Egypte: de gevangenis in onszelf

jail-egyptOngeveer een maand geleden ging ik een vriend in de gevangenis bezoeken.

Het maakt niet uit wie hij of zij was, want er zijn nu honderden jonge mannen en vrouwen in de Egyptische gevangenissen als gevolg van de nieuwe wet tegen protesten. De gevangenissen zitten bomvol met tieners, studenten, vaders, broers, dochters en enige zonen. Ze zijn tot de rand gevuld met dromers en idealisten en dappere zielen die het waagden om in de straten op te roepen voor de invrijheidstelling van hun vrienden, kameraden, broeders en zusters. Onze gevangenissen houden ook mensen in gevangenschap die gearresteerd zijn in politiebureaus waar ze op zoek waren naar hun geliefden, studenten die in grote getale aanwezig waren op begrafenissen, individuen die bewijzen hadden van tankstations aangesloten bij het leger en zelfs demonstranten die buiten de rechtbanken opriepen tot het bestraffen van de moordenaars van Khaled Saeed.

Onze gevangenissen zitten vol met jongeren in hun late tienerjaren en jonge twintigers. Weet je nog hoe het was in jouw late tienerjaren en als jonge twintiger? Het is die tijd dat we tevoorschijn komen in de wereld, dat we beginnen met het toetsen van onze maagdelijke verbeelding aan de werkelijkheid, verbeelding die nog niet besmet is met prioriteiten en ervaring die ons er voortdurend aan herinnert dat dingen niet mogelijk zijn. Wij geloven dat we wetten kunnen maken die goed zijn voor ons allemaal, zeker, wetten zijn er om voor gerechtigheid te zorgen. Wij zijn van mening dat overheden verantwoording moeten kunnen afleggen aan ons. Maar meer dan wat dan ook geloven wij ten zeerste dat we de wereld kunnen veranderen.

Sanaa Seif is één van de vele activisten die het haar zaak maakte om in contact te komen met jonge gedetineerden die weinig of niet bekend zijn, en waarvoor anders geen campagne gevoerd wordt. Ze was voortdurend in contact met hun families, maakte dag uitstapjes naar gevangenissen buiten Caïro.

De laatste keer dat ik haar zag, ongeveer een week voor haar arrestatie, vertelde ze me het verhaal van een jonge man die gearresteerd was en vastgehouden werd in een gevangeniscel in Fayoum. Ze had zich bij zijn familie op hun wekelijkse bezoek aan hem aangesloten: een dagtocht naar de gevangenis in Fayoum, een wachttijd van vijf uur in de zon, voor een bezoek van 10 minuten. Hij had zijn familie gevraagd om in contact te komen met haar, zodat ze actie zou kunnen voeren om betere omstandigheden te kunnen krijgen voor hem. Deze jongeman werd in een gevangenis cel vastgehouden waar er geen licht binnenkwam en was voortdurend onderworpen aan invallen in zijn eenzame donkere cel, waar beveiligingspersoneel zijn bezittingen plunderden, op zoek naar iets wat hij niet per se had. Deze plotselinge, gewelddadige invallen zijn vormen van psychologische marteling. Je weet nooit wanneer ze te verwachten, je weet nooit wat ze zoeken, en je weet nooit wat je lot zal kunnen zijn als ze besluiten om iets tegen je te “vinden”, iets om tegen je te gebruiken.

Tijdens haar bezoek probeerde hij zoveel mogelijk informatie aan haar te geven als hij kon in de tien minuten die hij had, voortdurend schokkend met zijn hoofd om over zijn schouder te kijken als hij met haar sprak. In het midden van het bezoek stond een officier achter Sanaa’s vriend en schreeuwde om één of andere reden dat hij een T-shirt droeg in de verkeerde kleur. Zonder aarzelen, en terwijl hij verder de voorwaarden waar hij zich in bevond, uitlegde aan Sanaa, trok hij zijn T-shirt uit en gooide het opzij. Hij wist dat de aanval een poging was om het reeds korte bezoek te verstoren, en probeerde dat op eender welke manier ook te voorkomen.

Ze beschreef, giechelend, hoe hij verder praatte over zijn voorwaarden, terwijl hij aandrong om zich te richten op het neerschrijven van zijn woorden, terwijl hij daar zat zonder zijn T-shirt.

Dit verhaal, net als vele anderen, doet me zwaar nadenken over al die soortgelijke gevallen waar we helemaal niets over weten. Hoeveel van de beste van ons, de jongste van ons, zitten in donkere, eenzame cellen, sommige met lange onzekere vonnissen, anderen die helemaal geen proces hebben gekregen, dag in dag uit onderworpen aan een gans spectrum van marteling, alleen toegepast omdat ze geen media-aandacht hebben om het te stoppen?

In de dagen voorafgaand aan het bezoek aan mijn vriend in de gevangenis, was mijn maag overstelpt met vlinders. Ik was opgewonden bij het idee een vriend terug te zien die ik miste, ik was zenuwachtig omdat ik niet wist wat te verwachten, ik was bang dat ik ontsteld of bewogen van emoties zou worden tot het punt dat ik hem zou teleurstellen. Ik wilde vol zijn van goed nieuws en grappige incidenten. Ik wilde hem verhalen over onze kinderen vertellen en ik maakte lijsten van updates over al wat kleurrijk en plezierig was. Ik wilde, meer dan wat dan ook, zien en horen hoe het met hem ging.

Toen we aankwamen bij de gevangenis, “registreerden” we ons bezoek aan de poorten, en wachtten we totdat we werden geïnformeerd dat wij aan de beurt zouden komen. We stonden in een lijn met andere gezinnen, totdat we toegelaten werden. We gingen door diverse onderzoeken, en werden uiteindelijk toegelaten op een grote, voornamelijk betonnen binnenplaats, een rechthoekige kamer met een ingebouwde betonnen bank die volledig rondom de kamer ging. We gingen in en uit, in een poging om te bewegen tussen alle benodigdheden die we hadden gekocht voor hem en zijn medegedetineerden: eten, drinken, boeken, brieven en frisse, witte was. De kamer was gevuld met gezinnen; moeders, dochters, echtgenoten en broers van andere gevangenen. Allen brachten benodigdheden binnen, of rokken zich uit ter voorbereiding van het bezoek.

En dan stapten al onze dierbaren met mondjesmaat binnen, in het wit, als een windvlaag van frisse lucht. De kamer werd overspoeld met liefde, een echte wanhopige, intense soort liefde die kwam uit het missen van iemand, van iemand houden, uit zich zorgen te maken over wat iemand overkwam, en het happend gevoel van liefde van een langverwachte ontmoeting.

De familie die voor ons was en het dichtst bij de deur zat, was die van de zoon van een prominente politicus die op een ander spoor van het politieke spectrum zit, zeker niet de onze. Zijn familie (broers, vrouw, zussen) kwam met grote blikken augurken en andere soorten voedsel, en hij was gekleed in het blauw. Na ons, was er een kameraad wiens vrouw en een ander familielid was gekomen om hem te bezoeken. Tegenover ons, aan de andere kant van de kamer, waren twee vrouwen die gekomen waren om hun man te zien. Ze waren volledig bedekt met gezichtssluiers en een van hen had haar vier of vijf-jaar-oude zoon bij. Beide koppels zaten onder een zelfgemaakte afscheiding- een uitvinding van de gevangenen,  bestaande uit een deken vastgemaakt aan de muur. Ze verborgen zich achter het deken en in één geval kon enkel de vrouw zich verstoppen, in een poging om een moment van afzondering te maken, in een kleine ruimte waar ze samen konden zijn zoals dat elders zou kunnen zijn.

De laatste van de zes gevangenen had het grootste aantal bezoekers. Een rij van wat leek op een moeder, zussen, echtgenoten en kinderen waren een picknick aan het opzetten, volledig met snoep en hartige gerechten, koude en warme dranken en het gebabbel en de gevoel van vreugde dat met dergelijke gebeurtenissen gepaard gaan. Ze verlieten de bank en zaten op het grote vierkante deken dat ze hadden klaargelegd voordat hij binnenkwam.

Iedereen in die kamer had zich voorbereid voor het bezoek. Iedereen had lange lijsten gemaakt van alle verhalen die ze konden vertellen, van al het geluk dat ze zouden kunnen inbrengen, van al het leven dat ze zouden kunnen proppen in dat ene uur van grijs, betonnen bestaan.

Ik had gehoopt om wat frisheid te brengen tin wat ik dacht een muf bestaan te zijn, maar er was zoveel intense liefde in dat uur dat ik me herboren voelde door gewoon daar te zijn. Ik voelde me vereerd. Ik voelde me opgelucht. Ik voelde me, op een moment dat ik zoveel hoop had verloren, toen ik zoveel bitterheid en teleurstelling tegenover zoveel mensen voelde, dat mij dat op de één of andere manier afschrikte. Het enige wat ik wilde doen was het in me op nemen, om mijn vriend te zien, om zijn analyse te horen, zijn plannen voor wat we moeten en zouden moeten doen om dingen te veranderen, en kijken naar de kinderen die heen en weer renden, in en uit de armen van hun vader, tikkertje spelend met elkaar, beweging brengend op het beton.

Toen de bewakers ons waarschuwde dat de bezoeken werden beëindigd, werd de lucht van wanhopige liefde dikker. Met een dringende sfeer, sommigen maakten lijsten van hun behoeften, anderen vertelden verhalen sneller, en de paren tegenover ons verdwenen achter hun dekens. Iedereen propte dichter bij elkaar.

Vervolgens kondigde de bewakers aan dat de bezoeken over waren. De geliefden stond op en het afscheid begon. Mensen draaiden zich om hun tranen weg te smokkelen, terwijl anderen hun laatste knuffels gaven, met hun aanblikken dicht tegen elkaar, fluisterend hun laatste geruststellingen. De vriend aan onze linkerkant omhelsde zijn vrouw een laatste keer, en terwijl hij weg liep, ontsnapte haar een enkele snik. Hij haastte zich terug en kuste haar met zo’n kracht en passie…

Toen onze vriend klaar was om in een haast te vertrekken, vroeg hij: “Wat gebeurt er buiten? Je hebt me niet verteld wat er buiten gebeurt! “Ik staarde naar hem in shock, en keek naar mijn andere vriend, die ook voor het eerst op bezoek kwam. “Buiten? We zijn begonnen met het nieuws van Gaza, “zei ik tegen hem. Hij lachte en zei “Niet buiten Egypte – buiten, buiten”

Als de bewakers tussen de mensen kwamen om ons weg te jagen, gooiden we willekeurige brokken nieuws naar hem en hij antwoordde op elk van. In een vlaag van opwinding en absolute willekeur, probeerden we meer en meer nieuws van de wereld te proppen in die laatste paar minuten – gebeurtenissen waarover hij kon nadenken, ideeën waarop hij kon teren. Enkel God weet met hoeveel meer hij ons had geladen.

En dan vertrokken we. Wij allemaal lieten hen achter. Het was tijd voor hen om te gaan, maar het einde van het bezoek was dat we de binnenplaats moesten verlaten en zij werden samengetroept en terug naar hun cellen begeleid. Hij stond daar en keek ons achterna. We gingen weg, weg uit die betonnen kamer volgeladen met leven, in het dor, zonverschroeid en hulpeloos bestaan dat we buiten achtergelaten hadden.

De besten van ons zitten in de gevangenissen. De besten van ons zitten opgesloten, omdat ze spreken, schrijven en documenteren tegen onrecht. De besten van ons zitten opgesloten uit angst dat ze ons kunnen bevrijden uit ons eigen muffe, onrechtvaardig bestaan, een fragiel bestaan dat het onze is. Deze razzia-arrestaties, sparen alleen de stillen; maar kan iemand voor eeuwig stil blijven?

Nederlandse vertaling door Els Goeman.

Print Friendly

Laat wat van je horen

*

Share This