Ter gelegenheid van de 100e verjaardag van de Communistische Partij van China publiceren we deze artikelenreeks van Freddy De Pauw. In dit tweede deel  gaat hij in op de Lange Mars, de oorlog tegen de Japanners en Chiang. Het vorige deel, over het ontstaan van de partij, de revolutiejaren 1925-1927 en de aanloop naar de Lange Mars, kan je hier lezen. In een volgend deel: ‘Aan de macht. En wat met die macht te doen?’

De overlevenden van de onthoofding van de Chinese communistische partij in 1927 waren volkomen ontredderd. Zowel de partij als haar vakbonden en de arbeiders in het algemeen, leken afgemaakt door Chiang Kai-shek en de opkomende bourgeoisie. De partij had in enkele provincies wel voet aan de grond gekregen bij boeren, maar ook dat stelde niet veel voor.

Boeren

De jonge CP had aan den lijve ondervonden wat klassenstrijd is. Alleen, de klasse die volgens haar een historische taak had, was zwak en lag plat onder de repressie. Pogingen om ook na de slachting in Shanghai (april 1927) de strijd nieuw leven in te blazen, werden later binnen de CP afgedaan als ‘avonturistisch’. De Commune van Canton was in december 1927 geëindigd met een bloedbad – tussen 4.000 en 8.000 doden. Een poging tot militaire opstand in Nanchang was een fiasco. En de “opstand van de herfstoogst” bij de boeren werd nauwelijks opgemerkt.

De CP moest zien te overleven. Ze stelde zich op als een substituut voor de verder afwezige arbeidersklasse. Ze zat nu wel in de clandestiniteit wat haar tot strakkere organisatie noopte, met hoogstens zeven leden per cel omwille van de veiligheid.

Maar er waren tenslotte nog andere onderdrukten, de meerderheid van de boeren. Vooral Mao Zedong, zelf een boerenzoon uit Hunan, had daar al eerder een rapport aan gewijd waar de partij toen niet veel belangstelling voor had. Maar noodgedwongen liet de CP de steden en de arbeiders links liggen.

Mao zelf trok naar een bergachtige streek Ching Kang Shan waar de basis van een Chinese Sovjetrepubliek werd gelegd. Het “Rode Leger” dat hij mee had, stelde niet veel voor, maar de regio was makkelijk te verdedigen en de Kwomintang van Chiang had veel andere katten te geselen – waaronder interne strubbelingen en de strijd tegen de Noordelijke clans. Naast dat “Rode leger” richtte hij guerrilla eenheden van “rode wachters” op. Verspreid over tien provincies telde dat “Rode Leger” tussen 60.000 en 80.000 manschappen. Voor Mao waren die troepen niet alleen een militaire, maar ook een revolutionaire politieke organisatie die zich moest inplanten en het instrument van de revolutie moest worden.

Vrouwen en sovjets

In Centraal China ontstonden her en der kleine zones waar de communisten met een landhervorming meestal de steun van de armere boeren kregen. Met de vorming van lokale milities sloten de communisten aan bij oude tradities van boerenverzet. Met andere tradities hadden de communisten het moeilijker.

Zoals met het statuut van de vrouwen in de dorpen. Het was een vast punt van de partij om in die rode zones de boeren iets over de rechten van de vrouw bij te brengen. De eerste wetten van de nieuwe Volksrepubliek in 1949 betroffen trouwens vrouwenrechten. Maar vandaag, 2021, is de CPC een zeer sterk mannenbastion. Bij voorbeeld: In het Politiek Bureau van de CP zitten 2 vrouwen naast 23 mannen.

In 1931 oordeelden de communisten dat hun inplanting in al die, weliswaar erg verspreide en kleinere rode zones, de proclamatie van de Chinese Sovjetrepubliek verantwoordde. Mao werd voorzitter van deze republiek van “democratische dictatuur van arbeiders en boeren”.

Ching Kang Shan was intussen opgegeven, maar er waren zoveel andere zones nu, vooral in de zuidelijke provincie Jiangxi. De communisten hadden rond die tijd in Centraal China volgens sommige schattingen rond 10 miljoen mensen in hun zones. Dat ze ondanks hun militaire zwakte meer dan vijf jaar standhielden, hadden ze vooral te danken aan de massale steun die ze bij de boerenbevolking genoten.

Op de loop

De Nationalisten (Kwomintang) waren de communisten echter niet vergeten. Economische blokkades van de “rode zones” en militaire offensieven dreven de communisten meer en meer in het nauw. Mogelijks speelde dat mee in de spanningen binnen de partij en de Sovjetrepubliek. Spanningen die toen al tot grote interne zuiveringen leidden, en die vaak moorddadig waren. Etiketten als “reformist”, “liquidationist” en contra-revolutionair leidden tot executies van partijleden die alles voor de partij hadden opgegeven.

Eind 1934 vernam Zhou Enlai van een infiltrant bij de Kwomintang dat Chiang aan een grootscheeps offensief met honderdduizenden manschappen ging beginnen. Als men de revolutie en de partij wou redden, moest men opkrassen.

Chiang zette inderdaad 800.0000 militairen en de luchtmacht in. Dat was het einde van de “rode zones”. De blokkades en opeenvolgende militaire offensieven beroofden de jonge Sovjetrepubliek van grondgebied en bevolking. Wat nu in Jiangxi en elders gebeurde, leek even erg als wat er in 1927 in de steden was gebeurd. Na haar arbeidersbasis verloor de CP ook haar boerenbasis.

Nogmaals overleven

Mao en de andere chefs beslisten weg te trekken uit Centraal China, naar het noorden. Xinjiang? Dat was te onherbergzaam, te weinig bevolkt – bovendien nog door moslimvolken. Bovendien te dicht bij de invloed van Moskou? Mao, die de invloed van de Comintern liever beperkt hield, koos voor de noordelijke provincie Shaanxi. Bijna 100.000 mannen en vrouwen begonnen aan een lange mars.

De periode tussen 1927 en 1935 had de partij erg getekend. Het lukte om met een programma voor o.m. landhervorming – vooral landverdeling -boeren massaal aan de kant van de partij te krijgen – de partij als substituut voor de arbeiders. De partij plaatste niet alleen vrouwenrechten op de agenda, maar ook rechten van nationale minderheden waarmee ze in enkele provincies in aanraking was gekomen. Op het 6e congres (dat in 1928 in Moskou plaats had) was het recht op zelfbeschikking van de volkeren in China vastgelegd.

En de partij had zich in het verzet tegen de Japanse bezetting van Mantsjoerije (1931) en de Japanse expansieplannen, weer opgeworpen als de meest nationalistische. Waar ze konden, organiseerden ze anti-Japanse manifestaties. In 1932 had de CPC zelfs de oorlog verklaard aan Japan, een nogal theatrale propagandazet.

De nationale burgerij is niet in staat het koloniale juk af te werpen, dat is de taak van de communisten, vonden ze zelf. Voor Mao was het duidelijk dat communisme en nationalisme samen ging. Waardoor hij vaak tegen de Comintern inging die vooral dacht aan de belangen van de Sovjet-Unie en een boontje had voor Chiang Kai-shek. De periode 1927-1935 maakte de CPC losser van de Comintern en Moskou, wat best kan meegespeeld hebben bij de breuk tussen de Sovjet- en de Chinese communisten in de jaren 1960.

De Lange Mars

Die periode werd ook afgesloten met de erkenning van Mao als degene die de partij en het Rode Leger door deze moeilijke tijd kon leiden. Begin 1935, bij het begin van wat “De Lange Mars” werd, hield de partijleiding een conferentie in Zunyi, in de zuidelijke provincie Guizhou, waar ze Mao benoemde tot chef van de Militaire Commissie van de partij – gelijk aan chef van het Rode Leger.

Die conferentie legde de tegenstelling bloot tussen de “28 bolsjevieken”, in Moskou of door Moskou opgeleide kaders, enerzijds, de ‘maoisten’ anderzijds. Na Zunyi was de invloed van de Comintern op de CPC duidelijk geslonken.

De Lange Mars die de overblijvers, na veel ontberingen en deserties, in Yenan bracht, is het grote epos van de Chinese revolutie. Mao was nu de onbetwistbare prestigieuze leider van de CP, Mao’s woorden uit Yenan – of het nu over militaire kwesties of over dialectiek ging, leverden honderden citaten op voor het Rode Boekje van de jaren 1960, al beweerden bronnen binnen en buiten de partij dat Mao enkele van zijn teksten voor de geschiedenis had herschreven. De herschrijving van de geschiedenis beperkte zich niet alleen daartoe.

Dialectiek?

De vestiging in Yenan viel samen met nieuwe Japanse agressie. Die agressie was voor Mao de gelegenheid om zijn visie op dialectiek te illustreren: secundaire tegenstellingen moeten wijken voor de prioritaire tegenstelling. En die laatste bestond erin het land zo eensgezind mogelijk verdedigen tegen het Japans imperialisme. De secundaire tegenstelling was de oorlog met de Kwomintang van Chiang Kai-shek, die moest dus wijken.

Die maoïstische versie van dialectiek kende hoogdagen in de jaren 1960 en 1970 toen maoïsten wereldwijd, ook bij ons, de strijd tegen het “sociaal-imperialisme” (de Sovjet-Unie) als prioritaire tegenstelling poneerden. Iets als strijd tegen de Navo was nu secundair en moest dus wijken voor de prioritaire. Weg dus met bevrijdingsbewegingen die al te zeer door Moskou werden gesteund, zij waren misschien wel agenten van dat sociaal-imperialisme.

De oorlog met Japan opende een nieuwe fase, die van het “eenheidsfront”. De Comintern had tegenover het triomferend fascisme en de gevaren die dat voor de USSR inhield, wereldwijd opgeroepen tot volksfronten, vooral in Europa, met een deel van de kapitalistische burgerij.

Maar Mao’s oproep tot eenheidsfront was louter ingegeven door de situatie in China zelf, want dit was een kans voor de CP om de leiding te nemen van de patriottische verdediging van het land. De klassenstrijd moest even ondergeschikt worden aan de patriottische strijd. Om het eenheidsfront te doen slagen, werd onder meer het programma over landhervorming tot een minimum herleid om rijkere grondbezitters niet af te schrikken.

Het was slechts onder zware druk vanuit Moskou dat de CP er zich bij neerlegde dat de gehate Chiang, vriend van Moskou, het eenheidsfront – althans in naam – zou leiden. De CP zou echter volledig autonoom blijven.

Gedachte Mao Zedong

Met hun inzet in de oorlog tegen de Japanse troepen, wonnen de communisten veel prestige, en leden. De CP telde in 1937 in het ganse land rond 40.000 leden, in 1940 waren er dat al 800.000. Dat stelde een probleem van discipline. Want onder de nieuwe leden, vooral onder de vele intellectuelen die aansloten, waren er veel die volgens de partijleiding te veel beïnvloed waren door de burgerlijk-democratische opvattingen van de 4 Mei Beweging (1919). Die moesten dus opgevangen en opgevoed worden, en dat werd dan in 1942 de Rectificatie Beweging (Zhengfeng), een scholing – indoctrinatie, aldus opposanten – op massale schaal.

Sommige oudere partijkaders waren tegelijk niet gelukkig met de nieuwe koers om de landhervorming, de oprichting van sovjets en andere strijdpunten op te geven in naam van het brede eenheidsfront. De rectificatie ging gepaard met grote zuiveringen onder die veteranen die naargelang de persoon beschuldigd werden van rechts deviationisme, liquidationisme en natuurlijk ook trotskisme. De zuiveringen bestonden niet alleen uit uitsluitingen maar ook fysieke liquidatie, sommige historici spreken van 10.000 moorden. Voor Mao de gelegenheid om rivalen voorgoed uit te schakelen.

De partij kreeg statuten en bakende de ideologie af. Samengevat werd dat het marxisme-leninisme aangevuld met de “Gedachte-Mao Zedong”. Daarmee beklemtoonde Mao de afstand met Moskou, maar natuurlijk vooral zijn historische rol, op dezelfde hoogte als Marx, Engels en Lenin. Enkele politiek-filosofische geschriften over dialectiek en het belang van de ‘praxis’ bevestigden die pretenties als theoreticus van een communisme met specifieke Chinese kenmerken. Zoals Xi en zijn voorgangers het al vier decennia hebben over de opbouw van een socialisme met Chinese kenmerken…

Bezegeld

Mao ging dus in april 1945 naar het 7e partijcongres in Yanan, het eerste sinds 1928, als alleenleider van een partij met 1,2 miljoen leden, een leger van bijna één miljoen manschappen en daarnaast twee miljoen militieleden, en met de controle over gebieden met bijna 100 miljoen inwoners. Het congres was de bezegeling van een personencultus rond Mao.

Op dat congres stelde Mao verregaande voorwaarden aan de Kwomintang om de “coalitie” verder te zetten. De CP was in alle opzichten in opmars, de Kwomintang was verdeeld, gediscrediteerd door corruptie en nepotisme zodat zelfs de bondgenoten in Washington sterke twijfels hadden aan de soliditeit van de Nationalisten van de Kwomintang. Het zogenaamde eenheidsfront hield dan ook niet lang stand.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op Uitpers.