Oudere trotskisten of ex-trotskisten die hun memoires schrijven – ze zijn niet echt dik gezaaid. Sal Santen publiceerde Adios Companeros, Edwy Plenel Secrets de Jeunesse en Daniël Bensaïd Une lente impatience. De titel van Plenels boek laat al zien hoezeer deze auteurs het gevoel hebben uit de school te klappen en de manier waarop ze in hun eerste hoofdstukken vaak worstelen met de ‘ik’ en de ‘wij’-vorm hoe ongaarne ze zichzelf op de voorgrond plaatsen. Misschien is er nog een andere reden voor deze schroom. Terwijl ex-stalinisten gewoonlijk een echte afrekening te maken hebben, wordt er door trotskisten zelden met wrok teruggekeken. Het tegendeel is eerder het geval. Vriendschapsbanden zijn blijven bestaan, liefdesbanden soms ook. Ideologisch is er sprake van weinig verschuiving. Men is simpelweg een andere weg ingeslagen in zijn leven.

Lionel Jospins geheime lidmaatschap

Dat geldt zeker ook voor Benjamin Stora. Deze emeritus hoogleraar geschiedenis, specialist in die van Algerije, heeft vanaf de vroege jaren tachtig een mooie academische carrière uitgebouwd aan de universiteit van Parijs. Weinigen van zijn collega’s en studenten waren zich bewust van zijn trotskistisch verleden. Nochtans was Stora bijna twintig jaar lid geweest van de Organisation Communiste Internationale (OCI), de beweging van Pierre Lambert, waarvan een tiental jaar als permanent en acht jaar als lid van de Centraal Comité. In 1986 was hij er uit gestapt. Toen premier Lionel Jospin in 2002 presidentskandidaat was namens de socialistische partij en tijdens de eerste ronde al smadelijk verloor – onder meer door de relatief hoge scores van enkele trotskistische kandidaten  – doken er links en rechts berichten op over zijn geheime lidmaatschap van de OCI. Jospin zou jarenlang een geheime troef van de ‘Lambertisten’ zijn geweest, een strekking die met veel geheimzinnigheid werd omgeven. Stora ergerde zich aan de vele onzin die er over zijn vroegere partij in de openbaarheid verscheen en besloot zelf een boekje op te doen. Zijn mémoires verschenen onder de titel La Dernière Génération d’Octobre. Ook al is Lionel Jospin inmiddels vergeten en de aanleiding voor het schrijven compleet gedateerd, de memoires van Stora zijn een verrassend inzichtelijk, goed geschreven en in zekere zin tijdloos boek geworden.

Vlucht uit Algerije

Benjamin Stora komt in 1962 met zijn familie naar Frankrijk. Het Joodse gezin is afkomstig uit de Algerijnse stad Constantine en heeft daar jaar na jaar het geweld van de onafhankelijkheidsoorlog naderbij zien komen. Lange tijd twijfelt zijn vader of emigratie de verstandigste keuze is, maar wanneer een bekende Joodse zanger wordt vermoord lijkt voor iedereen in de Joodse wijk blijven geen optie meer. Midden in de zomer, gekleed in dikke lagen truien en jassen, stappen vader en moeder Stora met hun twee kinderen op een militair toestel dat hen naar Parijs brengt. De ouders hebben de stad waar hun families generaties lang hebben gewoond nooit meer teruggezien. Van de ene op de andere dag, zonder noemenswaardige hulp van de overheid, worden ze gedwongen zich aan te passen aan het armoedige leven in een Parijse voorstad. Vader is vaak werkloos, moeder werkt aan de lopende band bij Renault. Benjamin en zijn zuster groeien op als eenzame en zwijgzame pubers en adolescenten, zonder familie, zonder veel vrienden, zonder veel aansluiting bij buurtbewoners.

“De OCI levert de achttienjarige Stora alsnog de vrienden op die hij niet had, het levensdoel dat hij miste, de energie die hem ontbrak.”

Een warm bad van kameraadschap

Daarin komt verandering tijdens Mei ‘ 68. De leerlingen op het lyceum van Benjamin ‘doen mee’ aan de staking en de betogingen. Als het revolutionaire tij begint te ebben, wordt Benjamin gerekruteerd door enkele sympathieke studentes die lid zijn van de FEN, de voorloper van de OCI. Voor de kersverse rekruut gaat er een wereld open. Niet alleen gelooft hij heilig in de Revolutie, hij voelt zich vooral ondergedompeld in een warm bad van kameraadschap. De OCI levert de achttienjarige alsnog de vrienden op die hij niet had, het levensdoel dat hij miste, de energie die hem ontbrak. Hij bloeit helemaal open, op alle vlak. De vervolgstappen die hij maakt zijn dan ook volkomen logisch voor hem. Hij engageert zich steeds meer en krijgt geleidelijk ook meer verantwoordelijkheden. De eerste jaren is Stora zeer actief in de studentenvakbond, organiseert hij scholierenprotesten, staat hij aan de stencilmachine in het partijlokaal en bestudeert hij de klassieke werken van het marxisme. “Ik heb heel wat klusjes verricht om het partijbureau op nummer 87, Rue du Faubourg Saint Dennis op te knappen, heb het heel nachten mee helpen bewaken tegen vandalisme door politieke tegenstanders..(-) … Heel mijn leven als militant ben ik uitgestapt bij de metrostations ‘Strassbourg Saint Denis’ of ‘Chateau D’Eau’.”  Hij vecht geregeld met stalinisten van de PCF, maoïsten van Gauche Proletarienne, soms ook met andere trotskisten, zoals die van de LCR. Binnen en buiten de universiteitsgebouwen gaat het er geregeld erg gewelddadig aan toe en zijn botbreuken en hersenschuddingen geen zeldzaamheid. Maar het schrikt hem niet af, integendeel. Als hem verzocht worden zich nog diepgaander te engageren hoeft hij er niet over na te denken: hij treedt in dienst van de partij en wordt beroepsrevolutionair.

Verdronken in de Seine

En dan komt geleidelijk de twijfel en de omslag, maar het is een proces van jaren en het neemt de vorm aan van sluipende metaalmoeheid. Anders dan veel kameraden breekt Benjamin Stora zijn universitaire studies niet af. “Ik voelde me schuldig tegenover mijn ouders. Zij hadden het niet breed en zouden niet gewild hebben dat ik mijn academische kansen verspeelde.” Maar dat is niet de enige reden. Stora kent Michel Recanati, woordvoerder van de stakende scholieren in 1968, een iets oudere jongen die zich, net als hij, volledig op de politiek heeft gegooid, erin is vastgelopen en zichzelf in 1978 in de Seine heeft verdronken. Romain Goupil maakt er vijf jaar later een bekroonde documentaire over, onder de titel Mourir a Trente Ans. Stora is zich ervan bewust dat er een leven naast en misschien ook na de politiek moet zijn en dus werpt hij zich met evenveel enthousiasme op zijn studie als op zijn werk als beroepsrevolutionair en even later ook nog op zijn leven als echtgenoot en vader van een dochter. Het wordt allemaal heel normaal gevonden door de leiding van de OCI, zolang de partij maar op de eerste plaats komt.

Het Centraal Comité als telmachine

De eerste jaren kijkt Stora geweldig op tegen Pierre Lambert. Lambert is een man van mythische proporties. Hij heeft weliswaar Trotsky zelf nooit ontmoet maar wel velen van de eerste generatie militanten sinds de oprichting van de Vierde Internationale in 1938. Hij is getekend door de conspiratieve praktijk tijdens de Duitse bezetting en de onderdrukking door de almachtige communistische partij in de eerste jaren na de oorlog. Pierre Lambert is de man die zijn naam gaf aan de groep die niet meedeed met het entrisme dat door de Griek Michel Raptis werd gepropageerd en dat leidde tot de scheuring tussen ‘Pablisten’ en ‘Lambertisten’ in 1952.  Al die negatieve ervaringen hebben van Lambert en de zijnen tamelijk doctrinaire marxisten gemaakt. “Hij ging prat op een brede marxistische kennis maar in zijn kantoor stonden enkel de verzamelde werken van Lenin, waaruit hij graag citeerde,” merkt Stora op. En ook de OCI is doordrenkt van het leninisme. Ze functioneert volgens de strikte toepassing van het democratisch centralisme, met de nadruk op het centralisme. Tijdens vergaderingen van het CC wordt iedereen afgerekend op financiële doelstellingen, wat Stora het CC schamper doet beschrijven als een telmachine. Debatten en stemmingen doen er in wezen niet toe, alle belangrijke beslissingen worden genomen door Lambert en een handjevol getrouwen. Stora leert geleidelijk een andere Lambert kennen, een  man die doet of hij luistert maar slechts hoort wat hij wil horen.

Mitterand als politiek verleider

Wat doet de permanent Benjamin Stora uiteindelijk de stap zetten uit de partij? Het blijkt niet één grote stap te worden maar een reeks van kleinere. Hij laat zich niet herkiezen in het CC wanneer een oudgediende, Stephane Just, uit de organisatie wordt gezet omdat hij zich verteld heeft in het aantal militanten (er zijn er geen 5700 maar 5300). Hij vindt de sanctie overtrokken maar durft toch niet tegen te stemmen. Daarnaast is er een toenemend ongeloof in de immanentie van de Revolutie. Voor de OCI is de situatie altijd pre-revolutionair, staat de Franse Vde Republiek steevast op instorten, is elke grote staking de opmaat naar een algemene. Het begint voor Stora wat te lijken op de Jehova’s die de Apocalyps aankondigen: dat ze telkens niet komt is geen reden om de datum niet simpelweg te verzetten naar de toekomst. In 1986 zet Stora dan de laatste stap, maar wel in het comfortabele gezelschap van vierhonderd anderen: vierhonderd militanten noemen zich ‘Convergence Socialiste’ en treden als één blok in de PS van Mitterand. We zouden Spock tegenover Captain Kirk in de serie Star Trek kunnen parafraseren: ‘It’s entrism, Jim, but not as we know it.

Spoedcursus reformisme

Enkele jaren voordien is Benjamin Stora, samen met twee andere kameraden, drie uur lang ontvangen op het Elysee paleis door president Mitterand. Hij omschrijft de socialistische president als ‘zeer charmant, een politieke verleider zonder weerga’, maar het groepje ging niet in op diens voorstel een linkse tendens te vormen binnen de PS. Toch is het idee blijkbaar blijven sluimeren, anders is de overstap van honderden militanten tegelijk moeilijk te verklaren. Ze betekent niet het einde van de Lambertistische partij maar wel heel snel dat van ‘Convergence Socialiste’. De groep zweert eerst het leninisme af, dan het revolutionair marxisme en tenslotte het hele concept van een socialistische maatschappij. Het is of er een spoedcursus reformisme is gegeven en iedereen met vlag en wimpel is geslaagd. Dat betekent tegelijk het einde van de tendens op zich. Er blijven simpelweg vierhonderd individuele partijleden over die elk hun weg gaan. Enkele Lambertisten, zoals Jean-Christophe Cambadélis, schoppen het in de jaren nadien heel ver binnen het PS apparaat. Hij wordt eerste secretaris onder president Hollande, de positie die deze socialistische president voordien zelf bekleedde. Maar voor Benjamin Stora betekent de streep door ‘Convergence Socialiste’ ook de streep door zijn eigen militantisme.  Vanaf dan is hij enkel nog historicus.

Jean-Christophe Cambadélis

La Dernière Génération d’Octobre is een merkwaardig openhartig boek over een met veel geheimzinnigheid omgeven trotskistische stroming.

De strekking overstijgen

La Dernière Génération d’Octobre is een merkwaardig openhartig boek over een met veel geheimzinnigheid omgeven trotskistische stroming. Hoewel Pierre Lambert op een bepaald moment geciteerd wordt met de slogan ‘We zullen het stalinisme klein krijgen met de methodes van het stalinisme’, lijkt dat toch meer grootspraak. De OCI vertoont sektarische trekken maar de voorman moet het vooral hebben van zijn historisch aura en niet van een positie als ‘roerganger’ of ‘chef’. Wat jonge militanten aantrekt is de sfeer en het avontuur, wat ze op den duur doet afknappen is het gebrek aan politiek realisme en ook aan invloed en democratische besluitvorming. Het verhaal van Benjamin Stora is in dat opzicht niet uitzonderlijk. Van wrok of teleurstelling is in deze bijna driehonderd pagina’s dikke memoires geen spoor te bekennen. Hij heeft zijn echtgenote en moeder van zijn kinderen binnen de partij leren kennen en hij is ook na zijn uittreden met tal van trotskisten bevriend gebleven, ook als ze pas jaren na hem het Lambertisme de rug toekeerden. Zo bezien overstijgt het levensverhaal van Benjamin Stora de beperkingen van de strekking waarover hij schrijft en dat maakt het interessant voor iedereen die militeert bij ‘een’ revolutionair-marxistische stroming – of dat gedaan heeft. Zijn militantisme heeft Stora’s leven niet misvormd maar gevormd, zijn karakter doen ontluiken evenals zijn academische talenten. Je zou voorwaar voor minder trotskist worden..

 

Benjamin Stora’s La Dernière Génération d’Octobre is verschenen bij uitgeverij Stock, in de serie ‘Un ordre d’ idées’.