeste taken die ermee gepaard gaan, zijn niet biologisch. Zelfs wanneer voortplantingswerk biologische processen omvat, worden ze gemarkeerd met het zegel van socialiteit. Vandaar de term ‘sociale reproductie’.

Hoe vertaalt dit reproductieve werk zich in de praktijk?

Het speelt zich af op twee niveaus. In de eerste plaats bestaat het dagelijks werk uit het verrichten van alle taken die nodig zijn om de werknemers fit en klaar te houden om de volgende dag weer aan het werk te gaan: het bereiden van maaltijden, het wassen van kleren, het huishouden, enzovoort. Vervolgens, op intergenerationeel niveau, bestaat het uit het reproduceren van de beroepsbevolking in de tijd: in het bijzonder door de productie van en het onderwijs aan kinderen. Een van de centrale plaatsen waar reproductieve arbeid wordt verricht is het gezin – het komt dan overeen met de huishoudelijke arbeid waarover feministen in de jaren zeventig theoretiseerden. Maar het belang van de theorie van de sociale reproductie is om aan te tonen dat ze ook in andere sferen kan worden uitgevoerd.

Welke, bijvoorbeeld?

Sociale reproductie kan gedeeltelijk worden gecollectiviseerd door middel van openbare diensten, met name op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg. Binnen dit kader blijft het extreem gendergebonden: het zijn vooral vrouwen en genderminderheden die zich ermee bezighouden. Net zoals reproductieve arbeid onzichtbaar is en niet wordt erkend als werk binnen het gezin, maar wordt voorgesteld als het resultaat van een ‘natuurlijke’ aspiratie, wordt het sociaal gedevalueerd en slecht beloond in het kader van de openbare diensten – en beschouwd als grenzend aan werk.

Maar het kan ook in de marktsfeer worden geïntegreerd en dan vooral via persoonlijke dienstverlening. In dit kader is het niet alleen genderspecifiek, maar ook sterk geracialiseerd: het wordt grotendeels uitgevoerd door geracialiseerde vrouwen en vrouwen uit de arbeidersklasse. Hieruit blijkt dat de centrale spelers in de feministische strijd de geracialiseerde vrouwen zijn, die nu steeds meer het reproductieve werk overnemen. In het kapitalistische kader is de overheersing van vrouwen en genderminderheden datgene wat indirect de productie van winst mogelijk maakt. Het is dus onmogelijk een kapitalisme te bedenken dat geen onderscheid maakt tussen geslacht (en ras): het hele functioneren ervan berust op het bestaan en de bestendiging van deze sociale overheersingsverhoudingen.

Volgens jou ligt het zwakke punt van het zogenaamde ‘materialistische feminisme‘ ‘in haar gebrek aan strategische uitwerking’. Je schetst de weg van een revolutionaire en marxistische strategie: waarom zou die meer kans van slagen hebben?

Om precies te zijn stel ik dat een van de oorzaken van de snelle institutionalisering van de feministische beweging ligt in het gebrek aan strategische uitwerking van het materialistisch feminisme buiten de beweging. Veelzeggend is dat Christine Delphy in de jaren zeventig kon zeggen, verwijzend naar haar artikel ‘L’ennemi principal‘, dat praten over revolutionaire strijd ‘niet betekent dat we weten hoe we het moeten doen, of wat we moeten vernietigen om [het patriarchaat] te vernietigen. Het ontdekken ervan is een integraal deel van de strijd.’ Ik denk dat dit deels symptomatisch is voor het feit dat de feministische strijd op de een of andere manier op zichzelf stond, en dat er een soort weigering was om een concrete strategie te ontwikkelen om het patriarchaat omver te werpen. Maar ik zou het waarschijnlijk niet precies in die vorm schrijven vandaag…

Waarom?

Ik heb de indruk dat het een onovertroffen beweging van het kapitalisme is om de verschillende protestbewegingen te coöpteren. Wat daarentegen het debat tussen materialistische feministen en marxistische feministen betreft, lijkt het mij van belang om allereerst te onderstrepen hoezeer wij allen, als feministen, schatplichtig zijn aan de uiterst rijke theoretische uitwerkingen van het materialistische feminisme. De onenigheid ligt meer op politiek niveau.

Met name Christine Delphy heeft het idee verdedigd van een autonome patriarchale productiewijze, parallel aan de kapitalistische productiewijze, terwijl ik de verbinding tussen productie en reproductie, voorgesteld door de theorie van de sociale reproductie, een meer overtuigende analyse vind. Op strategisch niveau heeft dit ertoe geleid dat zij een totale autonomie van de feministische beweging ten opzichte van andere bewegingen verdedigt. Maar dit lijkt mij theoretisch onjuist, aangezien geslacht, klasse en ras zo met elkaar verweven zijn: ze produceren en reproduceren elkaar. Strategisch verkeerd en ernstig. Ik betwijfel of een enkele beweging in staat is het kapitalisme of het patriarchaat op eigen kracht omver te werpen en een andere sociale organisatie op te zetten zonder de vraag  over productie en reproductie centraal te stellen, de vraag naar sekse zowel als klasse en ras.

Je geeft een kritische lezing van wat je de ‘strategie van het kruispunt denken‘ noemt, dat wil zeggen over bepaalde toepassingen van het begrip kruispunt denken door activistische kringen: de notie van ‘voorrechten’ die de kwestie van de macht uitwist, de individualisering van de overheersing ten nadele van een structurele aanpak, ondemocratische ‘veilige ruimten‘, het zoeken naar individuele zuiverheid… Is dit een bittere vaststelling van een activiste?

Dit is inderdaad gebaseerd op een ervaring als activist. Ik vond dat het nodig was een balans op te maken. Niet omdat ik er zo verbitterd over ben, maar eerder omdat we getuige zijn van een wedergeboorte van het feminisme. We moeten niet bang zijn om de balans op te maken van onze fouten uit het verleden om een zo succesvol mogelijke feministische beweging op te bouwen. Ik ben zelf ooit in deze logica getreden: het is niet zozeer kritiek als wel een vorm van zelfkritiek. Ik heb trouwens de indruk dat ik niet de enige ben die deze balans opmaakt: in feite zijn er meer en meer van ons die dat doen. Het aantal feministische collectieven dat is geëxplodeerd – mijn vroegere collectief bijvoorbeeld – en het aantal mensen dat als gevolg van deze verschijnselen is gestopt met actief zijn, heeft geleid tot een grote collectieve bezinning en een diepgaande reflectie op deze praktijken.

Sommigen menen dat kruispunt denken een theoretisch kader is, geen strategie. Het voorwerp van jouw kritiek lijkt soms op en neer te bewegen tussen dit theoretisch kader en de strategische toe-eigening ervan.

In lijn met de uitwerkingen van het zwarte feminisme wordt kruispunt denken geconceptualiseerd door de zwarte Amerikaanse juriste Kimberlé Crenshaw in twee baanbrekende artikelen in 1989 en 1991. Hoewel ze een hele reeks beschouwingen ontwikkelt, kan worden gezegd dat de kern van haar betoog erin bestaat aan te tonen dat het onmogelijk is een sociale relatie van overheersing te isoleren van andere (met name die van gender, klasse en ras): ze worden met elkaar gearticuleerd en herconfigureren elkaar. De term is zo succesvol, zowel theoretisch als in activiteiten, dat hij gedeeltelijk is toegeëigend, met name door de gendersociologie en vervolgens wordt gebruikt om vooral een methode aan te duiden – die van de samenloop van sociale dominanties.

Dus ik ben het ermee eens dat kruispuntdenken eerst en vooral een theorie is. Dat heeft bepaalde toe-eigeningen door activisten niet verhinderd, die moeten worden onderscheiden van oorspronkelijk kruispuntdenken – dat probeer ik in mijn werk te doen, misschien met wisselend succes. Ik laat zien dat het een vervorming op individuele of inter-individuele schaal is van de materialistische, en soms marxistische, analyse van het oorspronkelijke zwarte feminisme. Ik specificeer systematisch wanneer ik daartoe de kans krijg dat ik deze strategie ‘kruispunt denken’ heb genoemd bij gebrek aan betere woorden om het te karakteriseren…

In een context waarin de overheid kruispunt denken wil demoniseren en theoretische en radicale producties over dit onderwerp wil censureren, moet ik de term natuurlijk opeisen! Dit mag ons er echter niet van weerhouden een kritische blik te werpen op sommige van haar militante toe-eigeningen.

‘Een stem geven aan de betrokkenen’ is een tegenwoordig wijdverspreid modewoord. Je betreurt dat er soms een verschuiving kan plaatsvinden: wanneer we ‘van een theorie van gesitueerde gezichtspunten […] naar een theorie van het absolute kennistheoretische voorrecht van de gedomineerden over hun overheersing’ gaan, dat wil zeggen, wanneer ‘iedere persoon, indien onderdrukt, de onbetwistbare waarheid van zijn onderdrukking in pacht heeft, en daarmee de sleutel tot zijn bevrijding.’ Maar wat zou dan het ‘juiste’ evenwicht zijn?

Nogmaals, dit is een verdraaiing van de oorspronkelijke theorie. We gaan uit van het volledig marxistische idee, dat de maatschappelijke positie onze manier van begrijpen van de wereld bepaalt (en dat het daarom interessant is, om overheersing te analyseren: de ervaring van hen die haar beleven – en dat dit politiek gezien misschien momenten en organisaties vereist die niet gemengd zijn) naar het idee dat alleen zij die overheersing beleven het recht hebben om erover te spreken. En dat ze zich politiek moeten organiseren op een wijze die absoluut autonoom is ten opzichte van hen die het niet beleven.

Wanneer we een perspectief van kruispunt denken aannemen, zien we dat dit moeilijk vast te houden is: het heeft tot gevolg dat de strijd wordt geatomiseerd en dat elke convergentie wordt verhinderd. In tegendeel, ik denk dat het belangrijk is te benadrukken dat slechts een klein deel van de bevolking op geen enkele manier wordt gedomineerd – het is die groep die de politieke en economische macht heeft om het leven van alle anderen te bepalen. Ook al ondervinden we nu niet dezelfde soorten overheersing, ook al lopen onze belangen soms uiteen, toch hebben we er een groter materieel belang bij ons te verenigen om de structuren van de maatschappij omver te werpen en een andere manier van leven, produceren, reproduceren en politiek bedrijven tot stand te brengen.

Hoe zie je, gezien de theoretische en politieke erfenis waarvan je deel uitmaakt, het fenomeen van de rehabilitatie van heksen in het westerse feminisme – met het ‘esoterische’ gedeelte dat het soms in zich draagt?

Het specifieke aan de figuur van de heks is dat ze bijzonder plastisch is. Ze kan worden geclaimd als een breed feministisch symbool: de heksenjacht is een historisch voorbeeld van massale vrouwenmoord. Het symbool kan worden toegeëigend door verschillende stromingen binnen het feminisme, die er telkens een andere lezing aan zullen geven. Dat is de aard van symbolen. De heksen zijn ontketend door zwarte feministische blokken, ‘heksenblokken‘ genoemd, tijdens de mobilisatie tegen de Arbeidswet [in 2017 in Frankrijk].

Het is het zwart dat ermee geassocieerd wordt en de feministische connotatie ervan, die deze toe-eigening mogelijk hebben gemaakt. Theoretisch is het een figuur die zowel Silvia Federici oproept in een materialistische lezing van de komst van het kapitalisme als de primitieve opeenhoping van vrouwenlichamen in Caliban anthe Witch, als Starhawk, die haar deel van het esoterisme opeist. Ik denk dus dat de betekenissen van de heks niet vastliggen en dat het een krachtig en mobiliserend symbool is dat we niet moeten aarzelen om op te roepen.

Je maakt deel uit van het Collectif féministes révolutionnaires, opgericht in de impuls van de mobilisatie tegen de arbeidswet…

We wilden een ruimte creëren die zowel feministisch als marxistisch was. Een plaats voor training, debatten en strijd. Een welwillende ruimte waar iedereen tegelijk zich collectief kan vormen, meningsverschillen kan uiten en activiteiten kan ontplooien. Jezelf als ‘revolutionair’ definiëren schept natuurlijk een de facto afbakening met de hele feministische beweging. Het was niet noodzakelijkerwijs de bedoeling een zo breed mogelijk collectief te vormen, maar veeleer een bepaald beleid en een bepaalde strategie binnen de feministische beweging te verdedigen.

Om in actie te komen lijkt het ons meer aangewezen om zelforganisatie op lokale en nationale schaal te ontwikkelen: via buurt- en werkplekcomités bijvoorbeeld, zoals ten tijde van (de abortusbeweging)  MLAC in de jaren zeventig. Ons doel is gezamenlijk op te treden in de vrouwenbeweging en in de sociale beweging in ruime zin, dat wil zeggen zowel in nationale mobilisaties als in de antiracistische of de arbeidersbeweging – telkens opkomend voor het bundelen van de strijd.

We zijn actief aan het strijden binnen de nieuwe golf van feminisme: zo hebben we deelgenomen aan algemene MeToo-vergaderingen in 2017 en dringen we aan op de oprichting van lokale comités om de feministische staking voor 8 maart voor te bereiden. We steunen ook de verschillende sociale bewegingen en brengen feministische leuzen en eisen naar voren. Tijdens de mobilisatie van de spoorwegarbeiders tegen het verlies van hun statuut, bijvoorbeeld, zijn we actief geweest om het technicentrum Landy in Saint-Denis te steunen; als tegenprestatie zijn zij met ons komen demonstreren tijdens de Pride March die daarop volgde. Meer recent hebben we de staking van de kamermeisjes van het Ibis-Batignolles hotel gesteund, waarover we het al hadden, die al meer dan een jaar strijden.

Maar tussen haakjes: als het feminisme geen verenigd blok is, zoals je hebt aangetoond, waarom heb je je boek dan… De feministische revolutie genoemd?

Ik gebruik de term ‘feministische revolutie’ op dezelfde manier als waarop ik over de ‘feministische beweging’ in het enkelvoud spreek – wel wetend dat deze wordt doorkruist door tegengestelde stromingen, dat er een verscheidenheid aan feminismen bestaat en dat het etiket ‘feminist’ gebruikt kan worden om zaken te verdedigen die weinig met feminisme te maken hebben! Soms is het goed om abstractere termen te hebben, dus in het enkelvoud, die ons in staat stellen een reeks verschillende ruimten te omvatten.

De feministische beweging is, net als de arbeidersbeweging, een term die het mogelijk maakt de gehele feministische sociale ruimte te heroveren, waarbij men tijdelijk blind is voor de samenhangende diversiteit ervan. De feministische revolutie is tegelijkertijd een periode, die we nu meemaken: de opkomst van een feministische beweging van meer dan een eeuw, op planetaire schaal, die als een vloedgolf alles op haar pad dreigt omver te werpen. En het is ook een belofte. De belofte dat er ooit een feministische revolutie zal komen.

Maar ik hoop dat ik duidelijk genoeg heb gemaakt dat, in mijn opvatting, geen revolutie kan plaatsvinden als ze niet feministisch is en omgekeerd geen revolutie feministisch zal zijn als ze niet het kapitalisme, het klassensysteem en de racistische organisatie van de maatschappij omverwerpt. Als ze niet ook een reorganisatie van productie en reproductie doorvoert.

Dit interview verscheen oorspronkelijk op Ballast. Nederlandse vertaling: redactie Grenzeloos.

Voetnoten

Voetnoten
1 ‘Wie is er nu in het offensief [in Latijns-Amerika]? Allereerst de feministische beweging, een van de centrale actoren van de klassenstrijd in Chili, Argentinië en Mexico.

Wie heeft in de afgelopen periode in Latijns-Amerika twee miljoen mensen op straat kunnen brengen? De feministische beweging in Chili en Argentinië, niet de revolutionaire linkerzijde! Zij die een strikt arbeidersgerichte visie op sociale verandering hebben, kunnen de ontwikkelingen in Latijns-Amerika niet begrijpen!’