Boekbespreking: “Europa, een niet geautoriseerde biografie” – deel 3

eu-parlement

Dit is het derde deel van de voorstelling van het boek Europe : une biographie non autorisée van Bruno Poncelet. Delen 1 en 2 vindt u hier en hier.

In het derde deel van zijn boek Europa, een niet geautoriseerde biografie, staat auteur Bruno Poncelet stil bij de politiek-financiële keuzes van het ‘huwelijkspaar’ Europa en de (door de grote bedrijven gewenste) eenheidsmarkt. Keuzes die – om verder te gaan met de familiale metafoor – in aanzienlijke mate bepaald geweest zijn door de biologische vader van Europa, Uncle Sam.

In de lijn met de wensen van de grote bedrijven en aangemoedigd door de fabels over een schitterende toekomst dank zij de “vrije en onvervalste concurrentie”, werden in Europa en in de VS door de jaren heen talloze beleidsmaatregelen genomen om de financiële concurrentie te bevorderen. Overheidsregulering werd teruggeschroefd ten gunste van private bedrijven, de competitiviteit werd aangemoedigd en er werd ongebreidelde kapitaalaccumulatie nagestreefd in de wedloop naar globalisering. De mondialisering van de handel vereiste namelijk een steeds grotere mobiliteit van kapitaal, wat noodzakelijk is om het vrij verkeer van goederen, diensten en productiekrachten te garanderen.

Om de inzet te begrijpen van de financiële dynamiek bij het huwelijk tussen Europa en de tirannieke competitie dienen we volgens Poncelet onze aandacht te vestigen op twee beleidsmaatregelen ter bevordering van de concurrentie: enerzijds de concurrentie tussen de wisselkoersen en anderzijds de concurrentie tussen de rentevoeten. Hiervoor brengt Poncelet ons terug naar 1944.

De monetaire concurrentie (de eerste financiële wals)

Om de lectuur wat te vergemakkelijken gebruikt Poncelet de metafoor van financiële walsen om de concurrentie bevorderende maatregelen te beschrijven. In 1944 bekomen de VS, in een akkoord dat in Bretton Woods wordt ondertekend, het recht om de internationale munt (de Amerikaanse dollar) die gebruikt wordt in het kapitalistische kamp uit te geven. Ter compensatie beloven ze dat de dollar permanent inwisselbaar zal zijn door goud. Deze vaste waarde van de dollar was een cruciale garantie voor de andere staten gezien deze verplicht waren Amerikaanse valuta te accumuleren om internationaal handel te drijven.

In 1971 maakt Nixon echter de koppeling van de dollar aan het goud ongedaan. Dit had onder andere te maken met de daling van de Amerikaanse goudreserves ten gevolge van het kostenplaatje van de Vietnamoorlog. Gezien de munteenheden niet meer gekoppeld zijn aan een stabiele referentie zal hun wisselkoers gaan variëren op basis van vraag en aanbod. De koopkracht van landen zal van dan af aan “volatiel” (wisselvallig) worden, met veel onzekerheid als gevolg. Poncelet spreekt van de ‘eerste fiancële wals’.

Om die onzekerheid te beperken zullen private verzekeraars op het toneel verschijnen om verzekeringsproducten te ontwikkelen tegen plotse waardedalingen. Maar er ontstaat tezelfdertijd een nieuwe markt van speculatieve producten op toekomstige valutawaarden, want diezelfde verzekeringsfirma’s zullen al gauw speculatieve activiteiten ontwikkelen op basis van deze monetaire fluctuaties (en dus de koopkracht van staten).

Geen enkele staat stelde deze aanval op de economische democratie werkelijk in vraag, waardoor de VS haar geprivilegieerde positie behield: ze kon de bankier van de wereld blijven spelen, maar was niet langer verplicht goud op tafel te leggen in ruil voor een dollarbiljet. De Europese landen probeerden zich vooral te beschermen tegen speculatieve aanvallen door een Europees monetair systeem op te richten (de voorloper van de euro). Alvorens deze eerste financiële wals verder te zetten stelt Poncelet voor om eerst wat technische basiskennis inzake monetair beleid op te frissen.

Financiële leningen en monetaire creatie

Om aan geld te geraken beschikt een Staat over meerdere mogelijkheden, waaronder het heffen van belastingen, geldcreatie (dus het drukken van geld) en het aangaan van financiële leningen. Dit laatste doet ze door staatsobligaties uit te schrijven waarop ze een bepaalde intrestvoet (rentevoet) garandeert. Een fundamentele nuance hierbij is dat hoe groter de handel met de rest van de wereld, hoe meer de geldcreatie en de staatsleningen ontsnappen aan de democratische controle. Want in een geglobaliseerd systeem, waarin de monetaire politiek van een land moet concurreren met die van andere, zal de reële vrijheid om een bepaalde intrestvoet te garanderen bepaald worden door de onderlinge krachtsverhoudingen. En wat men hierbij in het achterhoofd dient te houden is dat het de VS waren die Europa en de rest van de wereld er toe aangespoord hebben toe te treden tot de globalisering van de handel, wat dus synoniem staat voor een verlies aan politieke onafhankelijkheid.

De monetaire wipplank

Om een en ander duidelijk te maken vergelijkt Poncelet de invloed van een aantal economische factoren met de werking van een wipplank. Aan de ene zijde heeft men de intrestvoet en de internationale geldwaarde (wisselkoers), aan de andere zijde de export en de inflatie; wanneer de twee eerste dalen, stijgen de twee overige, en omgekeerd.

In de jaren ’70 hebben de VS hun rentevoet opzettelijk laag gehouden om hun export te laten stijgen. Want wanneer een centrale bank haar rentvoet voor obligaties verlaagt daalt ook de vraag naar de betreffende munt. En dat zorgt op zijn beurt voor een daling van de wisselkoers, in dit geval van de dollar. Amerikaanse producten worden daardoor goedkoper voor het buitenland, de export stijgt. Anderzijds wordt de aankoop van buitenlandse producten voor Amerikanen duurder. Samen met het goedkope geld (lage intrest) doet dit de inflatie stijgen.

Poncelet wijst erop dat het variabel maken van de wisselkoersen (“de eerste financiële wals”) een unilaterale politieke beslissing was van de VS onder Nixon. En wel precies omdat deze liberalisering de mogelijkheid bood om via de tweede financiële wals, namelijk de variabele rentvoet, de export te doen stijgen of de inflatie te laten dalen. Er is dus niets natuurlijk aan het laten wippen van de monetaire wipplank want het doen stijgen van de wisselkoers of de rentevoet is steeds een politieke keuze. De liberalisering van de wisselkoersen was met andere woorden slechts een noodzakelijke stap om vervolgens op basis van de rentevoet de export te laten stijgen.

Het wipplank-effect “made in USA”

Terwijl de VS in eerste instantie een lage rentvoet hanteren, wat dus (onze wipplank in gedachten) de geldwaarde laag houdt en de export en de inflatie doet stijgen, wordt in 1979 beslist om het monetaire roer om te gooien. Het bestrijden van de inflatie wordt van dan af, onder toenmalig Fed voorzitter Paul Volcker, de eerste prioriteit. De rentevoet gaat omhoog. Concreet gevolg is dat de vraag naar de dollar stijgt, waardoor ook haar waarde (wisselkoers) stijgt. Dit doet op haar beurt de import stijgen en de export dalen, waardoor ook de inflatie daalt.

Gezien de economische dominantie van de VS in het systeem van financiële concurrentie zijn economisch zwakkere landen (‘Derde Wereld’) echter ook verplicht hun rentevoet te verhogen om te kunnen concurreren met de dollar bij het aantrekken van leningen. Maar die hogere rentevoet laat al vlug de kosten de pan uit swingen voor die landen want op den duur zijn ze zelfs verplicht geld te lenen om de intresten terug te betalen voor het geleende geld. De VS hebben dus een eersterangsrol gespeeld in de explosie van de “derdewereldschuld” in de jaren ’80. En die financiële afhankelijkheidspositie gaf de VS voluit de mogelijkheid haar geopolitieke doeleinden na te streven door dictatoriale marionettenregimes in stand te houden en landen gewoonweg te onderwerpen en economisch uit te buiten (grondstoffen) in ruil voor krediet.

De monetaire wipplank: een wreedaardig politiek spel

De “monetaire wipplank” is dus volgens Poncelet een wreedaardig politiek spel. Want om financiële hulp te krijgen om hun betalingsverplichtingen na te komen werden derdewereldlanden via de herstructureringsprogramma’s van het IMF verplicht om te besparen op sociale uitgaven en hun markt open te stellen voor de internationale handel (exportproductie om buitenlandse deviezen te bekomen voor de terugbetaling). En deze tweede verplichting had op haar beurt twee perverse gevolgen: doordat vele landen omschakelden naar exportproductie ontstond er een overaanbod en dus een algemene daling van de prijzen; dit versterkte enkel de geopolitieke afhankelijkheid ten aanzien van financiële beslissingen door dominante kapitalistische landen.

Ook op Amerikaanse bodem maakte de Amerikaanse beslissing om de rentevoet te doen stijgen slachtoffers. Een groot aantal lokale spaarkassen werden namelijk verlieslatend: bij gelijkblijvende inkomsten (langlopende hypotheekleningen met lage intrestvoeten) stegen plots hun uitgaven door de stijgende rentevoet.

De financiële wals van de rentvoeten in de VS (1980 – 1999)

Begin jaren ’80 heeft men dus een ultraliberale monetaire politiek in de VS: het met elkaar laten concurreren van rentevoeten wordt de regel. Een regel die ook opgelegd wordt aan de private sector (dus tussen banken en de financiële sector). Op basis van de mythe van de “vrije en ongehinderde concurrentie” (zie deel 2), die zogezegd naar hogere rendementen zou leiden, werden tal van wetten die een rem waren op de handel – zoals de Glass-Steagall Act – gewijzigd.

Deze reglementering van de financiële sector werd volgens Poncelet niet afgeschaft maar steeds meer door de financiële sector zelf geschreven omdat deze haar intrede maakte op de financiële wipplank. Zo kreeg ze meer grip op de regeringen van bepaalde landen. Maar Europa ging in haar imitatie van de VS zelfs verder, want in Europa werden de weinige regels die nog bestonden – in tegenstelling tot de VS – wel afgeschaft.

Wat is de Glass-Steagall Act?

Na spectaculaire stijgingen gingen de aandelenkoersen in de Verenigde Staten in oktober 1929 abrupt dalen (de ‘krach van Wall Street’), wat het begin inluidde van een jarenlange wereldwijde economische terugval, bekend als de “Grote Depressie”. Pas in 1933, toen Herbert Hoover als president de plaats moest ruimen voor Franklin Roosevelt, werden maatregelen genomen om het tij te keren en herhaling te vermijden, de “New Deal”.

Naast tewerkstellingsplannen door de overheid werden de banken aan een aantal ingrijpende beperkingen onderworpen, vastgelegd in de “Banking Act” van 1933. Deze wetgeving was voorgesteld door twee senatoren van de Democratische Partij, Carter Glass en Henry Steagall, en wordt daarom vaak de “Glass-Steagall Act” genoemd. Het wettenpakket voorzag o.a. in een federale depositogarantie (waardoor spaargeld tot een bepaald bedrag gegarandeerd wordt bij bankroet van de bank) en een serieuze inperking van de speculatiemogelijkheden van banken. Intrestvoeten werden wettelijk beperkt, en er kwam een strikte scheiding tussen enerzijds de “gewone” (of “commerciële”) banken waar het grote publiek zijn geld op een rekening zet, en anderzijds de ‘investeringsbanken’ die beleggen in aandelen en hoge winstmarges nastreven door speculatieve activiteiten. De naam “Glass-Steagall” wordt soms gebruikt om alleen dit laatste aspect van de Banking Act aan te duiden.
Gaandeweg werd de Glass-Steagall wetgeving door banken omzeild en door de Amerikaanse overheid steeds losser geïnterpreteerd.

De financiële wals van Maastricht (1992)

In overeenstemming met de logica van het vrij verkeer gecombineerd met de economische concurrentie werden in 1992 nieuwe financiële regels opgenomen in het Verdrag van Maastricht ter oprichting van de EU. De officiële reden voor het opnemen van deze regels in het Verdrag was enerzijds het voltooien van de eenheidsmarkt en politieke autonomie verwerven op de mondiale markt, en anderzijds reageren op de sterke speculatieve golven (inzake wisselkoersen) waarvan de nationale munten het slachtoffer waren. Maar eigenaardig genoeg (of net niet), het Verdrag van Maastricht vertrekt van dezelfde filosofie als het Amerikaans financieel beleid dat de rentevoeten met elkaar laat concurreren:

  • Volledige liberalisering van het kapitaalverkeer, zowel binnen als buiten de EU;
  • De toekomstige Europese Centrale Bank (ECB), aangesteld om het monetair beleid te beheren, wordt een technocratie buiten elke democratische controle;
  • De opdracht van deze ECB is beperkt tot de strijd tegen inflatie.

Maar door het effect van de financiële wipplank begint al gauw de export te dalen en de Europese bedrijven worden er toe aangezet dit verlies op hun handelsbalans te compenseren met het inperken van de lonen (door druk te zetten op vakbonden en regeringen). En deze druk op de lonen heeft ook het voordeel dat ze de inflatie doet dalen, zoals de ECB nastreeft. En om op hun beurt hun dalende lonen te compenseren wordt de Europese bevolking aangespoord ‘low cost’ producten te kopen afkomstig uit lagelonenlanden. De financiële wals van Maastricht vereist dus nog meer mondialisering en sluit volgens Poncelet aan bij de geest van industriële megalomanie, eigen aan Europese politici.

Versnelling van de financiële wals in Europa (1992 – 1997)

Om op de monetaire wipplank te kunnen spelen is het echter niet genoeg om over een eenheidsmunt te beschikken: men moet ook een gemeenschappelijke rentevoet hebben. Daarom hebben de politieke onderhandelaars van Maastricht convergentiecriteria bepaald, namelijk het feit dat zowel de nationale rentvoet als de nationale inflatie gelijk moeten evolueren binnen de EU. Maar de criteria van Maastricht gaan nog een stuk verder. Wat de lidstaten ook binnen bepaalde perken moesten houden waren het budgettaire deficit (maximaal 3% van het BBP) en de overheidsschuld (hoogstens 60% van het BBP). En ter versterking hiervan werd op de koop toe een disciplineringsmechanisme ontworpen: het “stabiliteit- en groeipact”.

Verder verbiedt Artikel 104 (wat nu Artikel 123 van het Verdrag van Lissabon geworden is) de ECB en de nationale banken van de lidstaten om geld bij te drukken en uit te lenen aan overheden, een element waarop Europa dus stukken verder gaat dan de VS. Dat laatste dwingt Europese overheden dus om geld te lenen op de private markt, die wél kan lenen bij de ECB… Zwakke staten worden op die manier de dupe van ratingbureaus; een slechte rating betekent een hoge rentevoet, zoals Griekenland maar al te duidelijk aantoonde.

Conclusie van de tweede financiële wals: de kost van de lening

Artikel 104 uit het Verdrag van Maastricht staat dus voor een uiterst discriminerende Europese politiek, want in tegenstelling tot nationale overheden kunnen private banken zich wel bij de ECB bevoorraden. Daardoor krijgen private ondernemingen steeds meer controle over de democratie. Ze kunnen onder hun voorwaarden schuldtitels verhandelen, wat overheden blootstelt aan onverwachte variaties in rentvoeten. Het is ook daarom dat Europa kost wat kost het begrotingstekort en de overheidsschuld van lidstaten tracht te controleren. Deze onzekerheid zorgt voor de creatie van verzekeringsproducten, maar dat leidt op zijn beurt tot speculatieve praktijken want machtige bedrijven zetten grote sommen geld in op de waardedaling of stijging van wisselkoersen en intrestvoeten.

Van financiële walsen tot financiële oplichting

Alvorens verder te gaan met de saga van de financiële walsen herinnert Poncelet ons aan het sterk gehiërarchiseerd karakter van de wereld van de handel. Banken, verzekeringsmaatschappijen en financiële instellingen behoren tot de VIPs van het commerciewereldje. ‘De markten’ behelst een hele waaier instellingen, met sterke verschillen in machtspositie om invloed uit te oefenen op die markten … of op overheden.

Poncelet doorprikt ook twee illusies: nee, ‘de markt’ is niet steeds een kwestie van concurrentie, en nee, technologische vooruitgang en vindingrijkheid van private firma’s komen niet steeds de mensheid ten goede. De Franse onderzoeksjournalist Denis Robert haalde de woede van de financiële wereld op zich wanneer hij in 2001 aan het licht bracht dat er wereldwijd een soort broederschap van bankiers bestaat en dat deze vanaf de jaren ’60 dankzij de ontwikkeling van nieuwe technologie een intern betaling- en communicatiesysteem ontworpen had: Swift, Clearstream en Euroclear. Deze twee laatsten zijn wat we clearinginstellingen noemen en dienen eigenlijk om aan- en verkoopoperaties uit te voeren zonder op een fysieke manier geldmiddelen te moeten verplaatsen. Volgens Robert gaat het om een “Bermudadriehoek” want er was geen enkel openbaar toezicht op dit systeem, en er had zich tot dan toe nooit iemand voor geïnteresseerd.

Clearstream zit eigenlijk in de kern van het irrigatiesysteem van belastingparadijzen. Het is via belastingparadijzen dat anonieme financiële transacties kunnen plaatsvinden, en Clearstream biedt haar cliënten meerdere diensten aan die hun anonimiteit garanderen: een “onuitgegeven rekening” (waarbij enkel de rekening van de moedermaatschappij kenbaar is), een gemaskerde manier van werken waarbij een rekening gebruikt wordt die niet op uw naam staat, en tenslotte de “computerstoring” waarbij elke link tussen betrokken cliënten wordt uitgewist.

De moeilijke zoektocht naar kredieten door KMO’s (met grotere risico’s voor terugbetaling in verhouding tot grote firma’s) zette de Amerikaanse banken Bear Stearns en Drexel Burnham Lambert omstreeks het einde van de jaren ’70 ertoe aan financiële producten met hoog risico te ontwikkelen: de “high yield debt” of schulden met hoog rendement zagen op deze manier het licht. Gezien de hoge intrestvoeten die deze schuldtitels garanderen ontstond er een grote vraag vanwege investeerders, wat ervoor zorgde dat de uitgevende banken grote sommen konden aantrekken. Dankzij deze sommen zijn de banken op Wall Street bedrijven beginnen opkopen om ze na herstructurering met winst terug te verkopen. Veel bedrijven werden op die manier via deze kredietinstrumenten op een schandalige manier leeggeroofd.

“Junk bonds”

Door de wijzigingen van de politiek inzake rentvoeten in de jaren ’70 in de VS waren veel spaarbanken verplicht een rentverhoging toe te passen om aan geld te geraken, maar zonder dat hun inkomsten stegen, die vooral uit intresten van hypothecaire leningen met een lage rentvoet bestonden. Eerder dan te lenen aan gewone burgers sprongen deze banken vooral op de winstgevende vastgoedmarkt waar ze zich inlieten met bijzonder twijfelachtige leningen. Poncelet geeft een voorbeeld van een dergelijke constructie:

  1. Een corrupte promotor leent 3 miljoen dollar voor de bouw van een gebouw van 4 miljoen dollar.
  2. De promotor laat het vastgoed bouwen, maar betaalt zijn lening niet terug.
  3. Het huis is echter onverkoopbaar voor de bank.
  4. De bank schakelt een immobiliën-expert in die het huis herschat op 5 miljoen dollar.
  5. Een tweede corrupte oplichter wordt (tegen betaling van een commissieloon) ingeschakeld om het gebouw te kopen voor een bedrag van 5 miljoen dollar en leent daarvoor een bedrag van 6 miljoen dollar bij dezelfde bank.
  6. De tweede oplichter tekent echter enkel de eigendomsakte.
  7. Van de 6 miljoen dollar die geleend werden betaalt de bank zichzelf 5 miljoen dollar. De resterende 1 miljoen dollar betaalt de bank zichzelf in de vorm van intresten gedurende 2 jaar.
  8. Een boekhouder bevestigt dat het huis verkocht werd en dat er in plaats van een verlies van 3 miljoen dollar een winst van 2 miljoen dollar (zonder intresten) gemaakt werd.
  9. Conclusie: van een groot verlies werd een grote winst gemaakt.

Wat de bank eigenlijk in dit voorbeeld doet is zich in de schulden werken om haar rekeningen te camoufleren. Maar het geeft volgens Poncelet slimme oplichters wel de kans enorme geldbedragen te vergaren en te verbergen alvorens de realiteit de fictie inhaalt. Dit spel kan slechts duren zolang er middelen gevonden worden om deze rekeningen te manipuleren en dit is het moment waarop de “high yield debt”, of schulden met hoog rendement, hun intrede doen. Maar op een gegeven moment stokken de geldmiddelen, stopt het spel en begint de stormloop. En de grote verliezers zijn op dat moment de Amerikaanse belastingbetalers, want bij het failliet van banken garandeert de Amerikaanse overheid een terugbetaling van spaarrekeningen tot 100.000 dollar. Hierdoor worden dus een gedeelte van de schulden kwijtgescholden met behulp van belastinggeld. Deze ‘high yield debt’ of schulden met hoog rendement worden uiteindelijk omgedoopt tot “junk bonds” (rotte obligaties).

Financiële vertiteling (MBO, CDO) en ratingbureaus

Op basis van de “junk bonds” en de niet aflatende inventiviteit van Wall Street wordt in 1977 een nieuw financieel product ontwikkeld: de “Mortgaged Backed Securities” (MBS). Deze groepeert duizenden hypothecaire leningen in één financieel product, dat vervolgens aan geïnteresseerde investeerders kan worden aangeboden. Het voordeel van de MBS is dat deze verzameling van leningen minder risico inhoudt omdat de kans kleiner is dat ze allen op dezelfde wijze evolueren.

Om investeerders een zekere betrouwbaarheid van haar aankoop te garanderen verschijnen private ratingbureau’s op het toneel (Moody’s, Standard & Poor’s en Fitch), die deze financiële producten quoteren. En op basis van deze quotering wordt de intrestvoet bepaald. Hoe slechter de quotering, hoe hoger de intrestvoet; het aangaan van een groter risico wordt op die manier beloond.

In 1987 worden Collateralized Debt Obligations bedacht: de MBS techniek wordt gebruikt om zowel risicovolle financiële producten als niet-risicovolle producten te mengen. Afhankelijk van welke computerformule men gebruikt komt men dus op verschillende resultaten uit. Men splitst deze in stukken en biedt dit vervolgens aan investeerders aan. Iets waar ratingbureau’s – ook omwille van hun onderlinge concurrentie trouwens – niet tegen opgewassen zijn voor hun quotering. Poncelet concludeert hieruit dat de honger naar geld Wall Street aanzet tot een doorgedreven creativiteit, die op zijn beurt een explosieve cocktail wordt. Want investeerders hebben steeds minder zicht op de producten die ze aankopen. En gezien de “vrije handel” een ongehinderde geldcirculatie toestaat,reizen deze giftige producten de hele wereld rond en zijn er steeds grotere bedragen mee gemoeid.

Stinkende leningen

Om het begrip van de verwikkeling van de financiële crisis te vergemakkelijken gebruikt Poncelet terug een metafoor waarbij diverse radertjes een mechanisme in gang zetten, wat uiteindelijk resulteert in de financiële crisis van 2008. Alles begint met een stijging van de ongelijkheid. Dit is het eerste radertje. In 1981 voert Reagan een ideologisch geïnspireerd sociaal-economisch beleid gestoeld op de leuze “te veel belasting doodt de belastingen”: een drastische belastingvermindering moet firma’s ertoe aanzetten om te investeren, banen te scheppen en dus (op termijn) meer belastingen te betalen.

Maar wat gebeurde er werkelijk? Ten eerste hebben de rijke klasse en de grote bedrijven hiervan sterk geprofiteerd. Maar de schuldenberg van de Amerikaanse overheid ging pijlsnel omhoog (ook door de stijging van de defensieuitgaven). En ten tweede werden er geen jobs gecreëerd waardoor de ongelijkheid bijzonder toenam. Het gevolg was dat de consumptie van de bevolking daalde, wat niet goed was voor de bedrijven. Om dit euvel te verhelpen werd de mogelijkheid gecreëerd om dankzij leningen en schulden verder te consumeren. En daar waren de kredietinstellingen natuurlijk als de kippen bij.

Het tweede radertje is de bloei van de kredietmaatschappijen. In plaats van niet te lenen aan onvermogende mensen (wat voor bankiers tot zware verliezen kan leiden) hanteerden de banken de slagzin: je kan altijd lenen, maar zorg er gewoon voor dat de leningen van jouw balans verdwijnen. De truc heet “titrisatie” of “vertiteling”, en bestaat erin dat de uitlenende bank haar financiële kredieten verkoopt aan andere firma’s. Sinds Reagan breidde de groep van onvermogende kredietnemers steeds toe, wat resulteerde in steeds meer risicovolle leningen. Dankzij vertiteling kon men deze leningen makkelijk doorverkopen aan Wall Street, die er vervolgens CDO’s van kon maken die ze (na quotering door ratingbureau’s) op de financiële markt kon verhandelen. En zolang er op Wall Street vraag was naar deze financiële producten bleven lokale banken hypotheekleningen, de zogenoemde “subprime” (tweederangs) leningen, verstrekken aan armen. Die werden er vaak ingeluisd met variabele intrestvoeten: aanvankelijk laag of nul, maar al snel onbetaalbaar.

Het derde radertje dat vervolgens begint te draaien zijn de financiële ingenieurs van Wall Street. Sinds het verdwijnen van de Glass-Steagall wetgeving (zie hoger) kunnen spaarbanken ook als investeringsbank optreden. Dat maakte het voor kredietinstellingen eenvoudig om kopers te vinden voor de subprime-hypotheken (door Poncelet herdoopt tot “stinkende leningen”). De vraag is natuurlijk waarom de grote banken van Wall Street deze stinkende leningen toch kopen. Poncelet ziet drie redenen: ten eerste maakt men, door de periode van onzekerheid die de zakenwereld treft, een opgang mee van speculatie, ten tweede zijn banken na de ‘dotcom bubble’ (de speculatiegolf rond internetbedrijven begin de jaren 2000) op zoek naar nieuwe financiële producten om te verhandelen. En ten slotte ontwikkelt zich ook de financiële vindingrijkheid van wat Poncelet de goochelaars van Wall Street noemt.

Het vierde radertje betreft de ratingbureaus. Deze instellingen die de solvabiliteit moeten controleren schieten volgens Poncelet op twee vlakken te kort. Ten eerste voeren ze geen degelijke controle uit op de CDO’s. Er werd namelijk enkel met gemiddelden gewerkt. En ten tweede werden deze er toe aangezet positieve quoteringen te geven want hun eigen winsten hingen er van af, als ze al niet onrechtstreeks aandeelhouder van de financiële instellingen waren (wat dus neerkomt op een belangenconflict).

De speculatieve activiteiten met de subprimes berusten dus eigenlijk op gebakken lucht, namelijk een illusoire verplaatsing van de limieten van het krediet voorbij de solvabiliteit van kredietnemers. Maar dit ganse speculatieve en immorele circus zou volgens Poncelet niet mogelijk zijn zonder de mythe van de “vrije en onvervalste concurrentie”, en wel om twee redenen: enerzijds werd onder de ‘vrije markt’ de werkelijke controle van de financiële sector in handen van de privé zelf gelegd. Anderzijds hebben vrijhandelsakkoorden de ontwikkeling van mondiale bedrijven gestimuleerd, die steeds op zoek gaan naar nieuwe speculatieve activiteiten. Maar de illusie van een perfect solvabele markt blijft slechts duren zolang er vers geld blijft binnenstromen.

Volgens Poncelet is dit geen crisis maar een financiële afpersing. De toevoer van vers geld (via CDO’s) hangt volledig af van de onophoudelijke creatie van nieuwe kredieten… aan mensen die zich deze eigenlijk niet kunnen veroorloven. Om hierin te slagen hebben kredietinstellingen slechts één middel: steeds meer voordelige voorwaarden aanbieden aan steeds minder solvabele mensen, leningen tegen variabele rente, leningen met variabele rente en negatieve amortisatie, “no doc” leningen, etc. De paradox is dat om de illusie te bestendigen van een rendabele markt en om vers geld aan te trekken, men onophoudelijk de limieten van het krediet voorbij de solvabiliteit moest duwen.

Op weg naar de “kraak van de eeuw”

Vanaf 2005 begonnen bepaalde investeerders die zich op een degelijke boekhoudkundige en financiële analyse toelegden (alsook de Amerikaanse FBI) zich vragen te stellen over deze stinkende leningen. Maar deze investeerders die zich niet lieten verblinden door kortetermijnsucces gingen net inzetten op het ineenstorten van de CDO markt. In 2005 ontwikkelden ze hiervoor een nieuw financieel product: de Credit Default Swap (CDS), een soort verzekeringspolis op de subprimes. Deze investeerders, die trouwens ook CDO’s in hun bezit hadden, waaronder Goldman Sachs, gingen zelfs zo ver dat ze hun klanten de raad gaven om te investeren in deze giftige producten, terwijl ze zelf speculeerden met verzekeringsproducten op de uitbarsting ervan.

In 2006 begon de Amerikaanse huizenmarkt in te storten. De inbeslagnames waren zo talrijk dat door het overaanbod de waarde van de woningen ineenstortte. De armen die insolvabel waren werden op straat gezet en voor de instellingen die massaal in CDO’s geïnvesteerd hadden werden al de miraculeuze investeringen van gisteren plots giftig. Maar in tegenstelling tot de armen belandden deze laatsten niet op straat. Volgens Poncelet herinnerden zij zich op dat moment een belangrijke les: koop zoveel toxische producten aan als je wil, zolang je ze uit je boeken kunt laten verdwijnen. Ze zochten dus iemand die hen uit de schulden kon halen. In de VS sprongen het Witte Huis en de financiële autoriteiten gedwee in (het hoofd van de Fed was trouwens een oudgediende van Goldman Sachs).

Maar in Europa moest eerst nog nagegaan worden of de regels die sinds de Eenheidsacte van ’86 in voege getreden waren even terzijde konden geschoven worden, zodat staten met de zo verfoeide staatssteun de banken konden te hulp snellen. Meer daarover in de volgende aflevering.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op Ander Europa.

Print Friendly

Laat wat van je horen

*

Share This