COP21, voorlopig toppunt van leugens, business- en klimaatmisdaden

cop21De eerste waarschuwingen van de kant van de wetenschap over het gevaar van de opwarming van de aarde zijn meer dan vijftig jaar oud. Uiteindelijk werden ze ernstig genomen door de Verenigde Naties en de Wereld Meteorologische Organisatie die in 1988 het Internationaal Panel inzake Klimaatverandering (in het Engels: IPPCC, International Panel on Climate Change) hebben opgericht.

Van eerste waarschuwingen tot absolute urgentie

Vanaf zijn oprichting heeft deze ietwat bijzondere organisatie (de evaluaties worden geschreven door wetenschappers, maar de ‘samenvattingen voor beleidsmensen’ worden onderhandeld met vertegenwoordigers van de landen) vijf grote rapporten geschreven. Ze bevestigen zonder uitzondering de beginhypothese: de gemiddelde temperatuur van het aardoppervlak stijgt en die stijging is praktisch uitsluitend te wijten aan de uitstoot van broeikasgassen door menselijke activiteit en het belangrijkste van deze gassen is koolstofdioxide geproduceerd door de verbranding van fossiele brandstoffen(1). Al meer dan 25 jaar wordt dit herhaald door het IPCC: zonder een sterke vermindering van de uitstoot zal de opwarming een stijging van het niveau van de oceanen veroorzaken, een toename van extreme weersverschijnselen, een daling van de productiviteit van de landbouw, een daling van de hoeveelheid beschikbaar drinkwater, een versnelde daling van de biodiversiteit en ook gevolgen hebben voor de gezondheid. Het is niet het enige milieuprobleem maar het is ongetwijfeld hét centrale probleem van vandaag. De vijf rapporten verschillen alleen maar van elkaar in de precisie en in de toegenomen waarschijnlijkheid van de voorspellingen. En bovendien kunnen die voorspellingen sinds de oprichting van het IPCC nu vergeleken worden met actuele waarnemingen en de conclusie  is erg verontrustend: de werkelijkheid blijkt erger te zijn dan wat de modellen hadden voorspeld (2).

Fossiele brandstoffen voorzien in 80% van de energiebehoefte op de planeet. De energiekwestie is dus de centrale uitdaging. In haar laatste boek schrijft  Naomi Klein (3): als de beleidsmensen het probleem snel hadden aangepakt dan hadden ze (misschien) een geleidelijke overgang kunnen realiseren naar een systeem dat uitsluitend steunt op hernieuwbare bronnen en op een maximale efficiëntie in het gebruik ervan. Maar dat hebben ze niet gedaan en dus worden we nu geconfronteerd met een absolute urgentie waarbij de bedreiging alleen maar kan worden afgewend door zeer radicale maatregelen… die de beleidsmensen juist wilden vermijden!

Kaderovereenkomst en protocol van Kyoto

De ‘Top van de Aarde’ in Rio in 1992 heeft heel plechtig een Conventie aangenomen (UNFCCC, United Nations Framework Convention on Climate Change) waarin partijen zich als doel stellen een ‘gevaarlijke verstoring’ van het klimaatsysteem te vermijden… daarbij rekening houdend met het feit dat niet alle landen dezelfde verantwoordelijkheid dragen en niet dezelfde mogelijkheden hebben om te reageren op de opwarming.

In naam van het principe van ‘gemeenschappelijke maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid’ hebben de ‘ontwikkelde’ landen op de derde UNFCCC conferentie van de deelnemende partijen (COP3) het protocol van Kyoto ondertekend waarbij ze zich ertoe verplichten  hun uitstoot van broeikasgassen tussen 2008 en 2012 met 5,2% te verminderen in vergelijking met 1990.

De inspanning waarover de ‘ontwikkelde’ landen het eens hadden moeten worden was onbetekenend en kon bovendien bereikt worden door een aantal goocheltrucs. De twee belangrijkste ervan waren: de markt voor de verhandelbare emissierechten (gratis en overmatig ter beschikking gesteld aan de bedrijven) en de mogelijkheid voor de landen van het Noorden om reductie van emissies in eigen land te vervangen door de aankoop van emissierechten gegenereerd door zogenaamde ‘schone’ investeringen (de meerderheid is dat helemaal niet) of door maatregelen met betrekking tot  bosbeheer (ten nadele van inheemse volkeren) in de landen van het Zuiden. (4) Toch hebben de VS geweigerd het Protocol te ratificeren.

Kyoto was een en al bedrog. Dit heeft een doorslaggevende rol gespeeld in het mislukken van de COP van Kopenhagen in 2009 die een wereldakkoord over het klimaat had moeten afsluiten. Het Zuiden heeft toen immers het ontbreken van een concrete inzet van het Noorden aangeklaagd. Die aanklacht is globaal terecht, maar er zat ook meer achter, vooral bij de grote zogenaamde ‘opkomende’ landen (maar niet alleen zij) en de olieproducenten die alles in het werk stellen zodat de fossiele grondstoffen zo lang mogelijk hun economie kunnen oppeppen.

Na een stormachtige algemene vergadering, met onder andere krachtige bijdragen van Hugo Chavez en Evo Morales, werd door de top een verklaring aangenomen die in de wandelgangen was voorbereid door de Verenigde Staten en China de twee grootste producenten van broeikasgassen (maar met een totaal verschillende historische verantwoordelijkheid voor de opwarming).

Kopenhagen: ieder land draagt bij zoals het wil

Kopenhagen was een mislukking maar de top heeft een belangrijke methodologische beslissing genomen: de partijen besloten de oplossing ‘van bovenaf’ te verlaten, deze steunt op het vastleggen van een ‘koolstofbudget’ dat nog ter beschikking staat van de aarde en de verdeling ervan naargelang de verantwoordelijkheid en de mogelijkheden van elk land. Zo’n ‘koolstofbudget’ vastleggen betekent dat men akkoord gaat welke hoeveelheid koolstof er nog in de atmosfeer mag worden uitgestoten om beneden een maximale opwarming  te blijven. Dat is de enige strikt wetenschappelijke methode die tegelijkertijd – potentieel – rechtvaardig is vanuit het standpunt van de gedifferentieerde verantwoordelijkheid. Maar ze heeft als ‘nadeel’ dat de ecologische inperking zeer duidelijk wordt en dat men niet ontsnapt aan een beoordeling van de verantwoordelijkheid. (5) Alle regeringen willen voor zichzelf een zekere speelruimte behouden en dus heeft de COP besloten dat elk land zijn klimaatplan (in het jargon: de nationaal afgesproken klimaatplannen – Intended Nationally Determined Contributions of INDC) aan het secretariaat van het UNFCCC bekend moet maken. Op basis daarvan zullen de onderhandelingen gevoerd worden volgens het principe dat ieder land inbrengt wat hij als land beslist. (6)

Daarbij heeft de top van Kopenhagen ook nog besloten een Groen Klimaatfonds op te richten waaraan de ontwikkelde landen zouden bijdragen voor de aanpassing of afzwakking (mitigatie) van de klimaatverandering in de ontwikkelingslanden. Een jaar later, heeft de COP in Cancun het bedrag voor dit Fonds vastgelegd op honderd miljard dollar per jaar vanaf 2020, maar het Fonds bevat momenteel nog geen 10% van deze som (het wordt beheerd door de Wereldbank) – en de regeringen van het Noorden denken eerder aan leningen dan aan giften…

De 2°C is louter voor de communicatie

Bijna twintig jaar na de Top van Rio, heeft Cancun ook een cijfer geplakt op het centrale doel van het UNFCCC: er werd besloten dat de ‘gevarengrens’ die niet mag worden overschreden ligt bij een opwarming van 2°C in vergelijking met de pre-industriële periode (desnoods 1,5°C ‘naargelang de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis’). Dit lijkt op het eerste gezicht positief maar er zijn twee minder goede kanten aan.

Het eerste is van politiek-wetenschappelijke aard: de keuze van de 2°C als gevarengrens wordt sterk betwist. Die 2°C werden gepopulariseerd door een studie van de econoom Nordhaus. Hij had dit cijfer gekozen omdat het overeen scheen te komen met een verdubbeling van de CO2 concentratie in de atmosfeer. Vanaf 1990 is het volgens een rapport van het Stockholm Environment Institute beter de 1°C niet te overschrijden maar dat ‘maximaal 2°C’ werd ons opgedrongen toen de Europese Commissie dit als haar doelstelling naar voor schoof in 1996 (7).

Toch is dat nog niet een echt voldongen feit. In Cancun hebben meer dan honderd landen – de kleine eilandstaten en de ‘minst ontwikkelde landen’ – opnieuw een oproep gedaan om de gevarengrens vast te leggen op 1,5°C. Er werd besloten de zaak te bestuderen en hiervoor werd door de COP18 (Doha) een ‘gestructureerde dialoog van experts’ (SED) op poten gezet. Het rapport dat na deze dialoog in mei 2015 werd voorgelegd, besluit inderdaad dat een opwarming met 2°C veel te gevaarlijk is en dat 1,5°C het risico zou verminderen (8).

Een voorbeeld van dergelijke risico’s geeft Anders Levermann, een van de ‘leading authors’ van het hoofdstuk over de stijging van de zeespiegel (‘sea level rise’) van het vierde rapport van het IPCC: hij schat dat bij elke graad temperatuurstijging (nu al 0,8°C) er bij evenwicht een stijging van het peil van de oceanen van 2,3 meter hoort. (9) De globale gegevens over de verdeling van de bevolking naar hoogteligging ontbreken, maar men schat dat een stijging van één meter de verplaatsing met zich mee zal brengen van honderden miljoenen mensen. Voor 4,6 meter, kan men zich dan indenken…

Het tweede is een kwestie van methode: er is niets voorzien om die INDC’s te corrigeren om zo effectief de grens te eerbiedigen. Het systeem van ‘ieder naar eigen keuze’ biedt inderdaad aan alle spelers de mogelijkheid om trots in de media te vertellen dat ‘de situatie onder controle is, dat we actie voeren om de 2°C niet te overstijgen’… terwijl men in feite niet doet wat nodig is.

Want ze doen inderdaad niet wat eigenlijk nodig is! De wereldemissies stegen tijdens de jaren 80 met 1% per jaar, nu stijgen ze twee maal zo snel. Als er niets verandert kan de opwarming bij dit tempo 6°C of zelfs 11°C of meer gaan bedragen.(10) Gaan de regeringen in december tijdens de COP21 in Parijs een verdrag ondertekenen? Het is waarschijnlijk maar niet zeker. Wat echter wel zeker is, is dat de multinationals uiterst tevreden zijn over de gebruikte methode van de keuzes per land. Voor hen is de uitdaging van het klimaat een kans voor ‘nieuwe markten’: koolstofmarkten, hernieuwbare energiebronnen, ‘witte steenkool’, het verwerven van grondstoffen, de aanpassing (met een neoliberaal sausje natuurlijk wat een versnelling van de privatiseringen inhoudt) met name van het water. Deze methode geeft hen volledig voldoening omdat dit hele beleid werd uitgewerkt in overleg met het bedrijfsleven zoals we in mei van dit jaar konden zien tijdens de ‘Top van de bedrijven voor het klimaat’ gehouden in Parijs (zie kader).

Wat zeker is, is dat een eventueel verdrag slechts een rookgordijn zal zijn. De toon werd gezet door het akkoord dat de twee grootste vervuilers: China en de VS, hebben gesloten in 2014. In het beste geval, op voorwaarde dat de Europese Unie haar beloftes vervult (ze zijn onvoldoende en worden ondermijnd door een aantal goocheltrucs zoals hierboven uitgelegd) om de uitstoot tussen nu en 2030 met 40% te verminderen, als de andere ontwikkelde landen de INDC van de Verenigde Staten volgen (een doelstelling voor 2025 die nauwelijks hoger is dan wat de VS hadden moeten realiseren in 2012 in het kader van het Protocol van Kyoto) en de ontwikkelingslanden de lijn van China volgen (geen absolute reductie van de uitstoot voor 2030) dan zal de meest waarschijnlijke temperatuurstijging 3,6°C bedragen tussen nu en 2100. In honderd jaar tijd is dit een temperatuurstijging die even groot is als tussen nu en het einde van de laatste ijstijd twintigduizend jaar geleden. Dit betekent een ontzaglijke, ondenkbare, verschrikkelijke catastrofe. Of liever, een misdaad en de COP21 dient alleen maar om dat te verbergen.

Kiezen tussen groei en klimaat

De oorzaak van deze angstwekkende situatie ligt niet in het feit dat het technisch onmogelijk is de fossiele brandstoffen te verlaten en ze wordt ook niet veroorzaakt door de bevolkingstoename, maar ze ligt in de aard zelf van het economisch kapitalistisch systeem. ‘Een kapitalisme zonder groei is een tegenspraak in termen’, zei Schumpeter. Tegenwoordig kan niemand meer ontkennen dat dit de centrale kwestie is. Willen we het klimaat redden dan moet er zo’n drastische vermindering van de emissies zijn dat ze niet verwezenlijkt kan worden zonder een belangrijke vermindering van het energieverbruik. Een dergelijke vermindering is op haar beurt onmogelijk zonder een belangrijke vermindering van de omvorming en het transport van goederen. Of anders gezegd, zonder af te zien van groei.

Een grotere energie-efficiëntie volstaat niet om deze fysieke beperking te vermijden. Men stelt bovendien vast dat vooruitgang op dit vlak meer dan gecompenseerd wordt: de bespaarde energie wordt gebruikt om iets anders te produceren ofwel om hetzelfde te produceren maar in grotere hoeveelheden. Dat is onvermijdelijk zolang de logica van het productivisme, de vrijheid van ondernemen en de concurrentie voor de markt de regel blijven.

Technologieën bieden ook geen oplossing. Men kan stellen dat het laatste rapport van het IPCC een verkeerd beeld geeft van de werkelijkheid. Volgens dit rapport en in de gegeven omstandigheden (dus met behoud van de groei), is het respecteren van de grens van 2°C alleen maar mogelijk als de uitstoot van het energiesysteem op aarde vanaf 2070 negatief wordt (met andere woorden: het systeem vangt meer CO2 op dan het uitstoot). Om dit doel te bereiken maken de scenario’s massaal gebruik van biomassa met CO2-afvang en opslag (CCS Carbon Capture and Sequestration)… Maar de studies die door Werkgroep III van de IPCC werden uitgevoerd, leveren op de eerste plaats niet het bewijs dat deze technologie veilig is en bieden op de tweede plaats geen enkele garantie inzake de sociale en ecologische gevolgen van de keuze voor deze technologie (11). En de gevolgen zijn potentieel ernstig  omdat er concurrentie zou kunnen komen tussen het verbouwen van gewassen voor de energiebehoefte en voor de voedselvoorziening en ook omdat dit gevolgen zal hebben voor de biodiversiteit.

Maar in het algemeen kan men stellen dat de talrijke scenario’s die beweren groei te verzoenen met een overgang naar zero-koolstof en daarbij de 2°C grens eerbiedigen, allemaal vervalst zijn omdat ze geen rekening houden met specifieke problemen en de moeder van die problemen heeft een naam: het kapitalisme (12). Maar de termen ‘kapitalisme’ en ‘groei’ zijn taboes, die de wetenschappers van het IPCC niet ter discussie willen stellen.

In een analyse van de basistekst voor de onderhandelingen in Parijs, richt Pablo Solon de aandacht op een meer specifiek cruciaal punt dat via een andere weg tot dezelfde antikapitalistische conclusies komt: er zijn geen beloften voor een vermindering van uitstoot tussen nu en 2030, en die zijn van beslissend belang om beneden de 2°C te blijven (13). De ambassadeur van Bolivia schrijft dit toe aan de gevolgde methode. De onderliggende vraag moet dan ook gesteld worden: waarom is er die stilte over de deadline van 2030?

Het antwoord hierop bevat in hoofdzaak drie elementen die alle te maken hebben met de grote kapitalen waar de bedrijven die afhankelijk zijn van de klimaatonderhandelingen over beschikken: de gekapitaliseerde fossiele reserves, de afschrijving van het energiesysteem (voor 80% gestoeld op fossiele energie) en de betrokkenheid van het financieel kapitaal dat de wereld op deze twee vlakken beheerst.

Inderdaad, om het klimaat te redden, zouden de olie-, gas- en steenkoolmaatschappijen op de eerste plaats moeten afzien van het uitbaten van 80% van de voorraden aan fossiele brandstoffen waarvan ze de eigenaar zijn, deze voorraden behoren tot de activa waarop hun beursnoteringen gebaseerd zijn (14); op de tweede plaats zou het grootste deel van het wereldenergiesysteem – ongeveer 20% van het wereld BBP – afgebroken moeten worden voordat het is afgeschreven (15); en deze vernietiging van kapitaal zou op de derde plaats een enorme financiële crisis veroorzaken door het uiteenspatten van de zeepbel.

Systeem crisis en maatschappelijk project

De COP21 zal bekend worden als de top van de leugen, de business- en klimaatcriminaliteit. Die top zal spijtig genoeg slechts voorlopig zijn: als er geen weerstand komt zal het systeem nog veel verder gaan in de sociale en de ecologische vernietiging. Uitdrukkingen zoals ‘milieucrisis’ of ‘anthropische klimaatverandering’ zijn bedrieglijk. We moeten de toestand over de hele aarde bekijken, het gaat om een systeemcrisis, om de historische impasse van het kapitalisme. En het is in dat kader dat strategieën moeten worden uitgewerkt. De antikapitalistische linkerzijde staat voor de uitdaging om een maatschappelijk project naar voren te schuiven dat niet productivistisch is en om praktijken, eisen en organisatievormen te ontwikkelen die dat project kunnen waarmaken.

Er is momenteel een grote mobilisatie aan gang die een eerste hoogtepunt kan kennen in Parijs naar aanleiding van de COP21 en die daarna verder zal gaan. De organisatoren willen dat alle bewegingen van de uitgebuite en onderdrukte lagen hier samenkomen. De boerenvakbonden en de inheemse volkeren staan vooraan in de strijd rond praktijken van terugwinnen van het gemeenschappelijk erfgoed waarin vrouwen een grote rol spelen. Brede lagen van de jeugd zijn nu al gemobiliseerd in de strijd tegen grote projecten ten dienste van de fossiele sectoren. Maar de arbeidersbeweging loopt op dit alles achter.

De vakbonden nemen wel formeel deel aan de mobilisatie maar dat volstaat niet. Men moet de massa van de werknemers en werkneemsters ertoe brengen dit gevecht als het hunne te beschouwen en door eigen acties hier dagelijks aan bij te dragen. Die uitdaging is van beslissend belang maar moeilijk. Ze kan slechts verwezenlijkt worden door een dubbele beweging van democratisering van de vakbeweging en van een antikapitalistische radicalisering van haar programma en haar praktijk. Zo niet dan zal de ‘rechtvaardige transitie’ die wordt geëist door het Internationaal Vakverbond slechts een brave volgeling zijn van de kapitalistische strategie en alle gevolgen hiervan (16).

Een bundeling van de bewegingen onderstreept de noodzaak van een niet-kapitalistisch maatschappijproject dat beantwoordt aan de eisen van onze tijd. Een ecosocialistisch project dat aan echte menselijke behoeften wil voldoen, op een democratische wijze en rekening houdend met de ecologische verplichtingen. Alhoewel het nog vaag is, leeft dit project reeds in de strijd voor emancipatie. Het steunt op zelfbeheer, decentralisatie, feminisme en internationalisme, het wijst de fantasie van een ‘overheersing over de natuur’ en de obsessie van het ‘altijd maar meer’  beslist af. Het is onze eerste taak om deze beweging te laten groeien.

De COP en de multinationale ondernemingen

De top van bedrijven voor het klimaat die in mei van dit jaar werd georganiseerd door de VN om de bedrijven bij de onderhandelingen te betrekken, kreeg de steun van lobbyisten waaronder de World Business Council for Sustainable Development (*). Deze WBCSD heeft onder zijn tweehonderd leden een aantal van de grootste vervuilers van de planeet (Shell, BP, Dow Chemicals, Petrobras, Chevron,…). Het voorzitterschap ligt bij de baas van Unilever en de organisatie werd opgericht door Stephan Schmidheiny, ex-directeur-generaal van Eternit. François Hollande die er het woord nam heeft hen letterlijk de volgende rooskleurige toekomst beloofd: ‘De bedrijven zijn van wezenlijk belang omdat zij het zijn die door hun inzet de noodzakelijke veranderingen zullen doorvoeren: energie efficiëntie, de opkomst van hernieuwbare energie, de mogelijkheid van transport en een vervoer die geen energie verbruikt, het opslaan van energie, de manier om woningen te bouwen, de organisatie van de steden, en ook de deelname aan de transitie en de aanpassing van de ontwikkelingslanden.’

(*) Le sommet Business et Climat de Paris est squatté par les gros pollueur, Jade Lindgaard, Mediapart, 20/5/2015

Noten

  1. Een toename van de zonnestraling verklaart 5% van de waargenomen opwarming. De rapporten van het IPCC zijn hier te vinden.
  2. Dat is met name het geval voor de stijging van het zeewaterpeil: de waarnemingen geven 3mm /jaar en de voorspellingen waren 2 mm.
  3. Naomi Klein : No Time, verander nu, voor het klimaat alles verandert, De Geus, Breda, 2014.
  4. Tot nu toe was het Europees systeem van verhandelbare emissierechten de enige markt van deze soort. Meer recent zijn er andere dergelijke markten gecreëerd in bepaalde streken van China en van de VS. De zogenaamde ‘schone’ investeringen in het Zuiden leveren kredieten op en vormen het mechanisme van Schone Ontwikkeling. Projecten in verband met de wouden werken volgens het REDD+ mechanisme.
  5. Volgens schattingen zal het nog beschikbare koolstofbudget om niet boven de 2°C te gaan, uitgeput zijn in 2030 bij het huidige tempo van uitstoot. Zie hiervoor de voorspellingen van Kevin Anderson, directeur van het Tyndall Institute on Climate Change research.
  6. Zie
  7. De INDC (intended nationally determined contributions) neergelegd met het oog op de COP21, kunnen hier geraadpleegd worden.
  8. Zie hier.
  9. Zie hier en ook de publicatie van K. Anderson, op. cit., of James Hansen et al.
  10. Zie hier en ook hier.
  11. Dat geldt ook voor scenario’s van NGO’s zoals de Energy Revolution van Greenpeace of het Franse scenario Negawatt (voorgesteld door de gelijknamige organisatie) waarover in Frankrijk te veel illusies bestaan.
  12. Zie hier.
  13. Zie hier.
  14. World Economic and Social Survey 2011, The Great Green Technological Transformation.
  15. Zie hier.

Dit is een bewerkte versie voor Viento Sur van een artikel dat verscheen in het Belgische Franstalige tijdschrift  POLITIQUE, september-oktober 2015

Vertaling:  Marijke Colle.

Print Friendly

Laat wat van je horen

*

Share This