“Actualisering” van het Herenakkoord: een hefboom ter verzwakking van de vakbeweging

Piquet-Audi4

Dat de vakbond niet bij iedereen in de smaak valt, dat weten we al veel langer. Eigenlijk is dat altijd al zo geweest. Om het met een boutade te zeggen: al van voor de vakbond bestond kon hij op veel kritiek rekenen. En eigenlijk is dat normaal. Want een vakbond verdedigt de belangen van al wie onder het kapitalisme en tegenwoordig het neoliberaal systeem, aan de kant van de onderdrukten en verliezers staan. En dat zijn er heel wat.

Voor wie aan de kant van de winnaars staat (of denkt te staan …) is de vakbond dan dikwijls een bijzonder ergerlijke en hinderlijke lastpost die met wisselend succes regelmatig onder vuur wordt genomen. Maar wat we sinds het aantreden van deze rechtse regering aan vakbond-bashing hebben gezien, tot en met het omschrijven van de vakbond als “een geüniformeerde privémilitie met een license tot kill” door N-VA-volksvertegenwoordigster Zuhal Demir (knack.be 26 oktober 2015), heb ik in mijn veertigjarige “carrière” als militant en vrijgestelde in de vakbeweging nog niet meegemaakt.(1)

Een voorlopig ‘hoogtepunt’ is het overleg in de G10, de top van de vakbonden en werkgeversorganisaties, over een evaluatie en mogelijke actualisering van het zogenaamde ‘Herenakkoord met betrekking tot de regeling van collectieve geschillen’ uit 2002. De essentie van het Herenakkoord is de omschrijving van regels waaraan vakbonden en werkgevers zich moeten houden in geval van staking.

Geschiedenis

Hoe belangrijk die regels wel zijn blijkt uit de geschiedenis van de vakbeweging (2). Bij de oprichting van België was er van regels bij collectieve geschillen gewoonweg geen sprake omdat vakbonden verboden waren en dat ondanks de vrijheid van vereniging die stond ingeschreven in de voor die tijd behoorlijk progressieve grondwet. Pas in 1867 krijgen de vakbonden door de opheffing van het coalitieverbod, recht van bestaan. Maar dat is het dan ook. Want de invoering van een nieuw artikel 310 in het Strafwetboek legde zware straffen op in geval van staking en verhinderde aldus in feite de verdere ontplooiing van de vakbeweging en in ruimere zin de arbeidersbeweging. De strijd voor de afschaffing van artikel 310 SWB werd dan ook, samen met de eis voor het algemeen stemrecht, een van de belangrijkste doelstellingen van de vakbonden in de volgende vijftig jaar tot aan de Eerste wereldoorlog.

De politieke doorbraak van zowel de socialistische als de christelijke arbeidersbeweging na WOI maakte de wet van 24 mei 1921 mogelijk, die onder meer de afschaffing van art 310 van het Strafwetboek inhield. Daardoor werd het mogelijk om op vreedzame wijze via stakingspiketten, werknemers te overtuigen om deel te nemen aan stakingen. Dat betekende helemaal niet dat bij een staking nu ineens alles geoorloofd was. Maar de feitelijke erkenning van het stakingspiket was een cruciale stap vooruit om de belangen van werknemers daadwerkelijk en op het terrein zelf te verdedigen, zonder het risico te lopen daarvoor bestraft te worden. Die feitelijke erkenning belette rechtse partijen en werkgevers dan weer niet om tot op vandaag alles te doen om het stakingsrecht te ondergraven. Illustratief daarvoor is de nooit publiek gemaakte nota van het VBO “Houding van de werkgevers bij sociaal conflict” van 24 december 1984. In deze ‘geheime nota’ is er o.a. sprake van rechtspersoonlijkheid voor de vakbonden, het beperken van stakingen tot bedrijfsbelangen en het aanmoedigen van de tussenkomst van de rechtbanken. Het is zeker geen toeval dat sindsdien werkgevers systematisch naar de rechtbank stapten om via dwangsommen stakingen en andere acties aan banden te leggen.

Herenakkoord anno 2002

Hier situeert zich het Herenakkoord uit 2002. Met de huidige discussies in het achterhoofd, loont het de moeite om wat dieper in te gaan op het tot stand daarvan. Werkgevers stapten dus regelmatig en zonder voorafgaande kennisgeving met eenzijdige verzoekschriften naar een rechtbank van eerste aanleg om stakingen te kunnen kortwieken. De toenmalige minister van arbeid, Laurette Onkelinx, wou met een wetsontwerp de werkgevers dwingen om eerst overleg te plegen en pas dan naar de arbeidsrechtbank te stappen. Maar een dergelijke wettelijke reglementering van stakingen en mogelijks andere acties zagen ook de vakbonden niet zitten. De sociale ‘partners’ verkozen daarom onderling een overeenkomst te sluiten. Zo kwam op 18 februari 2002 het Herenakkoord tot stand.

Minder bekend is dat de Algemene Raad van het ACV tweemaal, op 12 en 26 maart, dit akkoord verwierp en pas op de Algemene Raad van 9 april 2002 het akkoord goedkeurde. Dat gebeurde pas nadat minister Onkelinx met een verwijzing naar rechtspraak van de conventie nr. 87 van de IAO had verduidelijkt dat de zinsnede “dat zij [de werknemersorganisaties] hun leden zullen oproepen om bij de uitvoeringsmodaliteiten in geval van een conflict, werknemers te mobiliseren die er rechtstreeks bij betrokken zijn” helemaal niet mocht gelezen worden als een verbod op solidariteitsacties of –stakingen. Maar aan de tekst van het akkoord zelf werd niets meer gewijzigd. Sindsdien is gebleken dat sommige werkgevers eenzijdige verzoekschriften bleven indienen en dat er van de aangekondigde evaluatie van het Herenakkoord nooit iets in huis is gekomen.

Het recente overleg rond de evaluatie van het Herenakkoord kwam er eigenlijk om de steeds terugkerende kritiek van de rechtse partijen op de volgens hen ‘overdreven machtspositie’ van de vakbonden enigszins te counteren en te verhinderen dat de uitoefening van het stakingsrecht via wetgeving zou geregeld worden. Die evaluatie van het Herenakkoord stond eigenlijk al sinds het aantreden van deze rechtse regering op de agenda van de sociale ‘partners’, maar kwam in een stroomversnelling terecht toen tijdens vakbondsacties in oktober vorig jaar een wegblokkade verantwoordelijk werd gesteld voor twee overlijdens.

Herenakkoord anno 2016

Met die evaluatie van het Herenakkoord zagen de werkgevers de kans om wat hen in het verleden nog onvoldoende was gelukt: het verzwakken van de positie van de vakbonden bij een collectief conflict. En zij voelden zich zeker van hun stuk, want indien de vakbonden niet zouden akkoord gaan met hun voorstellen, dan zou de rechtse regering de kwestie zelf in de hand nemen, en dat zou zelfs nog tot verdergaande voorstellen kunnen leiden. Dat beseften de vakbonden zelf maar al te goed. En toch zijn zij niet akkoord gegaan met het ultieme voorstel van de werkgevers. De reden hiervoor was dat de aanvaarding van de evaluatienota een serieuze aanslag op het stakingsrecht zou hebben betekend en de rechtspersoonlijkheid voor de vakbonden weer een stap dichterbij zou hebben gebracht.

In het Herenakkoord van 2002 zorgde alleen nog maar het “oproepen” om de mobilisatie bij een conflict te beperken tot de rechtstreeks betrokken werknemers, reeds voor de nodige argwaan. In de nieuwe evaluatietekst moeten de vakbonden het mobiliseren van werknemers die niet rechtstreeks bij een conflict betrokken zijn zelfs uitdrukkelijk afkeuren. M.a.w. iedere solidariteitsactie zou daarmee onmogelijk worden gemaakt en in kleine bedrijven en zwakkere sectoren zou iedere syndicale actie de facto onmogelijk worden. Die uitdrukkelijke afkeuring wordt ook gevraagd mbt het blokkeren van industriezones of het belemmeren van de toegang ervan.

En dan is er de paragraaf over de interims. Uiteraard mogen interims niet aangeworven worden om een staking te breken … tenzij “uitzendkrachten die reeds vóór de aanzegging van een stakingsactie ter beschikking werden gesteld bij de gebruiker of wier tewerkstelling aldaar reeds vóór de aanzegging werd geregeld”, want die hebben, net als vaste werknemers, “de vrijheid om de onderneming te betreden indien zij dit wensen”. Merkwaardig toch, indien alles goed gaat worden interims zeker niet behandeld als vaste werknemers, als er een staking is daarentegen dan zijn het ineens wel vaste werknemers’ die “de vrijheid [hebben] om de onderneming te betreden indien zij dit wensen”. Alsof een interim die “vrijheid” zou durven te gebruiken om mee te staken. Dan kan zij/hij net zo goed meteen ontslag nemen. Neen, interims, wanneer ook aangeworven, kunnen niet aan het werk blijven in geval van staking.

En tenslotte is er de vraag naar een “contactpunt”. Dat wordt op zulke manier omschreven dat de overgang tussen een aan te spreken persoon of een persoon die aansprakelijk is voor het geval er zich incidenten zouden voordoen wel bijzonder klein wordt. Alsof vandaag alle acties van werknemers, wilde acties zijn waarbij de werkgever niet weet tot wie hij zich moet richten, alsof er geen vakbonden bestaan. Of is het hier omschreven “contactpunt” een onderdeel van de strategie op iets langere termijn naar rechtspersoonlijkheid voor de vakbonden? En misschien moeten we dat dan samen lezen met het voorstel om “in de schoot van de NAR tegen 1 januari 2017 een basisregeling uit te werken die ook zal gelden voor interprofessionele acties (…) en sectoren die niet over een eigen regime beschikken. In de conventie zullen afspraken worden gemaakt rond de te volgen procedure, de vorm, inhoud en termijn voor een rechtsgeldige aanzegging van de actie en de maatregelen die zullen worden toegepast bij niet-naleving van de interprofessioneel afgesproken regels en procedures.”

Helemaal terecht hebben de vakbonden deze ‘evaluatie’ van het Herenakkoord afgewezen. En wanneer deze rechtse regering dan meent om de plannen van de werkgevers via politieke weg te realiseren, dan zullen de vakbonden via een massale mobilisatie aantonen dat ook deze plannen voor de werknemers onaanvaardbaar zijn.

Noten:

1) Marc Leemans, De beredeneerde waanzin van rechts, 29 oktober 2015, http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/opinieblog/opinie/1.2481573

2) http://www.marx.be/nl/content/de-aanval-van-de-belgische-regering-op-het-stakingsrecht#_ftn15

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op DeWereldMorgen.be/

 

 

 

Print Friendly

Laat wat van je horen

*

Share This