Boekbespreking: “Europa, een niet geautoriseerde biografie” – deel 1

EP Brussel

Onlangs is Ander Europa een recensierubriek begonnen waarvan het niet enkel de bedoeling is lezenswaardige boeken over de Europese politiek aan kritiek en eigen commentaren te onderwerpen, maar ook om interessante anderstalige boeken inhoudelijk voor te stellen. In die zin zal de huidige recensie trachten de inhoud van het boek Europe : une biographie non autorisée van Bruno Poncelet (Editions Aden, 2014), samen te vatten. Gezien het boek bijna 600 pagina’s telt, kiezen we er voor om de recensie in 6 delen te publiceren, waarvan dit eerste deel handelt over de eerste stappen van de Europese constructie.

Europe : une biographie non autorisée is ook opgebouwd uit 6 delen. Oorspronkelijk was het de bedoeling om fiches te maken ter ondersteuning tijdens syndicale vormingen over het onderwerp. Uitgeverij Aden stelde echter voor om deze fiches gebundeld te publiceren. Toen brak de crisis van de Eurozone uit, wat de auteur dwong een aantal extra onderwerpen aan te halen. Van het één kwam het ander en het uiteindelijke resultaat is een 590 pagina’s tellende kritische geschiedenis van de Europese Unie.

Over de auteur: Bruno Poncelet is een 44-jarige antropoloog, werkzaam als vormingswerker bij het Centre d’Éducation Populaire André Genot (CEPAG), dat militantenvorming geeft binnen de Franstalige socialistische vakbond FGTB. Daar volgt hij vooral de Europese en syndicale actualiteit op. Hij publiceert artikels op de sociaaleconomische nieuws- en analyse site www.econospheres.be. Samen met Ricardo Cherenti schreef hij eerder het boek Le grand marché transatlantique, les multinationales contre la démocratie (Editions Bruno Leprince, 2011).

Uit Europe : une biographie non autorisée werden ook een aantal korte filmpjes gedestilleerd. Ander Europa zorgde voor een Nederlandse ondertiteling, u kunt ze hier bekijken.

Het officiële verhaal

Zinspelend op de titel van het boek vindt Poncelet het nuttig om eerst kort te hernemen wat eigenlijk de geautoriseerde biografie van Europa is. Volgens dit officiële verhaal hadden de grondleggers van de Europese Unie na de Tweede Wereldoorlog vooral de duurzame vrede voor ogen. Volgens deze officiële biografie werd Europa op 23 juni 1952 geboren, het jaar waarin haar grondleggers beslisten zich te engageren om vanaf dan samen twee centrale grondstoffen te beheren: kolen en staal.

Dit moest er volgens deze founding fathers – onder wie Jean Monnet – voor zorgen dat de lidstaten zich minder agressief zouden opstellen ten aanzien van elkaar zodat een duurzame vrede kon bereikt worden. Dit eerste samenwerkingsverdrag draagt de naam Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). Van dan af zouden tal van andere verdragen elkaar opvolgen om via het verdrag van Rome (1957) – waarmee de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) gevestigd werden -, het Verdrag van Maastricht (1992) ter oprichting van de EU, het Verdrag van Amsterdam (1997), het Verdrag van Lissabon (2007) vandaag uit te monden bij het Europees economisch bestuur.

Democratie als referentiekader

In het eerste deel schetst de auteur de eerste stappen van de Europese Unie. Maar alvorens deze genese aan te vatten staat de auteur stil bij het referentiekader van waaruit hij deze geschiedenis zal benaderen, namelijk de democratie. Om de maatschappij te beschouwen door een democratische bril moet je volgens de auteur steeds 8 elementen in aanmerking nemen: politieke gelijkheid en burgerrechten (elke burger is als gelijke geboren voor de wet); fundamentele vrijheden (privacy, vrijheid van vereniging, vrijheid van meningsuiting,…); de scheiding der machten en het bestaan van tegenmachten (wetgevende macht, uitvoerende macht, gerechtelijke macht en middenveld); pluralistische media; onafhankelijke intellectuelen; economische democratie; een leefbare leefomgeving; onafhankelijkheid en soevereiniteit. Door deze bril zal dus de analyse van Europa doorheen het ganse boek worden opgebouwd.

Amerikaanse inmenging

Hoewel het Amerikaans buitenlands beleid historisch sterk bepaald geweest is door de Europese koloniale erfenis, zal net dit Amerikaans buitenlands beleid, gekenmerkt door een expansieve maatschappij met een dominerende cultuur, een beslissende rol spelen in het ontstaan van de EU. Dit kon slechts gebeuren omdat het oude continent vergeleken met de Nieuwe Wereld in verval kwam. De auteur verklaart dit door de ongelijke economische ontwikkelingen in de twee werelddelen tijdens en na de crisisperiodes eind 19e eeuw, en door de verschillende manier waarop het kapitalisme destijds evolueerde.

Om te beginnen deed de industrialisatie en het despotisme van het kapitalisme eind 19e eeuw al vlug een goed georganiseerde arbeidersbeweging ontstaan die dankzij strijd dit despotisch kapitalisme tot concessies dwong. Maar naast deze eerste factor die het kapitalisme dwong tot verandering had je ook wat de auteur het ‘te grote dynamisme van het kapitalisme’ noemt. De concurrentie tussen industriëlen zette hen er namelijk toe aan hun technologie te innoveren. Maar op een manier die het absorptievermogen van de lokale markt oversteeg, wat leidde tot economische overproductiecrisissen.

Uit deze crisissen kwamen vooral de oude industriële naties er als verliezers uit. En dit had grotendeels te maken met de manier waarop politiek gereageerd werd op deze crisissen. Want terwijl dit op het Oude Continent leidde tot nationalistische terugplooi, commerciële rivaliteit, protectionisme, geopolitieke conflicten en uiteindelijk twee wereldoorlogen, slaagde het Amerikaanse kapitalisme er in zich te moderniseren en onder president Roosevelt zelfs een op keynesiaanse leest geschoeide groei te bereiken. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen de VS dus als ultieme wereldmacht uit deze periode.

Een andere factor die een beslissende rol speelde in het evolueren van dit despotisch kapitalisme naar een kapitalisme met een menselijk gelaat is het ontstaan van de Sovjet-Unie. Om te beletten dat de westerse werkende klasse in de verleiding viel voor de sociale verworvenheden die de Russische Revolutie met zich meebracht, waren de Westerse elites wel verplicht om de teugels wat los te laten. Maar dat belette de VS geenszins om elk verzet dat haar dominantie in vraag stelde te onderdrukken. Hiervoor creëerde ze instellingen (VN, IMF, Wereldbank) en slaagde er zelfs in de dollar op te leggen als internationale wisselmunt (Bretton Woods).

Doordat de VS quasi intact uit de Tweede Wereldoorlog kwamen en Europa economisch aan de grond lag kampte het Amerikaanse productieapparaat echter met een afzetmarktprobleem. Hiervoor – en uit anticommunistische motieven – werd het Marshallplan (een hulpplan voor de wederopbouw van de door oorlog getroffen West-Europese landen) destijds in het leven geroepen. En om dit Marshallplan te bewerkstelligen werd de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (OEES) – de voorloper van de OESO – opgericht.

In de daaropvolgende jaren zal de Amerikaanse inlichtingendienst (Central Intelligence Agency – CIA) mee aan de wieg staan van het Europees Parlement. Ze zal zelfs middelen inzetten om de Amerikaanse culturele hegemonie te vrijwaren door bepaalde kunstenaars en intellectuelen te sponsoren. En ze zal ook anticommunistische progressieve groepen ondersteunen terwijl ze tegelijkertijd met de hulp van Europese politici een door de NAVO getraind schaduwleger met ex-nazi’s op poten zet dat in de jaren ’70 een aantal mysterieuze en bloedige aanslagen pleegde, zoals de bomaanslag van 1980 in het station van Bologna.

Europese institutionele radertjes

Men denkt soms dat de Europese instellingen die doorheen de jaren opgericht werden een afspiegeling zijn van de nationale instellingen met een scheiding der machten, maar op een hoger niveau. Niets is echter minder waar. De Europese Raad (de staats- en regeringsleiders die de topbijeenkomsten beleggen) en de Raad van Ministers (waar je veel minder van hoort) werden oorspronkelijk in het leven geroepen zodat de lidstaten de EU konden controleren. De Europese Commissie kreeg als taak al de verdragen en oriëntaties in beleid om te zetten, een soort uitvoerende macht dus, maar de Commissie – en zij alleen – heeft bovendien het wetgevend initiatiefrecht. Veel wetgeving wordt ook indirect bepaald door het Europees Hof van Justitie, nog een onverkozen lichaam dat de ondemocratische totstandkoming van de regelgeving bevestigt. Het EHJ kan ook nationale staten sanctioneren bij geschillen met privébedrijven, wat eigenlijk een inbreuk vormt op de soevereiniteit.. Het Europees Parlement ten slotte heeft geen wetgevend initiatiefrecht, en kan alleen voorstellen van de Commissie goedkeuren, eventueel geamendeerd, maar daar moet ook de Raad van ministers het mee eens zijn.

Na zijn overzicht van de officiële instellingen gaat Poncelet dieper in op twee andere “instellingen” die een grote impact hebben op het Europees beleid: de expertencomités, die onder het toeziend oog van de Commissie de laatste hand leggen aan wetteksten, en de lobbyisten. De eerste lobbygroepen waren stichtingen die nauwe banden hadden met de Amerikaanse industriële en financiële wereld (Ford Foundation, Rockefeller,…). En deze zijn volgens de auteur een uitdrukking van de in de VS reeds lang bestaande belangenvermenging tussen de zakenwereld, de politiek en de geheime diensten met als doel de nationale politiek te oriënteren in functie van de internationale handel.

In 1983 ontstaat de European Round Table of Industrialists (ERT), een bedrijfslobbygroep op het hoogste niveau die van meetaf aan nauwe banden onderhoudt met de Europese Commissie; de Belg Etienne Davignon is hierin een spilfiguur. Deze lobbygroep heeft als doel het creëren van de Europese eenheidsmarkt. In 1986 wordt daartoe door de toenmalige lidstaten de Europese Akte ondertekend die voorziet in een eenheidsmarkt tegen 1993. Een tweede ambitie is een eenheidsmunt. En daar zal het verdrag van Maastricht uit 1991 voor zorgen. Een verdrag dat synoniem staat voor Europese Centrale Bank, vrij verkeer van kapitaal en de vorming van een eenheidsmunt.

Het project van de ERT kwam er eigenlijk op neer dat door de creatie van een eenheidsmarkt een ruimte tot stand zou komen waarbinnen bedrijven zonder beperkingen hun goederen, diensten, investeringen en productie-eenheden kunnen laten circuleren. Door ‘vrije en onvervalste concurrentie’ zouden prijzen dalen voor de consumenten en de winnaars van dit economisch spel zouden voor groei en werkgelegenheid zorgen. Het terugdringen van overheidsregulering zou de vrijheid creëren om te innoveren en nieuwe producten te creëren.

Wat men hier volgens de auteur voorlopig uit kan concluderen is dat de (lokale) democratie ten gunste van de zogezegde “vrije en onvervalste concurrentie” eigenlijk werd afgebroken. En om de democratie te omzeilen werden zelfs geraffineerde wetgevingsmaatregelen getroffen. Een voorbeeld: om tot een eenheidsmarkt te komen wordt in 1986 beslist om met gekwalificeerde meerderheden te werken. Echter, in het Verdrag van Maastricht staat naast de totale liberalisering en vrij verkeer van kapitaal dat elke beslissing om hierop terug te komen een absolute meerderheid vereist. Op afgesloten verdragen terugkomen, wordt op die manier wettelijk verhinderd.

Familiale metafoor

Om zijn verhaallijn wat te verduidelijken legt Poncelet doorheen het boek steeds een verband met een metaforisch familieverhaal. In dit verhaal is Europa de dochter van de 6 eerste lidstaten, maar ook het buitenechtelijk kind van Uncle Sam (lees de VS). De familie breidt doorheen de jaren uit: andere lidstaten adopteren Europa en zijn allen bereid haar als een dochter te behandelen. Om haar een goede toekomst te garanderen gaat deze familieraad op zoek naar een geschikte man voor Europa.

Op die manier leert ze de multinationals kennen. Verenigd in lobbygroepen beloven ze haar de hele wereld indien ze er mee instemt met hen te trouwen door een “vrije en niet vervalste concurrentiemarkt te creëren”. Als je van me houdt, vertellen deze multinationals haar, als je van mijn belangen de jouwe maakt, zowel in goede als in kwade dagen, dan zal ik je meenemen op een prachtige reis, naar de Kaap de Goede Zaken. Dankzij de “vrijhandel” van de eenheidsmarkt zullen jij en ik het genot van de groei ervaren, aldus de multinationals. De productie zal stijgen waardoor we zullen groeien en meer mensen zullen aanwerven. De werkloosheid zal dalen, de inkomens en dus ook de consumptie zal stijgen wat op haar beurt ook onze verkoop zal doen stijgen. Dit is de Kaap de Goede Zaken die ik je beloof indien je bereid bent met mij het leven te delen en van de economische vrijheid jouw politieke prioriteit maakt.

Het hoeft niet te verwonderen dat ook Uncle Sam achter de schermen druk uitoefende voor dit huwelijk. Wat het uiteindelijke resultaat van dit huwelijk is en hoe het nu zit met die “vrije en onvervalste concurrentie” beschrijft de auteur in het tweede deel van zijn boek.

europe-poncelet

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op Ander Europa.

Print Friendly

Laat wat van je horen

*

Share This