De lessen van Thomas Piketty

raf-SAP-PikettyHet boek Het kapitaal in de 21ste eeuw is onmisbaar voor ieder die meer wil weten over de ongelijke verdeling van de rijkdom in de wereld van vandaag. Toen ik deze omvangrijke studie – die op het internet wordt ondersteund met een grote hoeveelheid statistische gegevens – las, werd het me zonneklaar dat de Occupy Wall Street-beweging volstrekt gelijk heeft met zich op de rijkste 1% te richten.

Inderdaad bezat in 2013 de rijkste 1% in Frankrijk 25% van de totale rijkdom, in het Verenigd Koninkrijk 30%, in Zweden 20% en in de Verenigde Staten 32%. Als we de rijkdom die in belastingparadijzen of anderszins verstopt zit erbij tellen, dan zou het percentage met minstens twee of drie punten toenemen. Om het simpeler te zeggen, de rijkste 1% vertegenwoordigt de kapitalistenklasse, die eigenaar is van een indrukwekkend deel van de totale rijkdom.

Als we dat getal uitbreiden tot de rijkste 10%, dan komen we tot de volgende percentages: in Frankrijk bezit de rijkste 10% 60% van de rijkdom, in het VK 70%, in Zweden 60%, en in de VS 70%. In het algemeen kunnen we de bijkomende 9% beschouwen als de omgeving, of de bondgenoten – in de brede betekenis van het woord – van de kapitalistenklasse.

Volksbewegingen horen precieze eisen te stellen aan de maatregelen die genomen moeten worden tegen de rijkste 1% en de volgende 9%. De hoeveelheid materiële en immateriële activa die deze 10% bezitten laat zien in hoeverre de rijkdom ongelijk verdeeld is. Het laat ook zien waar een linkse regering ruimschoots de noodzakelijke middelen zou kunnen vinden om beleid uit te voeren dat 1. de leefomstandigheden van de meeste mensen verbetert en 2. de grondige structuurhervormingen uitvoert die nodig zijn om het productivistische (op steeds meer productie gerichte) kapitalisme te overstijgen en het ecologische overgangsproces te starten.

Piketty vat het aandeel van de rijkdom dat eigendom is van de rijkste 10%, de volgende 40% en de armste 50% samen in een onweerlegbare tabel.

tabel1_0

50% van de bevolking in de noordelijke landen bezit maar 5% van de totale rijkdom. Als links een vermogensbelasting bepleit is het natuurlijk belangrijk om dit getal erbij te noemen als argument om de armste 50% niet te belasten. Verder bestaat de middelste 40% in Piketty’s model, die in continentaal Europa 35% van de totale rijkdom bezitten en in de VS en het VK 25%, vooral uit werknemers, ook al is een klein gedeelte zelfstandig.

Als we van percentages overgaan tot bedragen in euro’s kunnen we nog beter begrijpen wat het betekent als we zeggen dat de rijkdom bij een heel klein deel van de bevolking geconcentreerd is.

Hoe rijk zijn de verschillende groepen

Volgens Piketty is het gemiddelde vermogen van de armste 50% in verschillende Europese landen waar de levensstandaard dicht bij die in Frankrijk ligt, ongeveer € 20.000; maar het feit dat veel van deze huishoudens helemaal geen bezit maar schulden hebben is ook een belangrijke overweging.

De middelste 40% hebben een gemiddeld persoonlijk vermogen van € 175.000 (variërend van € 100.000 tot € 400.000). De volgende 9% hebben € 800.000 en de bovenste 1% bezit € 5 miljoen. Aan de top van deze 1% zijn er natuurlijke superrijke individuen zoals in Frankrijk Liliane Bettencourt, die meer dan € 20 miljard waard is.

Van de ongelijke verdeling van de private rijkdom in de Europese Unie naar haar noodzakelijke herverdeling

Het is de moeite waard om de situatie in de Europese Unie te analyseren. De EU kende in 2013 een Bruto Binnenlands Product (BBP) van € 4.700 miljard had. Het totale private eigendom van de Europese huishoudens beliep ongeveer € 70.000 miljard. De rijkste 1% had € 17.500 miljard (25% van € 70.000 miljard). De volgende 9% bezat € 24.500 miljard (35%), evenals de middelste 40%. De overige 50% had € 3.500 miljard of 5% van het totaal.

De jaarbegroting van de Europese Commissie (€ 145 miljard) komt overeen met ongeveer 1% van het BBP van de EU. Een jaarlijkse belasting van 1% op het vermogen van de 1% rijkste Europeanen zou € 175 miljard opbrengen (30 miljard meer dan de begroting). En wat te denken van een vermogensbelasting van 5%? Dit geeft een concreet voorbeeld van wat er potentieel bereikbaar is als maatschappelijke bewegingen erin slagen een radicale verandering in het Europese beleid teweeg te brengen, of zelfs in het beleid van slechts een enkel EU-land.

Een speciale belasting (dat wil zeggen eens in het leven van een generatie) van 33% van de rijkdom van de rijkste 1% in de EU zou bijna € 6.000 miljard opbrengen (dat is 40 keer het jaarlijkse EU budget!). Stel je het resultaat van een tarief van 80% eens voor?

Deze voorbeelden helpen ons om de kwesties op het gebied van de belasting op het privé-vermogen van de kapitalistische klasse, en de mogelijkheden die er zijn voor het formuleren van voorstellen, in te schatten, zodat we geld kunnen vinden daar waar het rijkelijk zit om het in te zetten om sociale rechtvaardigheid tot stand te brengen.

Veel economen blijven erop hameren dat het geen zin heeft om de rijksten te belasten, want: omdat er zo weinig van zijn, zou het opgehaalde bedrag niet erg groot zijn. Piketty laat echter zien dat de rijkste 1% zo’n fenomenaal bedrag aan materiële en immateriële activa bij elkaar hebben gehaald dat een fiscaal beleid gericht op de rijkste 1%, 2,5%, of zelfs 10%, aanzienlijke middelen zou opleveren voor het breken met het neoliberalisme.

Aan degenen die beweren dat de rijkdom niet aangepakt kan worden omdat het gemakkelijk de grens kan oversteken, moeten we antwoorden dat inbeslagname, het bevriezen van de financiële activa, zware boetes en de regulering van het kapitaalverkeer, krachtige instrumenten zijn die kunnen worden toegepast als een vastberaden publieke en politieke wil aanwezig is…

De ongelijke verdeling van de particuliere rijkdom over de hele wereld

Wat er zojuist over de Europese Unie is gezegd zou kunnen worden uitgebreid naar de rest van de wereld, want van Noord tot Zuid is er sprake van een aanzienlijke toename van de persoonlijke rijkdom van de superrijken.

We kunnen ons zelfs richten op een nog kleinere minderheid van rijke individuen dan Piketty doet: In 1987 zaten er wereldwijd 150 mensen in het 1 / 20.000.000 rijkste deel van de volwassen bevolking, met een gemiddeld persoonlijk fortuin van $ 1,5 miljard dollar. Zesentwintig jaar later, in 2013, telde het 1 / 20.000.000 rijkste deel van de bevolking 225 mensen met een gemiddelde persoonlijk fortuin van $ 15 miljard, wat een stijging van 6,4% per jaar betekent. De 0,1% (1/1000) rijksten van de wereldbevolking) in de wereld bezit 20% van de rijkdom in de wereld; de rijkste 1% heeft 50%. Als we kijken naar de rijkdom van de rijkste 10%, schat Piketty dat hun bezit 80% tot 90% van de totale wereldrijkdom uitmaakt, terwijl de armste 50% zeker minder heeft dan 5%. Deze cijfers laten ons zien hoe veel herverdeling er moet plaatsvinden en maakt duidelijk dat deze herverdeling de onteigening van een zeer aanzienlijk deel van de persoonlijke rijkdom van de rijksten zou betekenen.

Piketty stelt vast dat de rijkdom van de rijkste 1/1000 op deze planeet in de afgelopen decennia is verhoogd met een percentage van 6% per jaar, terwijl de rijkdom van de totale bevolking met slechts 2% gestegen is. Als er zich geen radicale verschuiving voordoet en al het andere gelijk blijft, zal over 30 jaar de rijkste 0,1% 60% van de totale wereldrijkdom bezitten, drie keer de 20% die zij in 2013 had!

De inkomensverdeling is ook uiterst ongelijk

Piketty analyseert ook het inkomen uit arbeid en toont aan dat de 10% die het meest verdienen in Europa 25% van de inkomsten uit arbeid mee naar huis nemen en in de Verenigde Staten 35%.

tabel2

Als we het inkomen uit arbeid en andere vormen van inkomsten (huur, rente op spaargeld, bedrijfswinsten, dividenden, enzovoort) bij elkaar optellen is de verdeling nog ongelijker, zoals weergegeven in tabel 3.

tabel3

De ontwikkeling van de ongelijkheid in rijkdom in de laatste twee eeuwen

In Frankrijk was net voor de revolutie van 1789 het gedeelte van het nationale vermogen in bezit van de rijkste 10% ongeveer 90%, en het deel in bezit van de rijkste 1% was maar liefst 60%. Na de Revolutie was het aandeel in handen van de rijkste 10% licht gedaald (met iets meer dan 9%) vanwege de herverdeling van de grond van de adel en geestelijkheid ten bate van de bourgeoisie.

Over het leeuwendeel dat in 1789 in bezit van de rijkste 1% was, onderstreept Piketty dat de aanklacht van Occupy Wall Street tegen de 1%, in combinatie met hun slogan: ‘Wij zijn de 99%’ enigszins doet denken aan de beroemde brochure ‘Qu’est-ce que le tiers etat?’ (Wat is de derde stand) die in januari 1789 door de abt Sieyès werd gepubliceerd.

Piketty heeft een grafiek gemaakt van de ontwikkeling tussen 1810 en 2010 van het aandeel van de rijkste 10% en 1%. Hij neemt de belangrijkste Europese landen bij elkaar in de categorie ‘Europa’, en toont de Verenigde Staten apart.

grafiek1_0

In Europa was in 1810 het aandeel van de nationale rijkdom in handen van de rijkste 10% meer dan 80%; dit groeide in de 19e eeuw en begin 20e eeuw, en bereikte in 1910 de 90%. Het begon daarna te dalen als gevolg van de Eerste Wereldoorlog en de concessies die de bourgeoisie moest doen door de klassenstrijd die volgde op 1914-1918. De daling zette na de Tweede Wereldoorlog om dezelfde redenen door en het aandeel van de rijkste 10% bereikte zijn laagste punt in 1975 (iets minder dan 60%). Daarna is het weer beginnen te stijgen, om in 2010 bijna 65% te bereiken. Het aandeel van de rijkste 1% volgde dezelfde algemene trend van iets meer dan 50% in 1810 tot iets meer dan 60% in 1910. Het begon te dalen in 1910, bereikte zijn dieptepunt in 1970-1975 (20%) en begon daarna weer omhoog te gaan. In de Verenigde Staten volgde de ontwikkeling hetzelfde patroon, maar het is belangrijk te onderstrepen dat, hoewel het aandeel van de rijkste 1% en 10% in de 19e eeuw minder was dan dat van hun Europese collega’s, deze situatie na 1960 is veranderd. Nu is hun deel van de koek groter dan die van hun Europese tegenhangers.

Er zijn twee duidelijke conclusies:

  1. De trend gaat in de richting van grotere ongelijkheid, met een aanzienlijke toename van het vermogen van het rijkste 1% en 10%;
  2. De ontwikkeling van de verdeling van de rijkdom kan onweerlegbaar worden verklaard uit de ontwikkeling van de sociale strijd en de machtsverhoudingen tussen de verschillende klassen.

Piketty somt de oorzaken op die tussen de Eerste Wereldoorlog en 1970 hebben geleid tot de afname van het aandeel van de rijkste groepen in de rijkdom, en die welke er vervolgens voor zorgden dat het weer ging stijgen: ‘Om samen te vatten: de schokken van de ‘eerste twintigste eeuw’ (1914-1945) – dat wil zeggen de Eerste Wereldoorlog, de bolsjewistische revolutie van 1917, de financiële crisis van 1929, de Tweede Wereldoorlog, en het nieuwe beleid van regelgeving, belastingen en het openbaar toezicht op het kapitaal die uit deze omwentelingen voortkwamen – leidden in de jaren 1950 en 1960 tot historisch lage niveaus van privé-kapitaal. De processen die de rijkdom herstelden dienden zich zeer snel aan, werden versneld met de Amerikaans-Britse conservatieve revolutie van 1979-1980, de ineenstorting van het Sovjetblok in 1989-1990, de financiële globalisering en de deregulering van de jaren 1990 en 2000, een gebeurtenis die een politiek keerpunt markeerde waarbij de vorige trend omsloeg, en waardoor de houders van privé-kapitaal in de vroege jaren 2010, ondanks de financiële crisis die in 2007-2008  begon, sinds 1913 ongekende niveaus van welvaart bereikten.’

Het is duidelijk dat de wereldoorlogen een diepe wrok van het volk tegen de kapitalistische klasse produceerden, en werden gevolgd door grote sociale strijd die in verschillende landen de vorm van revolutionaire crises aannam. De financiële crisis van 1929 heeft ook geleid tot radicalisering en belangrijke sociale strijd (vooral in de Verenigde Staten). De machthebbers moesten concessies doen aan de eisen van het volk. We zullen verderop bijvoorbeeld zien welke acties na de twee wereldoorlogen door de regeringen van de belangrijkste landen werden ondernomen met betrekking tot de belastingen, wat in verschillende mate het aandeel dat de rijkste 1% zich van de rijkdom en het inkomen toe-eigende, heeft beïnvloed. We zien daarna, beginnend met het offensief van de kapitalistenklasse tegen de arbeidersklasse in de jaren 1970 en 1980, een drastische wijziging in het beleid van deze regeringen, in het bijzonder met betrekking tot de belastingen.

Om de ontwikkeling van de rijkdom te meten, vergelijkt Piketty hem met het nationaal inkomen. ‘De totale particuliere rijkdom was aan het begin van de jaren 1970, na aftrek van de schulden, in alle rijke landen in alle werelddelen tussen twee en drieënhalf jaar van het nationaal inkomen waard. Veertig jaar later, aan het begin van de jaren 2010, vertegenwoordigt de particuliere rijkdom tussen de vier en zeven jaar van het nationale inkomen, weer in alle bestudeerde landen samen. Er kan geen twijfel aan de algemene trend bestaan: afgezien van de financiële zeepbellen hebben we sinds de jaren 1970 een grootschalige terugkeer van het particulier kapitaal in de rijke landen, of liever de opkomst van een nieuwe vorm van kapitalisme op basis van rijkdom, meegemaakt’.

We zien ook dat de publieke rijkdom in de afgelopen 40 jaar aanzienlijk is gedaald  nadat hij in verschillende landen, vooral na de Tweede Wereldoorlog, was toegenomen. In Frankrijk nationaliseerde de overheid in 1945 de Banque de France samen met de vier grootste depositobanken, de Credit Lyonnais, de Société Generale, de Nationale Bank voor Handel en Industrie, en de Comptoir national d’Escompte de Paris. Louis Renault, hoofd van de Renault automaatschappij, werd in september 1944 voor zijn collaboratie onder de nazi-bezetting gearresteerd, en het bedrijf werd in januari 1945 genationaliseerd. De Britse overheid nationaliseerde in 1946 de Bank of England. Volgens Piketty was in Frankrijk van de jaren 1950 tot de jaren 1970  in de industriële en financiële sector ‘het aandeel van de staat in de nationale rijkdom meer dan 50%.’

Zoals Piketty ook schrijft, hebben we aan de ene kant: ‘(…) vanaf de jaren 1970 en 1980 een beweging van privatisering en een geleidelijke overdracht van publieke naar particuliere rijkdom’ gezien ‘en aan de andere kant een verschijnsel van aanpassing op de lange termijn van de prijs van onroerend goed en financiële activa, dat in de jaren 1980 en 1990 ook versnelde, in een politieke context die wereldwijd  in vergelijking met de jaren vlak na de oorlog heel voordelig is voor de private eigendom.’ Dit tweede verschijnsel houdt duidelijk verband met de financialisatie van de economie.

De ontwikkeling van de lage en hoge salarissen vanaf de jaren 1960

We hebben geen ruimte om hier in te gaan op de ontwikkeling van de inkomensongelijkheid in de laatste twee eeuwen. We zullen ons ertoe beperken de ontwikkeling in Frankrijk vanaf 1968 te belichten. De algemene staking van mei 1968 in Frankrijk en de daarop volgende akkoorden van Grenelle leidden gedurende 15 jaar tot een aanzienlijke stijging van het minimumloon: ‘Op die manier steeg de koopkracht van het minimumloon tussen 1968 en 1983 bij elkaar met meer dan 130%, terwijl de gemiddelde lonen met maar ongeveer 50% stegen, wat dus een zeer aanzienlijke daling van de loonongelijkheid was. De breuk met de vorige periode was duidelijk en diep: de koopkracht van het minimumloon was tussen 1950 en 1968 met nauwelijks 25% toegenomen.’

Het keerpunt kwam in 1982-1983 toen de regering van François Mitterrand naar rechts zwenkte.

In een context van stagnerende lonen stegen de hoogste salarissen, die van de rijkste 1%, tussen het eind van de jaren 1990 en 2010 met 30%, en die van de rijkste 0,1% stegen met 50%.

Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan werd in 1933 bij het begin van het presidentschap van Franklin D. Roosevelt, 20 jaar voor Frankrijk, een wettelijk minimumloon ingevoerd. Het bereikte zijn hoogtepunt in 1969 (onder Lyndon Johnson) toen het, in prijzen van 2013, overeenkwam met $ 10 per uur. Vanaf die tijd is het gedaald en was in 2013 onder Barack Obama nauwelijks $ 7,25 per uur. Ook in de Verenigde Staten zien we, met betrekking tot alle inkomstenbronnen (lonen, huur, winst, dividend, en dergelijke), dat de rijkste 10% zich drie kwart van de groei van het nationaal inkomen hebben toegeëigend, waarbij de rijkste 1% 60% voor zijn rekening nam. Voor de andere 90% bleef de groei beperkt tot minder dan 0,5% per jaar.

Als we de verdeling van het nationaal inkomen in verscheidene belangrijke landen erbij betrekken, zien we overal dat de rijkste 1% en 0,1% hun aandeel in de loop van de laatste tientallen jaren hebben vergroot.

Het aandeel van het nationaal inkomen dat in 2010 naar de rijkste 1% gaat: Verenigde Staten ongeveer 20%, Canada en het Verenigd Koninkrijk 14-15%, Duitsland 11%, Australië 9-10%, Japan, Frankrijk, Spanje en Italië 9%, Zweden en Denemarken 7%.

Aandeel van het nationaal inkomen dat in de jaren 1970 naar de rijkste 0,1% gaat: VS 2%, Frankrijk en Japan 1,5%; in 2010: VS 10% (12% als we de vermogensaanwas op aandelen meetellen), Frankrijk en Japan 2,5%.

Laat ons een paar zogeheten opkomende landen onderzoeken waarvoor Piketty betrouwbare gegevens heeft kunnen verzamelen. Het deel van  het nationaal inkomen dat naar de rijkste 1% gaat: China 4-5% in 1980, en 10-11% in 2010; India 4% in 1980 en 12% in 2010; Argentinië 10% in 1970 en 18% in 2010; Colombia 18% in 2000 en 20% in 2010.

Het belang van deze data is, afgezien van een centraal aspect van de beschrijving van de ongelijkheid, dat we ermee kunnen aantonen dat de ontwikkeling van het inkomen eigenlijk verband houdt met de sociale strijd en met het beleid van de regeringen die aan de macht zijn. Dit is alweer een reden om te zeggen dat collectieve actie de sleutel is tot het verbeteren van de lonen, vooral van de laagste, en tot het verminderen van ongelijkheid.  Actie is bepalend voor de vormgeving van beslissingen van de overheid en het verkrijgen van concessies van de werkgevers.

De ontwikkeling van de belastingtarieven is ook verbonden met de maatschappelijke strijd

In Frankrijk, waar het hoogste belastingtarief op de hoogste inkomensschijven in 1914 maar 2% was, steeg dit in 1920 tot 50%, in 1924 tot 60% en in 1925 zelfs tot 72%. In 1920 werd het besluit tot een plotselinge zeer sterke toename genomen door een Nationale Vergadering met een rechtse meerderheid, die bang was voor de algemene staking en de radicalisering die het gevolg had kunnen zijn van een weigering om concessies te doen. In Duitsland ging het van 3% (1891 – 1914) naar 40% in 1919 – 1920 op het hoogtepunt van de revolutionaire crisis. In de VS ding het omhoog van 8% voor de oorlog van 1914 – 1918 tot 77% na de oorlog.

We zien dezelfde ontwikkeling bij de tarieven van de erfbelasting. De wetgevers hebben zeer hoge tarieven opgelegd als reactie op druk van de bevolking.

Dit begon vlak na 1914 – 1918 en ging door na de financiële crisis in de jaren 1930. Terwijl het hoogste tarief voor de oorlog in Frankrijk slechts 6,5% was (in de praktijk werd het teruggebracht tot 1%), schoot het omhoog naar 30%. In Duitsland ging het van 0% voor de oorlog tot 35% erna. In de Verenigde Staten bereikten de successierechten in 1937 – 1939 de 70%. Het tarief van de erfbelasting is belangrijk en wordt door de rijkste 10% van vitaal belang geacht omdat 60 tot 70% van de grote fortuinen worden geërfd.

Terug naar het hoogste tarief van de inkomstenbelasting. Net voor de crisis van oktober 1929 verlaagde de Amerikaanse president Hoover het toptarief tot 25%. In 1933, in het eerste jaar van zijn presidentschap, voerde Roosevelt het op tot 63%, vervolgens in 1937 naar 79% (dus meer dan de 70% die na 1919 gold), daarna in 1942 naar 88% en tenslotte in 1944 naar 94%. De top bleef tot het midden van de jaren 1960 op 90%. In zijn presidentiële campagne van 1972 heeft de democratische kandidaat George McGovern voorgesteld om het toptarief voor de inkomstenbelasting tot 100% te verhogen, maar Nixon won de verkiezingen. Het daalde in het begin van de jaren 1980 geleidelijk tot 70%. Ronald Reagan verlaagde het toen tot 60%. Aan het eind van de jaren 1980 daalde het tot 40% en daarna onder George W. Bush tot 35%. In de periode 1932 – 1980 was het hoogste tarief  gemiddeld 81% (waar je de 5% tot 10% staatsbelasting bij moet tellen).

Frankrijk en Duitsland hanteerden van de jaren 1940 tot 1980 toptarieven tussen 50% en 70%. In het VK bereikte het toptarief de 98% in de jaren 1940, en daarna nog een keer in de jaren 1970.

Tot slot moeten we er rekening mee houden dat het toptarief in de praktijk voor de rijkste 1% van de bevolking geldt.

De radicale verlaging van de toptarieven heeft sinds de jaren 1980 vooral in de VS en het VK geleid tot een grote stijging van de salarissen van de topmanagers en van het deel van het nationaal inkomen en vermogen dat in handen van de rijkste 1% is.

Na de ontwikkeling van de belasting op de hoogste inkomens te hebben besproken, concludeert Piketty dat er een heel hoog toptarief nodig is van meer dan 80% (82% om precies te zijn) dat moet worden toegepast boven de $500.000 of $1.000.000; met 50% of 60% voor inkomens boven de $200.000.

Piketty erkent dat dit in de huidige context niet gemakkelijk te bereiken is. In de Verenigde Staten handelt het Congres voornamelijk in het voordeel van de 1%. En met reden: volgens een serieuze schatting bedroeg de gemiddelde rijkdom van de leden van het Amerikaanse Congres in 2012 $15.000.000.
Nogmaals, uit de resultaten van Piketty’s onderzoek blijkt dat er een combinatie van twee beslissende acties nodig is. 1. een brede voorlichtings- en trainingscampagne om de lessen van de twintigste-eeuwse geschiedenis van hoe het fiscaal beleid rechtstreeks is beïnvloed door de druk van volksbewegingen zoveel mogelijk te verspreiden; 2. mobilisatie in het kader van een platform om een aantal van de belangrijkste doelstellingen na te streven.

Eric Toussaint is econoom en historicus, docent aan de Universiteit van Luik voorzitter van het Belgische comité voor opheffing van de derde wereld schuld, lid van de wetenschappelijke raad van Attac Frankrijk, lid van de leiding van de Vierde Internationale fellow van het International Institute for Research and Education IIRE in Amsterdam en auteur van een groot aantal boeken over de wereldeconomie en de schuldenproblematiek.

Het artikel dat we hier publiceren is de vertaling van het eerste deel van een artikel van Eric Toussaint dat op 19 januari 2014 verscheen onder de titel ‘Que faire de ce que nous apprend Thomas Piketty sur Le capital au XXIe siècle’. Vertaling Arend van de Poel/ Bij deze vertaling is ook gebruik gemaakt van de Engelse vertaling:. De rest van het artikel – dat hier niet is opgenomen – gaat over de theorie van Piketty en zijn visie op de schuldenproblematiek.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op grenzeloos.org

Print Friendly

Laat wat van je horen

*

Share This