Het alpinisme als hogere cultuur van de geest

eiger-N

Er zijn mensen die graag bergen beklimmen, hoe gevaarlijker hoe groter de uitdaging. De noordwand van de Eiger is geen malse koek, maar een echte viriele uitdaging. Klimmen jongens!

Het alpinisme was een belangrijk genre van de Duitse filmindustrie in de republiek van Weimar en daarna onder het nationaal-socialisme. De uitvinder van dit genre heette Arnold Franck. Zijn geprojecteerde landschappen waren schitterend en hielden de toeschouwers in de ban. Leni Riefenstahl, de nazi-filmmaakster en Louis Trenker, nazi én alpinist, kwamen uit zijn school. In die tijd beschikten weinig mensen over het geld om ter plaatse de schoonheid van de Alpen of van Pyreneeën te aanschouwen. De bioscoop was veel goedkoper. In zijn boek over de cultuur in de Weimar Republiek  stipt Walter Laqueur aan dat het alpinisme geen typisch fascistische sport is. Hoe verklaren we dan de geestdrift van de nazistische cultuurproducenten voor het alpinisme?

Het alpinisme heeft iets heroïsch en de cultus van de held maakte deel uit van de nazi- ideologie. Thomas Carlyle, een geliefd auteur van propagandachef Goebbels, en de romantische schrijver van een boek over de heldencultus (Hero-Worship and the Heroic in History, 1841), beweerde dat chaotische gebeurtenissen met hun contradictoire sociale krachten nood hebben aan een held om ze in toom te houden. Alleen dynamische individuen (Mohamed, Luther, Cromwell, Napoleon, etc.) kunnen de ideologische verzuchtingen, de “-ismen” van de massa’s de baas, door ze om te vormen tot geestelijke krachten, tot ideeën die erger verhinderen. Wanneer integendeel deze ideologieën de bovenhand krijgen dan verliest de maatschappij aan menselijkheid. De reactionaire inhoud van deze opvatting zal de lezer niet ontgaan zijn.

In zijn boek From Caligari to Hitler (1947), “een psychologische geschiedenis van de Duitse film”, vertelt Siegfried Kracauer dat Franck in zijn films graag ravijnen met passies combineerde, onbeklimbare rotswanden met onoplosbare menselijke conflicten, zonder dat het documentaire aspect er onder leed. De boodschap van die films heeft bij het meer of minder gecultiveerde publiek de behoefte gecreëerd “om in het weekend de koude wanden te beklimmen en bij het ochtendkrieken een misprijzende blik te werpen op de ‘zwijnen in de vallei’, op het plebs dat nooit een poging onderneemt om een hoger niveau te bereiken”. De Zwitsers, Engelsen en Fransen beschouwen het alpinisme als een sport, maar voor de Duitsers gaat het om een geestelijke daad. In Der Heilige Berg (1927) bijvoorbeeld weerstaat een alpinist die te weten is gekomen dat zijn klimgenoot van hetzelfde meisje houdt, aan de drang om die makker aan zijn lot over te laten, maar probeert hij hem integendeel te redden met gevaar voor zijn eigen leven. Dit soort heldhaftigheid was iets te overdreven om als model te dienen voor “de zwijnen van de vallei”, maar volgens Kracauer heeft de nazi-geest er mee te maken.

In de film Das Blaue Licht (1932) die zich in de Dolomieten afspeelt, onderstreept Riefenstahl de onbreekbare banden tussen het primitieve volk en zijn omgeving. Het gelaat van de bergbewoners lijkt op het rotsachtige landschap. De heldin van de film is, net zoals het personage van de weerkundige in haar film Lawine (1930), conform aan een politiek bestel gebaseerd op intuïtie, de verheerlijking van de natuur en van de mythes. Je vindt er, aldus Kracauer, het heimwee naar een wereld die niet is ontluisterd van zijn betovering in terug, maar tegelijk een wereld waarin het wonderbaarlijke paradoxaal koopwaar is geworden. Riefenstahls Triumf des Willens , een misleidende reportage van het «congres» van de nazipartij in 1934, is een prachtig voorbeeld van de door de nazis geliefde esthetisering van de politiek.De close-ups tonen ons de gezichten van fanatieke toeschouwers aan de rand van de hysterie, beelden die volgens Goebbels de geestdrift van het nieuwe Duitsland aanschouwelijk maakten.

Tibet met zijn bergen, zijn lama-kloosters en zijn thee met ranzige boter, heeft een aantal nazi’s gefascineerd, niet om er bergen te beklimmen, maar om er de oorsprong van het “Arische ras” te situeren. Om klimmen was het de alpinist en SS-er Heinrich Harrar dan weer wel te doen. Hij behoorde tot de groep die als eerste erin slaagde de noordwand van de Eiger te overwinnen. In 1939 nam hij deel aan de expeditie voor de beklimming van de Nanga Parbat. Hij werd geïnterneerd door de Britten in India, ontsnapte in 1944 naar Tibet en werd er bevriend met de jonge dalaï-lama. In 1951 keerde hij weer naar Europa. In 1985 verleende de vooraanstaande Humboldt-Vereniging hem de gouden medaille. In 2002 kreeg deze Oostenrijke ex-nazi, samen met Petra Kelly, de pacifiste en stichtster van de Duitse Groenen, de prijs Licht van de Waarheid, en wel uit de handen van diezelfde dalaï-lama.

(Volgende week: Chinese moordenaars en confucianistische rechters)

 

Print Friendly

Laat wat van je horen

*

Share This